ECLI:NL:PHR:2026:18

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
24/01735
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Woningoverval met geweld tijdens muziekfestival Hrieps in Grijpskerke

In deze zaak gaat het om een woningoverval die plaatsvond op 12 mei 2019, waarbij de dagopbrengst van het Hrieps festival in Grijpskerke werd gestolen. De verdachte, die niet kon worden vastgesteld als degene die de woning binnenging, werd door het hof als medepleger aangemerkt. De verdediging voerde aan dat het bestedingspatroon van de verdachte na het incident niet als belastend kon worden uitgelegd. Het hof verwierp dit standpunt en oordeelde dat het bestedingspatroon van de verdachte, samen met andere bewijsmiddelen, belastend was. De zaak bevat ook een klacht over de overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase, die door het hof werd gegrond verklaard. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01735
Zitting6 januari 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 26 april 2024 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-000148-22) wegens “diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 9 maanden met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr. Ook heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander op de wijze zoals in het bestreden arrest is vermeld. Verder heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van een inbeslaggenomen voorwerp en het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/01694, 24/01697, 24/01696 en 24/01829. In deze zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D. Bektesevic, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
Deze zaak maakt deel uit van het onderzoek Vico. Op 12 mei 2019 vindt er een overval op een woning plaats waarbij de dagopbrengst van het jaarlijkse muziekfestival Hrieps in Grijpskerke wordt buitgemaakt. De drie overvallers, waarvan er één een stok/knuppel in handen had, zijn – nadat zij door het gooien van een stoeptegel door het raam van de voordeur de toegang tot de woning hadden verschaft – voorzien van gezichtsbedekking de trap naar de bovenverdieping opgegaan en hebben daar het 74-jarige slachtoffer dreigend gevraagd waar het geld lag. Het slachtoffer heeft de daders direct de kamer gewezen waar het geld lag en heeft zich daarna over haar 3-jarige kleinkind ontfermd. De verdachte, waarvan niet is kunnen worden vastgesteld dat hij de woning van het slachtoffer is binnengegaan, is door het hof als medepleger van de woningoverval aangemerkt. Het eerste middel richt zich tegen de verwerping door het hof van het door de verdediging ingenomen standpunt dat het bestedingspatroon van de verdachte kort na het ten laste gelegde incident voor de verdachte niet als belastend kan worden uitgelegd. Het tweede middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.
2.2
Volgens deze conclusie faalt het eerste middel en slaagt het tweede middel.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat het hof niet, althans in onvoldoende mate, in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het bestedingspatroon van de verdachte kort na het ten laste gelegde incident voor de verdachte niet als belastend kan worden uitgelegd.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 12 mei 2019 te [plaats] , omstreeks 03:15 uur, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning aldaar gelegen aan [a-straat 1] , tezamen en in vereniging met anderen, een grote hoeveelheid geld,
dieaan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, te weten aan Stichting Hrieps, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak, welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door omstreeks 03.15 uur in de nacht een ruit van de woning van die [benadeelde] in te gooien en vervolgens de woning binnen te gaan en naar boven te lopen – gekleed in het zwart/donker en met bivakmutsen op, in elk geval met gezichtsbedekking, en met een stok/knuppel in de handen en vervolgens aan die [benadeelde] dreigend te vragen waar het geld lag.”
3.3
In het bestreden arrest heeft het hof ten aanzien van de bewijsmotivering gebruik gemaakt van de Promis-werkwijze. De omvangrijke (bewijs)overwegingen staan weergegeven op pag. 3 t/m 39 van het arrest. [1] Deze overwegingen houden voor zover van belang het volgende in (met weglating van de voetnoten):

I. Algemene overwegingen
In het onderzoek Vico heeft het hof naar aanleiding van het door vijf verdachten ingestelde hoger beroep en het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen de vrijspraak in eerste aanleg van een andere verdachte in zes zaken gelijktijdig het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep behandeld. Aan alle verdachten is primair hetzelfde feit tenlastegelegd. In verband met deze samenhang acht het hof de gezamenlijke bespreking van verweren op de bewijsmiddelen en onderdelen van de tenlastelegging in hun onderlinge samenhang van belang, ook als daar niet expliciet een verweer op is gevoerd.
Aanleiding onderzoek
Op 12 mei 2019 is omstreeks 03.15 uur bij de politie een inbraak gemeld in een woning aan [a-straat 1] te [plaats] , met de melding dat er een groot geldbedrag was weggenomen. De – toen 74-jarige – aangeefster [benadeelde] was vlak daarvoor wakker geworden van een harde knal. In de woning bevond zich die nacht dat grote geldbedrag vanwege de naar die woning in etappes overgebrachte contante geldopbrengst van het muziekfestival Hrieps. De aangeefster had dat geld samen met iemand anders geteld. Omstreeks 02.45 uur is zij gaan slapen. In de woning was ook haar – toen 3-jarige – kleindochter aanwezig. Nadat de aangeefster de harde knal had gehoord, heeft zij haar slaapkamer verlaten om te kijken wat er aan de hand was. Op de overloop is zij met drie mannen geconfronteerd die de trap opliepen. De mannen waren in het zwart gekleed en hun hoofden waren bedekt met bivakmutsen. De voorste man zei: “Waar ligt het geld?”. Daarop heeft de aangeefster de logeerkamer aangewezen en heeft zij zich verschanst in de kamer waar haar kleindochter lag te slapen. Nadat de mannen weg waren heeft zij de slaapkamer verlaten en heeft zij gezien dat het glas van het bovenste raam van de voordeur eruit lag en dat een grote grindtegel op de grond lag in de hal. In de logeerkamer stonden eerder nog 6 tot 8 dozen met geteld geld. Bovenop het getelde geld lagen tassen met niet geteld geld. Al het geld was door de mannen meegenomen. De man die sprak had mogelijk een zwarte stok in zijn handen, die hij met beide handen voor zich vasthield.
Waardering van de bewijsmiddelen
Alvorens tot een beoordeling van het tenlastegelegde te kunnen komen zal het hof zich uitlaten over […], (III) het bewijs zelf op diverse onderdelen, en (IV) de waardering van de verschillende bewijsmiddelen.
[…]
III. (a) Telecomgegevens
Telefonische contacten op 11 en 12 mei 2019
Uit metingen nabij de woning in [plaats] waar het geldbedrag werd weggenomen, is gebleken dat vanaf daar zendmasten in [plaats] konden worden aangestraald. De vermoedelijk bij de diefstal gebruikte auto’ s reden na de diefstal in de richting van [plaats] - [plaats] .
