ECLI:NL:PHR:2025:869

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
20 augustus 2025
Zaaknummer
24/03408
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Diefstal met geweld en bedreiging met geweld in vereniging op de openbare weg

In deze zaak is de verdachte, geboren in 2002, veroordeeld door het gerechtshof Amsterdam voor diefstal met geweld en bedreiging met geweld, gepleegd door twee of meer verenigde personen. De verdachte heeft samen met een medeverdachte een bestelling gedaan bij een restaurant en deze bestelling is vervolgens door de medeverdachte, gewapend met een mes, afgenomen van de bezorger. De verdachte heeft de overval gefilmd en deze beelden gedeeld via Snapchat. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met de medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan de diefstal met geweld, omdat hij op de hoogte was van het plan en niet heeft ingegrepen tijdens de overval. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte niet actief heeft deelgenomen aan de overval, maar het hof heeft dit standpunt verworpen. De Hoge Raad heeft de conclusie van de advocaat-generaal overgenomen en het cassatieberoep verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03408
Zitting4 november 2025
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 27 augustus 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-0012262-22) wegens “diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen op de openbare weg”, veroordeeld tot 4 dagen gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr, en tot 160 uren taakstraf, subsidiair 80 dagen hechtenis. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M. Berndsen, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
De verdachte is veroordeeld wegens, kort gezegd, diefstal met (dreiging van) geweld door twee of meer verenigde personen. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde medeplegen getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans ontoereikend is gemotiveerd omdat de gedragingen van de verdachte in essentie slechts zouden bestaan in het filmen van de overval op een thuisbezorger van een chinees restaurant. Het middel bestaat uit drie klachten. De klachten een en twee lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2
Deze conclusie strekt tot verwerping van het middel.

3.Het middel

3.1
De eerste twee deelklachten van het middel bestrijden het oordeel van het hof dat de verdachte de tenlastegelegde diefstal met (bedreiging van) geweld op de openbare weg heeft medegepleegd doordat de verdachte zijn instemming kracht heeft bijgezet door met [medeverdachte 1] naar buiten te gaan, op korte afstand de beroving te filmen, niet in te grijpen, vervolgens over die beroving te berichten en te delen “in de buit door van de gestolen maaltijd te eten”. Dit oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting (eerste deelklacht) en ontoereikend zijn gemotiveerd (tweede deelklacht), omdat de voornoemde door het hof vastgestelde gedragingen van de verdachte niet kunnen gelden als een intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht. Immers, verdachtes gedragingen kunnen, aldus de steller van het middel, “bezwaarlijk worden gezien als een ‘gezamenlijke’ uitvoering, terwijl die ontbrekende of geringe rol evenmin voldoende wordt gecompenseerd”.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 25 juni te Amsterdam, op de openbare weg [b-straat] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, maaltijden en drinken, toebehorende aan restaurant [A] (gevestigd aan [a-straat 1] te [plaats] ), welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, en zijn mededader(s) opzettelijk dreigend en gewelddadig – een greep heeft gedaan naar het (wissel)geld dat voornoemde [benadeelde] in zijn handen had en – voornoemde [benadeelde] een mes, hebben getoond en – de diefstal hebben gefilmd”.
3.3
De bewezenverklaring berust op de volgende in een aanvulling bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):

1. Een proces-verbaal van aangifte van 25 juni 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, […].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de opsporingsambtenaar afgelegde
verklaring van aangever [benadeelde]:
Een voor mij onbekend persoon heeft mij onder bedreiging van een mes gedwongen tot het afgeven van een bestelling. Op 25 juni 2021 ontving ik in mijn zaak, [A] aan het [a-straat 1] te [plaats] een bestelling vanuit Thuisbezorgd. Op de bestelling waren de onderstaande gegevens vermeld:
[b-straat 1]
[plaats]
Tel: [telefoonnummer 1]
Bezorging
Bevestigde tijd 15:00
- 2x Saoto Soep
- 1x Maand menu
- Bami
- Nasi
- 3x Mini loempia 10 stuks
- 4x Fernandes rood
- 2x Fernandes groen
Belangrijk: bestelling is niet betaald.
Opmerkingen: bellen als je voor de deur staat.
