ECLI:NL:PHR:2026:154
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep in zaak medeplegen diefstal met braak
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, veroordeeld wegens diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij braak werd gepleegd. Hij kreeg een gevangenisstraf van acht weken met aftrek van voorarrest. Het cassatieberoep werd pas bijna 19 jaar na het arrest ingesteld, maar de Hoge Raad oordeelde dat de verdachte ontvankelijk was omdat hij pas in september 2024 op de hoogte werd gesteld van het arrest.
Het middel in cassatie richtte zich tegen de bewezenverklaring, met name dat deze in strijd zou zijn met art. 342 lid 2 Sv Pro en dat medeplegen niet uit de bewijsvoering zou blijken. De Hoge Raad verwierp deze klachten. De bewezenverklaring steunde op verklaringen van het slachtoffer en een medeverdachte die aangaven dat de verdachte het plan had opgevat om in te breken in auto's en dat hij de schroevendraaier aan de medeverdachte had gegeven.
De Hoge Raad benadrukte dat medeplegen niet alleen fysieke gezamenlijke uitvoering vereist, maar ook een intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht. De rechtbank had dit terecht vastgesteld. Ook het niet gebruiken van de verklaring van de verdachte door het hof was toegestaan binnen de beoordelingsvrijheid van de feitenrechter.
De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad was dat het middel faalt en het beroep moet worden verworpen. Er werden geen ambtshalve gronden voor vernietiging gevonden. De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bevestigde daarmee het arrest van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.