Prepaid telefoonnummer [telefoonnummer 1]
Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is een prepaid telefoonnummer, dat op 11 mei 2019 is gekocht en in gebruik is genomen en na 12 mei 2019 niet meer is gebruikt. Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] heeft op 11 en 12 mei 2019 contact met de volgende prepaid telefoonnummers: [telefoonnummer 2] , [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] . Van de telefoonnummers [telefoonnummer 3] en [telefoonnummer 4] heeft het onderzoek geen resultaat opgeleverd over de gebruikers van deze nummers.
Contact [verdachte] met zijn vader op 12 mei 2019
Uit het onderzoek naar verkeers- en contactgegevens is gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer 2] , in gebruik bij [betrokkene 1] , zijnde de vader van [verdachte] , op 12 mei 2019 omstreeks 05.53 uur contact heeft met telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Deze laatste telefoon heeft op die dag en dat tijdstip een zendmast in [plaats] aangestraald. [verdachte] heeft verklaard dat hij met dat telefoonnummer zijn vader heeft gevraagd om hem op te komen halen in [plaats] . [betrokkene 1] heeft dat eveneens verklaard, alsmede dat hij niet alleen zijn zoon heeft opgehaald, maar ook nog een hem onbekende man, die hij samen met zijn zoon heeft meegenomen. [betrokkene 1] heeft zijn zoon en de onbekende man naar het NS station in Vlissingen gebracht.
Prepaid telefoonnummer [telefoonnummer 5]
Het nummer [telefoonnummer 5] is op 11 en 12 mei 2019 in gebruik bij [betrokkene 2] , die tevens gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 6] . Beide telefoonnummers stralen omstreeks 06.00 uur een zendmast aan in [plaats] .
Prepaid telefoonnummer [telefoonnummer 3]
Uit het onderzoek naar de verkeers- en contactgegevens is gebleken dat het prepaid telefoonnummer [telefoonnummer 3] , van wie niet is vastgesteld wie de gebruiker ervan is geweest, alleen op 11 en 12 mei 2019 is gebruikt. Dit nummer is op 11 mei 2019 omstreeks 16.33 uur te [plaats] in gebruik genomen. Met dit nummer is op 11 mei 2019 omstreeks 20.02 uur een gesprek gevoerd met het nummer [telefoonnummer 1] , waarmee [verdachte] op 12 mei 2019 zijn vader heeft gebeld. Op 12 mei 2019 heeft het nummer [telefoonnummer 3] van 05.34 uur tot 05.57 uur steeds een zendmast in [plaats] aangestraald, terwijl vooral contact werd gemaakt met de nummers [telefoonnummer 6] en [telefoonnummer 5] die in gebruik zijn geweest bij [betrokkene 2] .
Prepaid telefoonnummer [telefoonnummer 4]
Uit het onderzoek naar de verkeers- en contactgegevens is gebleken dat het prepaid telefoonnummer [telefoonnummer 4] , van wie niet is vastgesteld wie de gebruiker ervan is geweest, alleen op 11 en 12 mei 2019 is gebruikt. Dit nummer is op 11 mei 2019 omstreeks 12.44 uur te [plaats] in gebruik genomen. Op 12 mei 2019 heeft dit nummer zendmasten in [plaats] aangestraald van 05.32 uur tot 06.00 uur. Daarna beweegt het nummer zich richting Vlissingen (vanaf 06.27 uur), West-Souburg (omstreeks 08.01 uur) en Middelburg (omstreeks 09.34 uur). Daarna is dit nummer niet meer gebruikt. Gedurende deze tijdstippen heeft het nummer [telefoonnummer 4] meermalen contact met het prepaid nummer [telefoonnummer 7] , waarvan niet bekend is geworden wie de gebruiker is geweest. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de telefoon met het nummer [telefoonnummer 7] op 11 en 12 mei 2019 vanaf het moment dat dit nummer op 11 mei 2019 omstreeks 18.02 uur te [plaats] in gebruik wordt genomen steeds dezelfde zendmasten heeft aangestraald als de telefoon met het nummer [telefoonnummer 8] , waarvan uit het onderzoek is gebleken dat deze telefoon in gebruik is bij [betrokkene 3] . Het nummer [telefoonnummer 4] heeft op 12 mei 2019 omstreeks 07.23 uur contact met het nummer [telefoonnummer 7] en in dezelfde minuut ook met het nummer [telefoonnummer 8] op naam van [betrokkene 3] , waarbij die nummers in Vlissingen een zendmast hebben aangestraald.
Uit het vorenstaande leidt het hof af dat in de nacht en vroege ochtend van 12 mei 2019 meerdere telefoonnummers een zendmast in [plaats] hebben aangestraald. Meerdere van deze telefoonnummers zijn zogenoemde prepaid telefoonnummers, te weten [telefoonnummer 1] , [telefoonnummer 3] , [telefoonnummer 4] en [telefoonnummer 7] , waarvan niet telkens is vastgesteld wie de (vermoedelijke) gebruikers van deze telefoons zijn geweest. Nu deze telefoonnummers alleen op
11 en 12 mei 2019 zijn gebruikt, acht het hof het aannemelijk geworden dat deze telefoons uitsluitend in gebruik zijn geweest bij personen die betrokken zijn geweest bij de diefstal die nacht in [plaats] en dat deze personen zich gedurende enige uren na de diefstal hebben verzameld en opgehouden in [plaats] .
Deze bevindingen zijn naar het oordeel van het hof minst genomen relevant voor de verklaring van de getuige [getuige 1] , die heeft verklaard over de aanwezigheid van meerdere personen bij zijn woning in [plaats] op 12 mei 2019.
III. (b) Betrokkenheid Toyota IQ en grijze Volkswagen
[…]
Op het bedrijfslogo van de Toyota IQ die [getuige 2] had uitgeleend zijn na de diefstal witte resten te zien op het bedrijfslogo ter hoogte van de letters.
[…]
III. (c) Aantal daders
Door getuige [getuige 3] is na het horen van een klap en glasgerinkel in de nabijheid van de plaats delict en na het horen van het geluid van een claxon gezien dat drie mannen in een lichtgrijze met draaiende motor voor Keijzerstraat nummer 10 geparkeerd staande auto stappen. Eén van de mannen gaat naast de bestuurder zitten. De tweede persoon gaat rechts achterin zitten en de derde persoon gaat achter de bestuurder zitten. Hierna rijdt de auto met spinnende banden weg.