Omstreeks 15.15 uur kwam ik aan bij [b-straat 1] . Ik nam telefonisch contact op met de besteller op telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Ik hoorde dat een man zei: "wacht, ik kom, eraan.” Ik keek in de richting van huisnummer [1] en zag gedurende een periode van vijf minuten dat de deur van de woning niet open ging. Ik zag toen een zwarte jongen uit de hoek van [b-straat 3] en [2] aan komen lopen, hierna te noemen NN1.
Ik zag dat NN1 op mij afliep. Ik vroeg NN1 of hij een bestelling had gedaan. Ik hoorde dat NN1 zei: "hallo, dit is mijn bestelling. Ik was even bij de buren." Ik gaf aan dat het totale bedrag € 61,95 is en dat dit nog betaald moest worden. Ik vroeg NN1 hoe hij wilde betalen. Ik hoorde dat hij zei: "Met 100 euro. Heb je wisselgeld meegenomen en kun je het alvast natellen?" Ik begon met het tellen van het wisselgeld en zag dat NN1 met zijn handen naar het geld greep dat ik vasthield. Ik trok het geld terug en zei dat hij wel eerst 100 euro moest geven. Ik zag dat NN1 met zijn rechterhand zijn sweatshirt omhoog trok. Ik zag direct hierna dat tussen zijn trainingsbroek en boxershort een mes zichtbaar was. Ik zag dat de snijkant van het mes erg breed was, ik herkende dit als een mogelijk hakmes.
Ik trok mijn handen terug. Ik zag dat NN1 wederom naar het geld greep. Ik kon het geld snel in mijn linker broekzak verbergen. Hierdoor kon NN1 het niet afpakken. Ik schreeuwde hierna om hulp en zei: "Help! Politie!". Ik zag dat NN1 schrok van mijn reactie. Ik zag dat NN1 vervolgens het eten uit de scooterboks pakte en wegrende in de richting van [b-straat 4] .
Diezelfde dag belde ik met Thuisbezorgd om te achterhalen het telefoonnummer waarmee NN1 de bestelling heeft doorgegeven, bij hen bekend was. Ik hoorde dat een medewerker van Thuisbezorgd zei: "dit nummer heeft eerder meerdere bestellingen gedaan via Thuisbezorgd. (...) Dit nummer heeft een maand geleden een bestelling gedaan op het adres [b-straat 2] te [plaats] ."
2. Een proces-verbaal van bevindingen van 25 juni 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar,[…].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van de verbalisant:
Ik, verbalisant, heb telefonisch contact gehad met mijn collega van de afdeling Digitale opsporing naar aanleiding van de uitgelezen telefoon van de verdachte [verdachte] . De verdachte heeft tijdens het verhoor verklaard dat er op zijn telefoon een filmpje staat van de persoon die de overval gepleegd heeft op de thuisbezorger.
Op de telefoon is een filmpje terug te vinden waarop een persoon in het zwart gekleed te zien is en daarbij staat een scooter met op de achterzijde een warmhoudbak, kleur oranje, en een jongen die met een helm op staat. Op dit filmpje is te zien dat de persoon in het zwart gekleed een mes in zijn rechterhand heeft.
Op het vervolgbeeld is zichtbaar dat de jongen gekleed in het zwart een tweetal tassen in zijn linkerhand heeft en deze overpakt naar zijn rechterhand. Vervolgens is zichtbaar dat hij het geld wat de thuisbezorger in zijn handen heeft, wil pakken. Dit laat de bezorger niet toe.
Op het filmpje is te horen dat de thuisbezorger tegen de jongen in het zwart gekleed praat. De thuisbezorger loopt weg en begint te schreeuwen ‘politie help’. Hierna rent de jongen gekleed in het zwart weg.
3. Een proces-verbaal van bevindingen van 26 juni 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar,[…].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de
mededeling van de verbalisant:
Ik, verbalisant, heb onderzoek ingesteld naar de inhoud van de onder de verdachte [verdachte] inbeslaggenomen telefoon. Naar aanleiding van de verklaring van de verdachte heb ik mij gericht op het Snapchat-gesprek waaraan hij refereerde in zijn verhoor.
Ik zag dat er door [verdachte] op 25 juni 2021 te 15.13.46 uur een bericht werd verstuurd in de groep waarvan ik de inhoud niet kon zien. Ik zag dat er andere snapchatgebruikers binnen deze groep als volgt reageerden op dit bericht:
- had 199 euro aan eten besteld ( [verdachte] )
- [medeverdachte 1] zegt laat me racen ( [verdachte] )
- die bezorger deed ze werk
- Fuck hem ( [verdachte] )
Ik zag dat [verdachte] vervolgens een korte video van twee seconden stuurde. Ik hoorde dat er onder andere het volgende werd gezegd in de video: "mannen zijn op race, mannen zijn op race".
