Conclusie
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Ivan het cassatiemiddel heeft het hof in rov. 6.6.3 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de vervaltermijn van drie jaar in art. 4:216 BW Pro. Het middel zet dit als volgt uiteen. Art. 4:216 BW Pro vereist dat de door de rechter benoemde vereffenaar binnen drie jaar nadat een uitkering uit de nalatenschap aan een legataris is gedaan, een rechtsvordering instelt om deze uitkering terug te vorderen voor zover dit nodig is om de in art. 4:7 lid 1 onder Pro a t/m g BW bedoelde schulden te voldoen. Indien een rechtsvordering binnen deze termijn uitblijft, vervalt het terugvorderingsrecht van rechtswege. In deze zaak is de vervaltermijn gaan lopen op 27 september 2017, de datum van de uitkering aan [eiseres] op grond van de levensverzekering. Ten tijde van de inleidende dagvaarding van 26 februari 2021 was de termijn voor het instellen van een rechtsvordering op grond van art. 4:216 BW Pro reeds vervallen. Verder is het onbegrijpelijk dat het hof aan zijn beslissing in rov. 6.6.3 ten grondslag heeft gelegd dat eerst moet worden onderzocht of de nalatenschap al dan niet toereikend is en of de begunstiging moet worden beschouwd als een gift.