Het hof stelt vast dat er dus in ieder geval een bestuurder in de geparkeerd staande lichtgrijze auto zat te wachten en daarmee minimaal vier personen in deze auto zaten. Terzijde merkt het hof op dat niet met een voldoende mate van zekerheid is vast te stellen dat deze bewuste grijze auto dezelfde is als de andere grijze auto die aan [medeverdachte 4] wordt toegeschreven en ook niet dat deze auto dus (ook) de Volkswagen Polo van [medeverdachte 4] was of moet zijn geweest.
Nu de bewuste Toyota IQ en de Volkswagen Polo van [medeverdachte 4] enige tijd voorafgaande aan het feit samen in [plaats] zijn te zien en eveneens zeer kort na het feit op camerabeelden in [plaats] te zien zijn, en daarna in [plaats] rijdend richting [plaats] , gaat het hof ervan uit dat de inzittenden van deze twee auto’s in elk geval kunnen worden aangemerkt als vijf bij de diefstal uit de woning betrokken daders. En dat deze personen bij [getuige 1] thuis in de woning zijn geweest. Het hof betrekt daarbij ook het tijdstip van de stappenactiviteit van [getuige 1] in de. nacht van 11 en 12 mei 2019.
III. (d) De resultaten van het DNA-onderzoek
In het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die na de melding van aangeefster als eerste omstreeks 03.19 uur op de plaats delict ter plaatse waren, is gerelateerd dat op de oprit, aan de rechter (zijde, aanvulling door het hof) van perceel [a-straat 1] te [plaats] drie tassen lagen: een rode en witte plastic boodschappentas en een donkere canvas sporttas. De bewoner van het perceel wist niet van wie die tassen waren, aldus het proces-verbaal van bevindingen. Het hof gaat ervan uit dat de tassen door de daders van de diefstal zijn achtergelaten, gelet op de tijd en de plaats van aantreffen en de omstandigheid dat de tassen kennelijk niet van de bewoner van het perceel waren. Dat brengt met zich dat het aantreffen van DNA van een bepaald persoon of bepaalde personen op deze tassen – in potentie – een sterke aanwijzing vormt dat deze perso(o)nen betrokken is/zijn bij de diefstal, ten minste als er geen andere aannemelijke verklaring is voor het aantreffen van de tassen, in onderling verband en in samenhang beschouwd.
Door en namens de verdachten is verweer gevoerd ten aanzien van het DNA-bewijs. […] Voorts is gesteld dat de waarde van het DNA-bewijs slechts relatief is omdat het bij tassen gaat om verplaatsbare voorwerpen, die niet delict-gerelateerd zijn, terwijl ook nog eens sprake was van meerdere donoren van DNA (zgn. mengprofielen). Het DNA-bewijs is daarmee al met al niet belastend voor de verdachten, aldus de verdediging.
[…]
[verdachte]
Op de tape op de sporttas is DNA aangetroffen van minimaal drie personen. [verdachte] is een mogelijke donor van het celmateriaal. Het DNA-mengprofiel is – kort gezegd – meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer [verdachte] donor is, dan wanneer dit een willekeurige niet-verwante onbekende persoon is, aldus het NFI.
Verder is er DNA aangetroffen van minimaal vijf personen op de handvatten van de rode ‘Dirk’-tas. Drie van deze vijf personen zijn donor van een relatief groot deel van het celmateriaal. [verdachte] is mogelijk één van die drie personen. Het DNA-mengprofiel is – kort gezegd – meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer [verdachte] donor is, dan wanneer dit een willekeurige niet-verwante onbekende persoon is.
De in het rapport beschreven bewijskracht ‘meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker’ is de hoogst mogelijke bewijskracht bij het NFI. Dat deze bewijskracht in een later rapport van het NFI door de rapporteur mede wordt beschreven als een sterke aanwijzing dat een verdachte een bijdrage heeft geleverd aan het aangetroffen DNA-mengprofiel, maakt dat naar het oordeel van het hof niet anders.
Gelet op de bovenstaande bevindingen en met inachtneming van de overige bewijsmiddelen komt het hof tot de conclusie dat een deel van het DNA op de tape van de sporttas en de handvatten van de rode ‘Dirk’-tas van [verdachte] afkomstig is.
Door de verdediging is aangevoerd dat sprake kan zijn geweest van secundaire overdracht, wat inhoudt dat het DNA van de verdachte via een andere persoon – met wie de verdachte contact heeft gehad – op de tassen terecht is gekomen. De verdediging heeft echter niet geconcretiseerd
of onderbouwd hoe die overdracht in dit specifieke geval dan moet hebben plaatsgevonden. Nu het verweer onvoldoende is onderbouwd en het dossier ook overigens geen aanknopingspunten bevat die zouden kunnen duiden op secundaire overdracht, verwerpt het hof dit verweer.
De door de verdediging aangevoerde mogelijkheid van andere alternatieve scenario’s die een verklaring zouden kunnen geven voor de aanwezigheid van het DNA van [verdachte] op de tassen is niet voldoende concreet onderbouwd, waardoor een begin van aannemelijkheid daarvan niet kan worden beoordeeld.
Het hof is dan ook – met de rechtbank – van oordeel dat de resultaten van het DNA-onderzoek voor [verdachte] belastend bewijs betreffen.
[…]
III. (e) Uitgaven gedaan na 12 mei 2019
Uit het politie-onderzoek is naar voren gekomen dat drie van de verdachten na 12 mei 2019 uitgaven hebben gedaan die niet zonder meer verklaard kunnen worden uit het reguliere inkomen van de betreffende verdachte. Ten aanzien van de verdachte geldt daarbij het volgende.
[verdachte]
Er is onderzoek gedaan door de politie naar de financiële positie van [verdachte] en naar zijn bestedingspatroon na het feit op 12 mei 2019.
Uit dat onderzoek komt het volgende naar voren:
- In 2017 ontving [verdachte] een netto uitkering van de gemeente [plaats] van € 9.889,- en in 2018 van € 344,-.
- [verdachte] heeft zich per 26 november 2018 laten uitschrijven bij de Basisregistratie Personen. Daarmee komt [verdachte] niet langer in aanmerking voor een uitkering volgens de Participatiewet. Na die tijd heeft [verdachte] geen uitkeringen meer ontvangen en evenmin enige toeslag van de Belastingdienst.
- Op bankrekeningen op zijn naam stond nagenoeg geen saldo.
- Andere inkomstengegevens over de jaren 2018 en 2019 zijn niet bekend bij de Belastingdienst.
Uit genoemd onderzoek komt verder naar voren dat [verdachte] een relatie heeft met [betrokkene 4] , met wie [verdachte] een kind heeft dat op [geboortedatum] 2018 is geboren. [betrokkene 4] is ingeschreven op het adres [b-straat 1] te [plaats] .