Ik zag dat de uiterlijke kenmerken van de persoon overeenkwamen met die van de verdachte van de overval.
Ik zag dat op 25 juni 2021 om 16.20 uur de volgende berichten werden gestuurd door [verdachte] :
- Lekker man gestolen eten
- Mhmmmm
- Ik had besteld
- 2 sauto soep
- 30 loempia’s
- Sate en Nasi
4. Een proces-verbaal van verhoor getuigen [getuige 1] van 27 juni 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, […].
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de opsporingsambtenaar afgelegde
verklaring van getuige [getuige 1]:
Ik lag gisteren te slapen toen ik eens wakker werd van een hoop geluid. Toen ik ging kijken vertelden mijn broer en zijn vriendin over de beroving. Na ongeveer vijftien minuten kwam er een jongen binnen met het eten. Ongeveer drie kwartier later kwam hij nog een keer binnen, maar toen met het mes. Met het mes had hij de beroving gepleegd.
V: Er is een filmpje gemaakt van die beroving. Heb jij die gezien?
A: Ja.
V: Wie is degene die de beroving pleegt?
A: [medeverdachte 1] .
V: Wie heeft het filmpje gemaakt?
A: Mijn broer.
Moeder getuige ( [getuige 2] ): heeft hij dat gezegd?
Getuige knikt ja.
5. Een proces-verbaal van verhoor verdachte toetsing rechtmatigheid inverzekeringstelling en vordering tot bewaring van 28 juni 2021.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van de verdachte:
Hij (
het hof begrijpt: mededader [medeverdachte 1]) vroeg mij om het te filmen. Via het internet is met mijn telefoon een bestelling geplaatst. Wij wachtten toen op de bestelling. De bezorger belde dat hij zou arriveren. Ik heb toen een film gemaakt. De bezorger schreeuwde ‘politie’. Toen liep ik weg. Toen was hij een tijd weg en hij kwam terug en zei dat hij het mes van mijn moeder was kwijtgeraakt. Ik zei dat hij het moest gaan zoeken. Hij heeft het mes in de bosjes terug gevonden en weer op het aanrecht gelegd. Het mes op het aanrecht is het mes dat is gebruikt. Ik heb het filmpje via Snapchat in de groep gestuurd.
6. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 21 juli 2022.
De verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 1] kwam naar mij toe (
het hof begrijpt: in de woning van zijn moeder aan [b-straat 2] in [plaats]). Wij hebben uiteindelijk eten besteld. U, jongste rechter, vraagt waar ik was op het moment van de bestelling van het eten. Ik was in de keuken.
Toen werd ik gebeld door de bezorger. Ik denk dat ik toen heb opgenomen. De bezorger vroeg of het adres klopte.
De voorzitter vraagt of verdachte en [medeverdachte 1] samen hebben gegeten van de bestelling. Ja, ik heb een paar loempia’s gegeten.
7. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 13 augustus 2024.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Toen ik aan het filmen was, herkende ik het mes dat hij (
het hof begrijpt: mededader [medeverdachte 1]) in zijn hand had. Ik herkende het mes als mijn moeders mes. Volgens mij had hij het mes al getrokken toen ik aan het kijken was.”
3.4
Het hof heeft inzake het bewezenverklaarde onder meer als volgt overwogen:

Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de medeverdachte met de mobiel van de verdachte het eten en drinken heeft besteld, dat de verdachte de diefstal met geweld slechts heeft gefilmd en dat de verdachte pas tijdens het filmen van de beroving het door de medeverdachte gebruikte mes heeft gezien. Dit alles is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van de diefstal met geweld te komen, aldus de raadsvrouw.
