Conclusie
Nummer 23/01345
Inleiding
Het eerste middel
op tijdstippenin voornoemde periode in voornoemde pleegplaats
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet, waaronder het bewerken en voorhanden hebben van metamfetamine. De straf bedroeg vier jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. In cassatie zijn twee middelen voorgesteld: het eerste middel betrof de bewijsvoering en kwalificatie van de feiten, en het tweede middel de overschrijding van de redelijke termijn.
De Hoge Raad oordeelt dat het eerste middel faalt omdat de bewezenverklaring en kwalificatie van de feiten voldoende onderbouwd zijn en de klachten hierover niet leiden tot cassatie. Wel wordt erkend dat de redelijke termijn is overschreden doordat het hof de stukken niet tijdig aan de Hoge Raad heeft gezonden, wat een schending van art. 6 EVRM Pro oplevert.
Daarom wordt het arrest van het hof vernietigd voor zover het de strafoplegging betreft, en wordt de straf verminderd naar de gebruikelijke maatstaf van de Hoge Raad. De bewezenverklaring en overige onderdelen van het arrest blijven ongewijzigd. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van de strafoplegging en verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging wegens overschrijding van de redelijke termijn en de straf wordt verminderd.