Over haar inkomen blijkt het volgende:
- In 2018 ontving zij een uitkering van de gemeente [plaats] van netto € 7.961,-.
- In 2019 ontving zij maandelijks van de gemeente [plaats] een bruto bedrag ad € 1.274,75.
-Voorts ontving [betrokkene 4] enkele toeslagen.
Het hof acht het aannemelijk dat de inkomsten die zowel [verdachte] als [betrokkene 4] hebben ontvangen (mede) zijn aangewend om te voorzien in de kosten van levensonderhoud van [verdachte] , [betrokkene 4] en hun kind.
Na 12 mei 2019 zijn door [verdachte] enkele opvallende uitgaven gedaan. Op 17 mei 2019 hebben [verdachte] en [betrokkene 4] een reis naar Turkije geboekt met vertrekdatum 22 mei 2019 en retourdatum 28 mei 2019. Voor deze reis werd op 17 mei 2019 een bedrag van € 1.043,- contant betaald. Op 6 juni 2019 heeft [verdachte] bij juwelier [...] in België een horloge van het merk Breitling gekocht voor een bedrag van € 3.800,-, waarbij contant werd betaald.
Aangevoerd is dat sprake is geweest van legale inkomsten uit een schadevergoeding in verband met onterecht ondergane voorlopige hechtenis, de verkoop van broeken samen met getuige [getuige 4] , giften van de ouders van [verdachte] en gokwinst.
Uit de door de verdediging bij pleidooi overgelegde afschriften van de Stichting Beheer Derdengelden blijkt dat op deze rekening op 24 augustus 2018 een bedrag van € 8.585,- werd ontvangen, kennelijk inzake [verdachte] . Vanaf deze bankrekening is op diezelfde dag een bedrag van € 7.895,- overgemaakt op een bankrekening ten name van [verdachte] , met als omschrijving ‘Schadevergoeding’. Op 4 september 2018 volgt met dezelfde omschrijving nog een bedrag van € 320,-. Gelet op het moment waarop deze bedragen klaarblijkelijk aan [verdachte] ter beschikking zijn gekomen, is zonder een nadere onderbouwing – die ontbreekt – niet duidelijk geworden wat na ontvangst van deze bedragen met dit geld is gebeurd. Dat klemt temeer nu [verdachte] over de jaren 2018 en 2019 (tot 12 mei 2019) nagenoeg niet over enig bij de Belastingdienst bekend inkomen heeft kunnen beschikken. Dat betekent dat het hof – ook ervan uitgaande als aangevoerd dat [verdachte] inderdaad gelden heeft verkregen uit de verkoop van broeken, uit giften van zijn ouders begin januari 2019 ad € 2.500,- en maart 2019 ad € 1.500,- en uit gokwinsten – weliswaar wil aannemen dat [verdachte] de door hem genoemde bedragen heeft ontvangen, maar dat hij deze mede heeft aangewend om in zijn levensonderhoud in 2018 en 2019 te voorzien. Voorts acht het hof op generlei wijze aannemelijk geworden dat hij kort na 12 mei 2019 nog over een deel van deze bedragen kon beschikken en dat heeft aangewend voor de hierboven genoemde uitgaven.
Het hof is dan ook van oordeel dat het bestedingspatroon van [verdachte] in de periode kort na het feit belastend is, mede bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen.
IV. (a) Betrouwbaarheid verklaringen getuige [getuige 2]
[…]
Conclusie ten aanzien van de verklaringen van getuige [getuige 2]
Concluderend ziet het hof ook nader beschouwd geen reden om de verklaringen van [getuige 2] als onbetrouwbaar of ongeloofwaardig aan te merken. De verklaringen zijn dan ook – anders dan door de verdediging betoogd – bruikbaar voor het bewijs. Gelet daarop gaat het hof uit van de verklaring van [getuige 2] dat zij de bedrijfsauto van haar werk op 11 mei 2019 in de avond heeft uitgeleend aan
[medeverdachte 2] , dat hij haar daarvoor de volgende dag een geldbedrag heeft gegeven en dat [verdachte] samen met [getuige 2] de (tape)resten van de auto heeft verwijderd.
[…]
IV. (b) Betrouwbaarheid verklaringen getuige [getuige 1]
[…]
Het hof zal de samenvatting van de verklaring van [getuige 1] als weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen van 31 oktober 2019 niet voor het bewijs gebruiken, maar enkel onderdelen van de verklaring van de getuige zoals hij deze heeft afgelegd op 17 december 2020 ten overstaan van de rechter-commissaris.
Met de verdediging is het hof tot slot van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] op de hiervoor weergegeven gronden met de nodige behoedzaamheid moeten worden gelezen. Ook voor de waardering van het bewijs zal het hof deze benodigde behoedzaamheid betrachten.
Feitenvaststellingen n.a.v. verklaring [getuige 1]
Het hof stelt achtereenvolgens vast dat het dossier – zoals hiervoor reeds met vindplaatsen aangegeven – ondersteunend bewijsmateriaal biedt voor de volgende onderdelen van de tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 1] die op 12 mei 2019 in [plaats] woonachtig was:
In algemene zin:
[getuige 1] heeft verklaard dat na het wegnemen van de festivalopbrengst van Hrieps, meerdere betrokkenen bij hem bij de woning zijn geweest. Uit onderzoek aan de telefoon van [getuige 1] is naar voren gekomen dat hij in avond van 11 mei 2019 en in de nacht van 11 op 12 mei 2019 actief was van 21.59 uur tot en met 03.42 uur. Opvallend is dat de stappenactiviteit van [getuige 1] die nacht om 03.24 uur weer start na een rust daarvoor van ongeveer 40 minuten. Dit gegeven past naar ‘s hofs oordeel in het scenario dat de daders na het feit naar de woning van [getuige 1] zijn gekomen om daar de buit te tellen.
[…]
[getuige 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] hem heeft verteld dat ze met drie auto’s waren: “We waren met drie auto's, maar jullie wisten maar af van twee”. [getuige 1] zelf heeft alleen de kleine, witte, auto gezien, met de stickers, met een doos vol geld in de kofferbak. Deze verklaring vindt steun in de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen van de beelden van de twee verschillende betrokken auto’s, en de verklaringen van de getuigen van de plaats delict die niet uitsluiten dat er een derde auto betrokken is geweest op de plaats delict, alsook in de verklaring van de getuige [getuige 2] .