Oordeel van het hof
Op 25 juni 2021 was de verdachte met onder meer medeverdachte [medeverdachte 1] in de woning van zijn moeder aan de [b-straat 2] in [plaats] . Hij heeft daar met zijn telefoon en samen met [medeverdachte 1] via Thuisbezorgd voor ruim 60 euro en zonder vooruitbetaling eten en drinken besteld bij restaurant [A] . De bestelling moest op het adres [b-straat 1] in [plaats] worden bezorgd, terwijl de moeder van de verdachte als gezegd in werkelijkheid op nummer [2] woonde. Ook moest de bezorger bij aankomst contact opnemen via het telefoonnummer van de verdachte. Bij aankomst belde de bezorger ( [benadeelde] ) en kreeg hij te horen dat hij moest wachten, waarna ongeveer vijf minuten voorbij gingen totdat vanaf de hoek van [b-straat 3] en [2] een jongen aan kwam lopen. Later bleek dat het om [medeverdachte 1] ging. Die zei contant te willen betalen en vroeg aan de bezorger of hij alvast zijn wisselgeld wilde tellen. Terwijl de bezorger aan het tellen was probeerde [medeverdachte 1] plotseling het geld te grijpen, maar de bezorger liet dit niet gebeuren. Hierop toonde [medeverdachte 1] een mes, afkomstig uit de keuken van de woning van de moeder van de verdachte. De bezorger stopte vervolgens het geld weg en schreeuwde om hulp, waarop [medeverdachte 1] de bestelde etenswaren greep en wegliep. De verdachte stond ondertussen op enkele meters afstand en heeft de beroving met zijn telefoon op afstand gefilmd. Hij heeft ook gezien dat [medeverdachte 1] op enig moment het mes tevoorschijn haalde, maar is doorgegaan met filmen en heeft er niet op gereageerd. Hij heeft deze filmopname vervolgens met tekstberichten via Snapchat gedeeld. Zo heeft hij erbij geschreven:
mannenzijn op race, mannenzijn op race. Het hof leidt uit de context waarin het woord ‘racen’ wordt gebruikt af dat het woord ziet op het stelen van goederen. Na afloop heeft de verdachte via Snapchat geschreven dat hij het eten had besteld en deelde hij mee:
lekker man gestolen eten. Hij heeft er naar eigen zeggen zelf ook van gegeten.
Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de verdachte zich aldus tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan voorgenoemde diefstal met (dreiging met) geweld.
Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van het hof immers dat sprake is geweest van een gezamenlijk en vooropgezet plan om de bezorger te beroven van zijn geld en/of het bestelde eten en drinken en dat de verdachte vóór de beroving dus wist dat [medeverdachte 1] de bezorger ging beroven. Vervolgens heeft de verdachte door met [medeverdachte 1] naar buiten te gaan, op korte afstand de beroving te filmen, niet in te grijpen en er vervolgens over te berichten die beroving en zijn instemming daarmee kracht bijgezet, waarna hij heeft gedeeld in de buit door van de gestolen maaltijd te eten. In het plan de bezorger te beroven ligt besloten dat de verdachte tenminste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [medeverdachte 1] geweld zou gebruiken door het grijpen naar het geld en het afpakken van het eten en drinken. Hoewel het mes afkomstig was uit de woning van de moeder van de verdachte, is niet komen vast te staan dat hij [medeverdachte 1] met het mes naar buiten heeft zien lopen. Echter, ervan uitgaande dat [medeverdachte 1] op verzet zou kunnen stuiten, lag in het plan ook besloten dat de verdachte tenminste bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [medeverdachte 1] gebruik zou maken van een geweldmiddel, zoals een mes, om de bezorger af te dreigen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte ook na het zien van het mes onverstoorbaar met zijn bijdrage is doorgegaan. Aldus komt het hof tot een bewezenverklaring van het medeplegen van diefstal met (dreiging met) geweld. De verklaringen die de verdachte heeft afgelegd, die met wisselende inhoud ertoe strekten dat [medeverdachte 1] op eigen houtje heeft gehandeld en de verdachte voor het filmen niets van de op handen zijnde beroving wist, acht het hof ongeloofwaardig en de in dat verband gevoerde verweren vinden in het vorenstaande hun weerlegging.”
3.5
Voor de kwalificatie “medeplegen” is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Dienaangaande heeft de Hoge Raad in HR 9 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:3, r.o. 2.3 – met verwijzing naar HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316,
NJ2016/411 m.nt. Rozemond – overwogen:
“Die kwalificatie is alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip”.
3.6
Daarnaast houdt onder meer HR 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:321,
NJ2023/109, r.o. 2.3 – eveneens onder verwijzing naar het arrest van HR 5 juli 2016 – in:
“De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest”.