[…]
Ten aanzien van [verdachte] :
[getuige 1] heeft bij de rechter-commissaris verklaard over de betrokkenheid van [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) [verdachte] . [verdachte] heeft gezegd dat hij wist hoe het zat en dat daar veel geld is weggenomen. Hij heeft zelf verteld dat hij niet in de woning is geweest. [getuige 1] heeft begrepen dat [verdachte] in de auto zat en informatie had over waar het geld lag. De dag voor 12 mei 2019 appte [verdachte] [getuige 1] met de mededeling dat er iets ging gebeuren die avond. [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) was tipgever, hij zat in de auto en heeft ook een deel van de buit gehad, welke buit ook zelf gezien is door [getuige 1] . [verdachte] deed de kofferbak van de auto open en trok die doos met geld eruit. Het reeds besproken DNA-bewijs ten aanzien van [verdachte] ter zake van het celmateriaal op tape op een blauwe sporttas en op handvatten van een Dirk-tas biedt ondersteuning aan de verklaring van [getuige 1] . Hetzelfde geldt voor de door [verdachte] gebruikte prepaid “overvaltelefoon” eindigend op [telefoonnummer 1] om zijn vader te bellen en de omstandigheid dat [verdachte] op 12 mei 2019 om 05.53 uur in [plaats] was toen hij daar met [telefoonnummer 1] zijn vader belde. Ook de verklaring van [getuige 2] dat zij na de diefstal samen met [verdachte] de taperesten heeft verwijderd van de Toyota IQ biedt daaraan steun. Voor zijn aanwezigheid in [plaats] die vroege ochtend heeft [verdachte] een niet nader onderbouwde verklaring gegeven, die zijn betrokkenheid bij het feit bovendien niet uitsluit.
[…]
V. (Bedreiging met) geweld
[…]
Bedreiging met geweld - ook door verdachten die niet in de woning zijn geweest
De vraag is of de medeverdachten die niet in de woning van aangeefster zijn geweest opzet hebben gehad op het plegen van bedreiging met geweld door de drie daders die wel in de woning van aangeefster waren. Het hof stelt in dit opzicht vast dat uit het dossier niet blijkt van ‘vol opzet’. Vervolgens dient beoordeeld te worden of sprake was van voorwaardelijk opzet, waarbij de vraag moet worden beantwoord of zij bewust de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat met geweld gedreigd zou worden. Voor zover daarvan niet blijkt uit de eigen verklaringen van een verdachte kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Zoals reeds hiervoor overwogen berust het feit op een tevoren gemaakt, nauwgezet en grondig voorbereid plan. Het hof gaat er daarom van uit dat alle verdachten in elk geval van alle onderdelen van het plan op de hoogte waren, nu niet is gesteld of is gebleken dat dit anders is.
Vooraf was bekend dat er op het moment van binnendringen in de woning één of meer personen in de woning aanwezig zouden zijn. Gelet op de aanwezigheid van de dagopbrengst van Hrieps in die woning kon bovendien rekening gehouden worden met de mogelijkheid van verzet door de persoon of personen in de woning. Daar is bij de planning vooraf kennelijk over nagedacht en ook een oplossing voor gevonden, gelet op de meegenomen stok of knuppel en het binnengaan van de woning met drie gemaskerde daders. Naar het oordeel van het hof was onder die omstandigheden de aanmerkelijke kans aanwezig dat bij de diefstal van de grote som geld minst genomen met geweld gedreigd zou worden. Het hof is derhalve van oordeel dat, naast de drie daders die de woning ingegaan zijn, ook de medeverdachten die aanmerkelijke kans hebben aanvaard door de drie daders met de stok of knuppel naar de woning te vervoeren, althans daar in de buurt aanwezig te zijn, en vervolgens met hen in de buit te delen. Zij hebben zich op geen enkele zichtbare manier gedistantieerd van de uitvoering van het plan. Niet is gebleken van enige contra-indicatie.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat ook de medeverdachten die niet in de woning van aangeefster zijn geweest het (voorwaardelijk) opzet hadden op het plegen van bedreiging met geweld door de drie daders die wel in de woning zijn geweest.
VI. Medeplegen
Op grond van het vorenoverwogene is het hof, in onderling verband en in samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] betrokken zijn geweest bij de diefstal van de dagopbrengst van muziekfestival Hrieps op 12 mei 2019. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachten zodanig nauw en bewust hebben samengewerkt dat dit handelen kan worden beschouwd als medeplegen.
Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen ter verwezenlijking van een gezamenlijk crimineel doel. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan rekening gehouden worden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van medeplegen, acht het hof – met de rechtbank – de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Het hof is reeds hiervoor tot de conclusie gekomen dat er minimaal vijf personen zaten in twee van de drie auto’s die bij het plegen van het feit betrokken waren. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] auto’s hebben geregeld althans beschikbaar hebben gesteld waarmee naar (de buurt van) de woning van aangeefster in [plaats] is gereden. Uit de camerabeelden volgt dat er op de avond voorafgaande aan het feit kennelijk een voorverkenning heeft plaatsgevonden waarbij deze auto’s zijn gebruikt. Na de diefstal zijn in ieder geval deze auto’s door de daders gebruikt om te vluchten. Meerdere personen, waaronder één of meer van de daders die in de woning het geldbedrag hebben weggenomen, zijn vervolgens gezamenlijk naar de woning van [getuige 1] in [plaats] gegaan om daar de buit te tellen en te verdelen. Zoals eerder overwogen, merkt het hof [medeverdachte 4] aan als bestuurder van de Volkswagen Polo. Uit de omstandigheid dat [verdachte] en [medeverdachte 1] in de vroege ochtend na de diefstal door [verdachte] ’s vader zijn opgehaald uit [plaats] , de verklaring van [getuige 1] dat [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] naderhand bij zijn woning waren, alsmede de omstandigheid dat er DNA-sporen van [verdachte] en [medeverdachte 3] op de plaats delict zijn aangetroffen, leidt het hof af dat ook [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] inzittenden waren van de auto’s dan wel deze (mede) hebben bestuurd.
Voor de onderlinge afstemming voor en na de diefstal is gebruik gemaakt van vijf speciaal voor het feit geactiveerde prepaid telefoons, waarvan het hof heeft vastgesteld dat – in ieder geval – [verdachte] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] daar feitelijk de gebruikers van waren.
Uit het vorenoverwogene kan worden opgemaakt dat de buit na de diefstal onder meerdere personen is verdeeld. Dit vindt tevens zijn bevestiging in de omstandigheid dat de meeste verdachten ineens de beschikking hadden over grote contante geldbedragen die niet verklaard kunnen worden door hun legale inkomsten. Verder is nog van belang dat getuige [getuige 1] een aantal van de verdachten aanwijst als de daders van het feit.