3.7
Verder heeft de Hoge Raad in HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718,
NJ2015/395 m.nt. Mevis, r.o. 3.2.2 kort gezegd overwogen dat opmerking verdient dat hetgeen hierboven is opgenomen onder 3.5 “in vergelijkbare zin geldt indien het medeplegen – bijvoorbeeld in de vorm van ‘in vereniging’ – een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving. Ook in een geval waarin de tenlastelegging het delictsbestanddeel ‘gepleegd door twee of meer verenigde personen’ bevat, zal de rechter derhalve moeten beoordelen of de door de verdachte geleverde bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is”.
3.8
De klachten veronderstellen dat het hof diens oordeel dat de verdachte de tenlastegelegde diefstal met (bedreiging van) geweld heeft medegepleegd, slechts erop heeft gebaseerd dat de verdachte zijn instemming kracht heeft bijgezet door met [medeverdachte 1] naar buiten te gaan, op korte afstand de beroving te filmen, niet in te grijpen, vervolgens over die beroving te berichten en te delen “in de buit door van de gestolen maaltijd te eten”. Daarmee berusten de klachten op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en missen zij feitelijke grondslag. Het hof heeft daaraan voorafgaand namelijk ook geoordeeld dat sprake is geweest van een gezamenlijk en vooropgezet plan om de bezorger te beroven van zijn geld en/of het bestelde eten en drinken en verder dat de verdachte dus vóór de beroving wist dat [medeverdachte 1] de bezorger ging beroven. Dit oordeel volgt uit de bewijsvoering.
3.9
De vaststellingen door het hof houden immers in dat de verdachte met [medeverdachte 1] in de woning aan [b-straat 2] was, dat de verdachte daar met zijn telefoon samen met [medeverdachte 1] eten en drinken heeft besteld zonder vooruitbetaling bij [A] , dat het eten moest worden bezorgd op [b-straat 1] , dat de bezorger contact moest opnemen via het telefoonnummer van de verdachte en dat de verdachte vóór de beroving wist dat [medeverdachte 1] de bezorger ging beroven. Het arrest van het hof houdt verder in dat bij aankomst de bezorger belde en te horen kreeg dat hij moest wachten, dat na ongeveer vijf minuten [medeverdachte 1] vanaf de hoek van [b-straat 3] en [2] kwam aanlopen, dat [medeverdachte 1] zei contant te willen betalen en dat hij aan de bezorger vroeg of hij alvast zijn wisselgeld wilde tellen, dat – terwijl de bezorger aan het tellen was – [medeverdachte 1] plotseling probeerde het geld te grijpen, maar dat de bezorger dit niet liet gebeuren, dat [medeverdachte 1] hierop een mes toonde afkomstig uit de woning van de moeder van de verdachte, dat de bezorger vervolgens het geld wegstopte en schreeuwde om hulp waarop [medeverdachte 1] de bestelde etenswaren greep en wegliep. Het hof heeft voorts vastgesteld dat de verdachte de beroving met zijn telefoon heeft gefilmd, dat hij doorging met filmen en er niet op heeft gereageerd toen [medeverdachte 1] het mes tevoorschijn haalde, en dat de verdachte deze opname met de tekst “
mannenzijn op race, mannenzijn op race” via Snapchat heeft gedeeld. En het hof heeft vastgesteld dat de verdachte na afloop via Snapchat heeft geschreven dat hij het eten had besteld, dat de verdachte heeft medegedeeld “
lekker man gestolen eten”, en dat de verdachte naar eigen zeggen zelf ook van het eten heeft gegeten.
3.1
Het hof heeft op basis van deze vaststellingen geoordeeld dat de verdachte zich “tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan voorgenoemde diefstal met (dreiging met) geweld”. Gelet op de uiteenzettingen onder 3.5 t/m 3.7 getuigt dat oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Voor het oordeel van het hof dat de verdachte mede verantwoordelijk is voor het gezamenlijke en vooropgezette plan, is in het bijzonder van belang dat de verdachte het eten heeft besteld, dat hij dit eten niet op het adres waar zij waren maar op een vlakbij gelegen adres heeft besteld, dat de verdachte vooraf wist dat de thuisbezorger zou worden overvallen, dat de bezorger bij aankomst contact moest opnemen via het telefoonnummer van de verdachte, dat de verdachte de beroving met zijn telefoon op afstand heeft gefilmd, dat de verdachte niet op het tevoorschijn halen van het mes tijdens de overval heeft gereageerd, dat hij de filmopname via Snapchat heeft gedeeld en tekstberichten heeft geplaatst over het stelen van eten en dat hij van het gestolen eten heeft gegeten. Hierbij merk ik op dat ook bewezenverklaarde gedragingen na de uitvoering van een strafbaar feit ondersteuning kunnen geven aan de conclusie dat sprake is geweest van betrokkenheid bij de planning van het delict en dat zulks in deze zaak het geval is.