De bijdrage van [verdachte]
Naar het oordeel van het hof kan wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] het feit heeft medegepleegd. Het hof acht in dit verband van belang dat er duidelijk sprake was van handelen overeenkomstig een tevoren gemaakt gezamenlijk plan en dat [verdachte] één van de inzittenden was van de auto’s die bij het plegen van het feit zijn gebruikt. Bij het gezamenlijke plan was de onderlinge afstemming tussen [verdachte] en zijn mededaders cruciaal. [verdachte] was tipgever. Reeds in de middag van 11 mei 2019 is met een speciaal voor het misdrijf geactiveerde prepaid telefoon (9782) in de buurt van de plaats delict contact geweest met een andere prepaid telefoon (-6081), totdat hij, [verdachte] , zijn vader in de vroege ochtend van 12 mei 2019 met de prepaid telefoon vraagt hem uit [plaats] op te halen, waarbij ook [medeverdachte 1] aanwezig was. In [plaats] is de buit na afloop van het feit geteld en verdeeld. Hieruit leidt het hof af dat [verdachte] van het begin tot het eind bij de uitvoering van het gezamenlijke plan betrokken is geweest. Deze contacten plaatsen [verdachte] midden in de organisatie van het plan. Daarbij komt dat [verdachte] ervoor heeft gezorgd dat er sporen van het misdrijf zijn gewist door naderhand de taperesten van de Toyota IQ te verwijderen, maar meer nog dat hij heeft gedeeld in de buit. Naar het oordeel van het hof duidt dit alles erop dat [verdachte] een grote rol heeft gespeeld in de planning, de organisatie en/of de uitvoering van het feit.
[…]
Tot besluit
Niet kan worden vastgesteld welke dader – buiten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] – nog meer de woning van aangeefster is binnengegaan. Wel kan worden vastgesteld dat de daders op een intensieve manier het feit hebben voorbereid en gepleegd, daarbij grondig te werk zijn gegaan en over de juiste informatie moeten hebben beschikt ten aanzien van de organisatie van Hrieps. Op grond van de bewijsmiddelen en de hiervoor gedane vaststellingen en overwegingen, alsmede gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van het feit, stelt het hof ten aanzien van elk van de genoemde verdachten vast dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte enerzijds en een of meer van zijn mededaders anderzijds. Zij hebben het feit in gezamenlijke uitvoering gepleegd en het hof acht de bijdrage van de verdachte daarbij van voldoende gewicht om de verdachte als medepleger te beschouwen.”
3.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2024 houdt in dat de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde (aanvullende) pleitnotitie. Deze pleitnotitie houdt voor zover van belang het volgende in:

Bestedingspatroon
Tot slot betrekt de rechtbank het bestedingspatroon van cliënt bij de bewijsconstructie. Meer concreet gaat het dan over de geboekte reis naar Turkije waarvoor een bedrag van € 1.043 is betaald en de aankoop van het horloge van het merk Breitling voor een bedrag van € 3.800.
Door de rechtbank worden over de legale inkomstenbronnen van cliënt heel veel aannames gedaan ten nadele van cliënt die geen steun vinden in het dossier. Cliënt heeft namelijk diverse bronnen genoemd waar hij geld uit heeft verkregen en dit wordt ook door andere bewijsmiddelen bevestigd. Dit betreft:
• Inkoop en verkoop van broeken met [getuige 4] ;
• Geld ontvangen van zijn ouders;
• Gokken;
• Telefoonabonnementen aangeschaft;
• Ontvangst van een schadevergoeding voor ten onrechte ondergane detentie.
Handel in broeken en aankoop horloge
[getuige 4] bevestigt de handel in de broeken. Dat de door [getuige 4] en cliënt genoemde inkoop- en verkoopbedragen niet overeenkomen, betekent nog niet dat deze verklaring als ongeloofwaardig kan worden bestempeld. De verklaring van [getuige 4] volgt immers ruim 2 jaar na dato en hij heeft destijds veel meer partijen in- en verkocht. Hij bevestigt daarnaast de aankoop van het horloge in juni 2019. Hij verklaart dat dit horloge contant is betaald met briefgeld in coupures van 500 en 200 euro en dat hij bij de aankoop een foto heeft gemaakt van cliënt en het horloge, alsook het geld waarmee is betaald. Deze foto is door de verdediging nota bene aan de rechtbank toegezonden. Dat deze foto in de winkel van de bewuste juwelier is gemaakt, volgt uit de foto's die ik als bijlage bij deze pleitnota heb gevoegd.
U ziet de eerder verstrekte foto van cliënt in de winkel met een horloge in zijn hand en een stapel geld naast hem. Via Google heb ik gezocht op “Juwelier [...] ” en bijgevoegde foto van de winkel gevonden. Op p. 2 van de fotobijlage heb ik de foto van de winkel naast de door [getuige 4] genomen foto geplaatst. U ziet in één oogopslag dat dit dezelfde winkel betreft. De vitrines, de tafel en de stoel komen allemaal overeen (met witte cirkels en pijl aangeduid). De stapel geld heb ik met een blauwe cirkel aangeduid en daarbij is zichtbaar dat het bovenste biljet een € 200 biljet betreft. Dit is herkenbaar aan in ieder geval de gele kleur. En ook is in ieder geval daaronder één biljet van € 500 zichtbaar, herkenbaar aan de roze kleur en het grotere formaat. Nu de buit van Hrieps voornamelijk kleine coupures betrof, is dus niet aannemelijk dat het horloge is aangekocht met geld van Hrieps.
Geld ontvangen van ouders
Dat cliënt geld heeft ontvangen van zijn ouders wordt allereerst bevestigd door zijn vriendin [betrokkene 4] in haar verklaring bij de rechter-commissaris (pv getuige d.d. 15 april 2019 bij rc). En daarnaast heeft zijn vader een overzicht gemaakt met bedragen die voor cliënt betaald zijn en die cliënt heeft ontvangen. Daar volgt in ieder geval uit dat hij in januari 2019 een bedrag van € 2.500 heeft gehad en in maart 2019 een bedrag van € 1.500. De aanname van de rechtbank dat het in januari ontvangen bedrag kennelijk op was nu er in de tussengelegen periode ook nog betalingen voor hem zijn gedaan en in maart 2019 opnieuw een bedrag wordt gegeven is nergens op gebaseerd en kan daarmee niet als een vaststaan feit worden aangenomen.
Gokken
Dat cliënt geld heeft verdiend met gokken wordt ook bevestigd door zijn vriendin [betrokkene 4] in diezelfde verklaring bij de rechter-commissaris. De gewonnen geldbedragen kunnen alleen niet meer concreet worden gemaakt, maar dat betekent niet dat dit geen inkomstenbron was.
Telefoonabonnementen
Uit het dossier volgt dat cliënt op 25 maart 2019 en 5 mei 2019 telefoonabonnementen heeft afgesloten met bijbehorend toestel, waarbij 2 toestellen in ieder geval een waarde hadden van ongeveer € 1.000 per stuk. Deze toestellen heeft hij verkocht.
Ontvangst schadevergoeding
Reeds in eerste aanleg is onderbouwd dat cliënt een bedrag van € 8.305 heeft ontvangen als schadevergoeding voor ten onrechte ondergane detentie. Nu naar mening van de rechtbank in het proces-verbaal bevindingen betreffende de verdenking van witwassen geen melding wordt gemaakt van een uitkering van een dergelijk bedrag blijkt naar mening van de rechtbank niet dat cliënt de beschikking heeft gehad over dit geldbedrag.
Aan deze pleitaantekeningen heb ik de afschriften gevoegd waaruit volgt dat na binnenkomst van het bedrag op onze derdengeldenrekening op 24 augustus 2018 een bedrag van € 7.985 aan cliënt is overgemaakt en op 4 september 2018 het restant van € 320. Uit de rapportage van het iCOV (p. 238 aanvullend pv) volgt daarnaast dat het in de afschriften genoemde rekeningnummer een rekening van cliënt is (p. 5 van dit rapport). Daarmee is onomstotelijk aangetoond dat cliënt over dit geldbedrag beschikt heeft.
Conclusie bestedingspatroon
Hiermee staat vast dat cliënt over minimaal € 12.305 heeft beschikt (schadevergoeding + geld van ouders). Daar komt de opbrengst van de handel in de broeken, de verkoop van de telefoons en de opbrengst uit gokken nog bij. Dit bedrag is ruim voldoende om de reis naar Turkije te verantwoorden en de aankoop van het horloge, waarbij de helft van het horloge nota bene is betaald door [getuige 4] . Hij verklaart immers bij de rechter-commissaris:
“Van dat geld hebbenwijhet horloge gekocht.”
Witwassen (subsidiair ten laste gelegd)
En in termen van het subsidiair ten laste gelegde, heeft cliënt daarmee voldaan aan stap 4 van het stappenplan. Hij heeft een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgegeven voor de legale herkomst van de financiële middelen waarmee hij de vakantie en het horloge heeft betaald. Hij heeft daar zelfs bewijsmiddelen voor aangedragen. Door het OM is echter nagelaten om de volgende stap te zetten. Naar mening van de verdediging kan in ieder geval niet worden bewezen dat het geld uit misdrijf afkomstig is, zodat ook vrijspraak voor het subsidiair ten laste gelegde zal moeten volgen.”
3.5
Volgens de toelichting op het middel heeft de verdediging aangetoond dat de uitgaven kort na 12 mei 2019 kunnen worden verklaard met legale inkomsten, waarbij in het bijzonder van belang is dat daarbij melding is gemaakt van een ontvangen schadevergoeding van in totaal € 8.305,- en dat de bedragen in totaal – zonder de bedragen uit gokken, verkoop van broeken en de verkoop van telefoons – optellen tot € 12.305,- (€ 8.305,- + € 4000,- (giften ouders),
PHvK). Opgemerkt wordt dat het hof de juistheid van de feitelijke stelling van de verdediging dat de verdachte geld heeft ontvangen uit de verkoop van twee telefoons in het midden heeft gelaten, zodat in cassatie van de juistheid ervan dient te worden uitgegaan. [2] De totale inkomsten zouden dan – zonder de inkomsten uit gokken en de verkoop van broeken – uitkomen op een bedrag van € 13.305,-. [3] Ook zou het hof de juistheid van het standpunt van de verdediging dat de verdachte de helft van het horloge (€ 1.900,-,
PHvK) heeft betaald in het midden hebben gelaten. Volgens de steller van het middel komen de totale uitgaven die het hof ‘onverklaarbaar’ acht uit op € 2.943,- (€ 4.843,- minus € 1900,-,
PHvK). De overweging van het hof dat op generlei wijze aannemelijk is geworden dat de verdachte kort na 12 mei 2019 nog over voldoende bedragen kon beschikken zou gelet op de verhouding tussen beide bedragen en het relatief geringe bedrag aan uitgaven onvoldoende zijn. Daar komt volgens de steller van het middel nog bij dat het hof verder ook geen (nadere) overwegingen heeft gewijd aan het levensonderhoud en waarom aannemelijk zou zijn dat alle voornoemde inkomsten daaraan uitgegeven zouden (moeten) zijn.
3.6
Door de verdediging is in hoger beroep het standpunt ingenomen dat vaststaat dat de verdachte over minimaal € 12.305,- heeft beschikt (schadevergoeding + geld van ouders), terwijl daar de opbrengst van de handel in broeken, de verkoop van de telefoons en de opbrengst uit gokken nog bij komt. Volgens de verdediging is dit bedrag ruim voldoende om de reis naar Turkije (€ 1.043,-) en de aankoop van het horloge (€ 3.800,-), dat voor de helft door [getuige 4] is betaald, te verantwoorden. In de visie van de verdediging komen de kosten van de reis en de aankoop van het horloge uit op een totaalbedrag van € 2.943,-.
3.7
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte na 12 mei 2019 (de dag van de woningoverval) een tweetal opvallende uitgaven heeft gedaan, te weten op 17 mei 2019 een contante betaling van € 1.043,- voor een reis naar Turkije en op 6 juni 2019 de contante aankoop van een Breitling horloge voor een bedrag van € 3.800,-. Deze uitgaven komen opgeteld uit op een bedrag van € 4.843,-. Het in deze vaststellingen besloten liggende oordeel van het hof dat de verdachte het gehele aankoopbedrag van het horloge zelf contant heeft betaald is niet onbegrijpelijk. Daartoe moet in aanmerking worden genomen dat het door de verdediging ingenomen standpunt dat de helft van het horloge (€ 1.900,-) door [getuige 4] is betaald niet zonder meer blijkt uit de enkele ter onderbouwing van die stelling aangedragen verklaring van [getuige 4] (“
Van dat geld hebbenwijhet horloge gekocht.”). Het hof kon hier mijns inziens ongemotiveerd aan voorbij gaan.