3.11
De eerste twee klachten falen.
3.12
Het middel houdt in de derde plaats in dat het hof is afgeweken van twee onderdelen van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat medeplegen niet kan worden bewezen, terwijl het hof niet in het bijzonder de redenen zou hebben opgegeven die tot afwijking op die twee onderdelen hebben geleid. Volgens de steller van het middel heeft het hof ten eerste niet stilgestaan bij het aangehaalde oordeel van de rechtbank dat de aangever de verdachte niet heeft gezien en heeft het hof ten tweede onvoldoende gerespondeerd op het door de verdediging “op basis van rechtspraak van uw Raad” ingenomen standpunt “dat een geringere rol ten tijde van het feit moet worden gecompenseerd bijvoorbeeld door een grotere rol in de voorbereiding”.
3.13
Door de raadsvrouw van de verdachte is blijkens haar ter terechtzitting in hoger beroep van 13 augustus 2024 overgelegde pleitnota het volgende aangevoerd:

Overweging rechtbank
De rechtbank heeft zoals betoogd uitvoerig onderbouwd waarom cliënt — ondanks zijn bijdrage (en wetenschap) — integraal diende te worden vrijgesproken. Over cliënts bijdrage heeft de rechtbank het volgende overwogen:
-
“Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] met zijn telefoon de bestelling via Thuisbezorgd heeft geplaatst, maar dat hij op dat moment nog niet wist dat [medeverdachte 1] de bestelling wilde ‘racen’.
-
De telefoon van verdachte werd die dag door hemzelf en door [medeverdachte 1] gebruikt, onder andere voor de muziek. [medeverdachte 1] zei na het plaatsen van de bestelling dat hij de bezorger wilde ‘racen’ en vroeg of verdachte dit kon filmen. Dit heeft verdachte gedaan vanuit zijn voortuin, waardoor hij moest inzoomen. Verdachte heeft de filmopname daarna doorgestuurd via Snapchat en een paar van de gestolen loempia’s opgegeten.
-
Bij de diefstal (met bedreiging) met geweld heeft [medeverdachte 1] een mes uit de keuken van de moeder van verdachte gebruikt. Verdachte heeft verklaard dat hij niet heeft gezien dat [medeverdachte 1] dat mes heeft gepakt en dat hij hem ook niet heeft verteld waar de messen lagen.
-
Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij niet zelf alle berichten die met zijn telefoon in de Snapchatgroep zijn gestuurd heeft verstuurd.”
De rechtbank heeft deze bijdrage langs de lat van het medeplegen gelegd en daarover het volgende overwogen:
“De betrokkenheid bij een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien vast is komen te staan dat bij het handelen sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verschillende mededaders. Die samenwerking moet dan gericht zijn op het voltooien van het delict. Aangever spreekt in zijn aangifte slechts over één dader, te weten NN 1. Aangever heeft verdachte niet gezien en wist niet dat het incident door verdachte was gefilmd. Daarnaast ziet de rechtbank niet dat de rol van verdachte tijdens de uitvoering van het delict, namelijk het maken een filmopname. Wordt gecompenseerd dooi’ een grotere rol in de voorbereiding of afronding daarvan. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte zal worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.
[…]
Geen uitvoeringshandelingen
Volgens de verdediging kan die mate van intellectuele en/of materiële bijdrage van cliënt bij de tenlastegelegde oplichting niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Allereerst volgt op geen enkele wijze uit het dossier dat cliënt uitvoeringshandelingen heeft verricht. Zoals reeds opgemerkt heeft cliënt enkel gefilmd vanuit zijn voortuin, maar werkelijk niets aan uitvoeringshandelingen verricht aan de overval zelf.
Bijdrage cliënt
Volgens de jurisprudentie kan echter ook sprake zijn van medeplegen zonder dat een medepleger uitvoeringshandelingen verricht. Er moet dan wel zeer duidelijk blijken van een nauwe bewuste samenwerking met een ander of anderen ter uitvoering van een gezamenlijk plan. […]
Uit de jurisprudentie volgt dat hierbij onder meer kan worden gedacht aan de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de afhandeling van het delict, het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Ik zal eerst kort benomen wat volgens het dossier de vermeende bijdrage was van cliënt aan de overval:
• Vlak voor de overval werd cliënt gevraagd om het te filmen, waardoor hij wetenschap kreeg van de overval
• Het filmen van de overval
De vraag die nu voorligt is of op basis van deze omstandigheden kan worden gesproken van medeplegen. Uit het dossier volgt niet dat cliënt betrokken was bij de voorbereiding van de tenlastegelegde overval, laat staan wat zijn rol was bij die voorbereiding. Voorts is cliënt zoals reeds besproken niet aanwezig te zijn geweest op belangrijke momenten (de planning en de overval zelf). Ook bij de afhandeling van de overval had cliënt geen rol. Cliënt heeft bijvoorbeeld niet de buit aangepakt of veiliggesteld.
Anders dan het Openbaar Ministerie is de verdediging op grond van de zich in het dossier bevindende stukken van oordeel dat het bewijs voor het medeplegen van de ten laste gelegde overval ontbreekt. Het dossier bevat immers geen bewijs dat cliënt zelf op enigerlei wijze een rol heeft gespeeld.
Volgens de verdediging kan op basis van het dossier hoogstens worden geoordeeld dat cliënt op enig moment op de hoogte is geweest van de overval en dit heeft gefilmd op grote afstand vanuit de voortuin. Dit is gezien de strikte jurisprudentie echter onvoldoende om op grond daarvan te kunnen concluderen dat sprake is van een zodanig nauw en bewust samenwerkingsverband tussen de overvaller enerzijds en cliënt anderzijds.. Hij heeft immers onvoldoende intellectuele en/of materiële bijdrage geleverd. Dit heeft tot gevolg dat de gedragingen van cliënt niet kunnen worden gekwalificeerd als medeplegen van de overval zoals omschreven in feit 1 en leidt ertoe at cliënt voor dit feit moet worden vrijgesproken.”
3.14
Wat betreft het eerste onderdeel heeft het hof geen afzonderlijke overweging gewijd aan het door de raadsvrouw “aangehaalde oordeel” dat de aangever de verdachte niet heeft gezien en niet wist dat het incident door de verdachte was gefilmd. Kennelijk heeft het hof dit niet als een responsieplichtig standpunt aangemerkt. Dat is mijns inziens niet onbegrijpelijk. Door de raadsvrouw is het oordeel van de rechtbank op pagina 2 van de pleitnota, onder het kopje ‘Overweging rechtbank’ geciteerd. Het is pas op pagina 6 van de pleitnota, onder de kopjes ‘Geen uitvoeringshandelingen’ en ‘Bijdrage cliënt’, dat het standpunt wordt ingenomen dat medeplegen niet kan worden bewezen. Het op pagina 2 geciteerde oordeel is daarin niet ingebed. Ook verder was het hof niet gehouden te responderen op het door de raadsvrouw geciteerde oordeel van de rechtbank, nu het enkele citeren daarvan geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt oplevert. Overigens wijs ik er tot slot nog op dat de rechter ook niet is gehouden op elk onderdeel van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt afzonderlijk te reageren, onder meer omdat de motivering van de verwerping op dat onderdeel ook impliciet besloten kan liggen in de uitspraak of omdat de motivering van de uitspraak ook daarzonder toereikend en begrijpelijk kan zijn. [1] Of de aangever de verdachte wel of niet heeft gezien doet in deze zaak aan de bewijsvoering van het hof niet toe of af.
3.15
Wat betreft het tweede onderdeel heeft het hof in zijn bewijsoverweging – zoals ook naar voren komt onder 3.9 – het medeplegen gemotiveerd en het heeft daarbij aandacht besteed aan de rol van de verdachte voor, tijdens en na de diefstal met geweld op de openbare weg. Daarmee heeft het hof juist ook gelet op het besprokene onder 3.10 in het bijzonder de redenen opgegeven die tot afwijking van het tweede onderdeel hebben geleid.
3.16
Ook de derde klacht faalt.

4.Afronding

4.1
Het middel faalt. De rechtbank heeft de verdachte van het tenlastegelegde vrijgesproken, waardoor het niet in de rede ligt het middel af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,