3.8
Het hof heeft op grond van de door de verdediging bij pleidooi overgelegde afschriften van de Stichting Beheer Derdengelden vastgesteld dat op een bankrekening ten name van de verdachte op 24 augustus 2018 een bedrag van € 7.895,- met als omschrijving “Schadevergoeding” is overgemaakt en op 4 september 2018 met dezelfde omschrijving een bedrag van € 320,-. Opgeteld komt dit uit op een bedrag van € 8.215,-. Het hof heeft geoordeeld dat gelet op het moment waarop deze bedragen klaarblijkelijk aan de verdachte ter beschikking zijn gekomen – namelijk (ruim) 8 maanden voorafgaand aan de woningoverval,
PHvK– het zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet duidelijk is geworden wat na ontvangst van deze bedragen met dit geld is gebeurd. Daarbij betrekt het hof dat uit het politieonderzoek naar de financiële positie van de verdachte blijkt dat de verdachte over de jaren 2018 en 2019 (tot 12 mei 2019) nagenoeg niet over enig bij de Belastingdienst bekend inkomen heeft kunnen beschikken. Het hof neemt daarom aan dat de verdachte dit bedrag mede heeft aangewend om in zijn levensonderhoud in 2018 en 2019 te voorzien. Daarbij stelt het hof vast dat op generlei wijze aannemelijk is geworden dat de verdachte kort na 12 mei 2019 nog over een deel van dit bedrag kon beschikken en dat heeft aangewend voor de onder 3.7 genoemde uitgaven voor een totaalbedrag van € 4.843,-. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Dit is niet anders doordat het hof wat betreft de inkomsten van [betrokkene 4] (de partner van de verdachte) aannemelijk heeft geacht dat deze (mede) zijn aangewend om te voorzien in het levensonderhoud van de verdachte, haarzelf en hun kind.
3.9
Dezelfde redenering past het hof toe ten aanzien van de stelling van de verdediging dat de verdachte gelden heeft ontvangen uit de verkoop van broeken, uit de giften van zijn ouders begin januari 2019 (€ 2.500,-) en maart 2019 (€ 1.500,-) en uit gokwinsten. Ook hier is dat niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat de door de verdachte van zijn ouders ontvangen giften reeds begin januari 2019 en in maart 2019 zijn ontvangen en door de verdediging ten aanzien van de inkomsten van de verkoop van broeken en de gokwinsten niet is onderbouwd in welke periode deze inkomsten zijn verkregen en evenmin is onderbouwd om welke bedragen het gaat.
3.1
Aan het voorgaande doet niet af dat het hof niet mede in zijn oordeel heeft betrokken de door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat de verdachte op 25 maart 2019 en 5 mei 2019 telefoonabonnementen met bijbehorende toestellen van ongeveer € 1.000,- per stuk heeft afgesloten en deze toestellen door de verdachte zouden zijn verkocht. [4] Ook hier geldt dat het in maart 2019 en mei 2019 beschikken over de (onbekende) opbrengst uit de verkoop van een tweetal telefoons niet afdoet aan het oordeel van het hof dat, mede gelet op de financiële situatie van de verdachte in 2019, aannemelijk is dat deze opbrengst mede is aangewend om in zijn levensonderhoud in 2019 te voorzien en het op generlei wijze aannemelijk is geworden dat de verdachte kort na 12 mei 2019 nog over een deel van deze bedragen kon beschikken en dat heeft aangewend voor de onder 3.7 genoemde uitgaven voor een totaalbedrag van € 4.843,-. Daarbij verdient te worden benadrukt dat dit een substantieel bedrag betreft.
3.11
Ook als over het voorgaande anders wordt gedacht, doet een motiveringsgebrek ten aanzien van het door de verdachte gedeeld hebben in de buit van de woningoverval, mijns inziens niet af aan de toereikendheid van de (overige) bewijsvoering dat de verdachte als medepleger van de woningoverval kan worden aangemerkt. Niettemin merk ik hier ten overvloede nog op dat het opmerkelijke bestedingspatroon van de verdachte na de overval valt te verklaren doordat hij een deel van de buit heeft ontvangen en dat het eveneens daarvoor van belang is dat het ook gelet op de betrokkenheid en rol van de verdachte begrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte in de buit heeft gedeeld.
3.12
Uit de onder 3.3 weergegeven bewijsvoering blijkt dat het hof over de betrokkenheid en rol van de verdachte bij de woningoverval heeft vastgesteld dat de verdachte:
- de tipgever was;
- voor de onderlinge afstemming gebruik heeft gemaakt van een speciaal voor het feit geactiveerde prepaid telefoon;
- inzittende dan wel (mede) bestuurder was van de bij de woningoverval gebruikte (vlucht)auto’s;
- aanwezig was bij het tellen van de buit in de woning van [getuige 1] in [plaats] ;
- na de diefstal samen met [getuige 2] de taperesten van één van de bij de woningoverval gebruikte (vlucht)auto’s – de Toyota IQ – heeft verwijderd.
3.13
Uit deze vaststellingen heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte van het begin tot het einde bij de uitvoering van het gezamenlijke plan betrokken is geweest. [5] Het bestaan van een gezamenlijk plan wordt in cassatie ook niet betwist. Verder merk ik nog op dat het hof bij de feitenvaststelling naar aanleiding van de verklaring van [getuige 1] – dat wil zeggen in het kader van de bewijsvoering – overweegt dat de verdachte voor zijn aanwezigheid in [plaats] in de vroege ochtend van 12 mei 2019 een niet nader onderbouwde verklaring heeft gegeven die zijn betrokkenheid bij het feit niet uitsluit.
3.14
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel houdt in dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Namens de verdachte is op 30 april 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 18 maart 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met ruim twee maanden is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. Nu een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren niet meer mogelijk is, moet dit leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

5.Afronding

5.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO. Het tweede middel slaagt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Verder is er in aanvulling op de in het bestreden arrest vermelde voetnoten nog een bijlage met twee bewijsmiddelen, inhoudende een tweetal door [benadeelde] namens Stichting Hrieps op 12 mei 2019 en 21 november 2019 afgelegde verklaringen. Zie over de toelaatbaarheid van deze werkwijze HR 28 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX3862.
2.Vgl. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5706,
3.De steller van het middel gaat er vanuit dat de verkoop van de telefoons € 1.000,- heeft opgeleverd.
4.In de samenhangende zaak [medeverdachte 1] (24/01829), waarin ik vandaag ook concludeer, was door de verdediging ook het verweer gevoerd dat de uitgaven zeer kort na het feit en het bezit van het geld op 13 juni 2019 konden worden verklaard uit de verkoop van twee abonnementstelefoons. In die zaak oordeelde het hof expliciet dat deze uitgaven resp. het bezit van het contante geld op 13 juni 2019 niet konden worden verklaard uit de verkoop van twee abonnementstelefoons.
5.Zie in dit verband HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474,