Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
p. 609
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens schuldwitwassen en kreeg een taakstraf opgelegd. Zij gaf haar bankpas en pincode aan een onbekende derde, die daarop geldbedragen op haar rekening stortte, waarvan zij een deel zou ontvangen. Het hof stelde vast dat de verdachte het geldbedrag van ongeveer €7.900,22 voorhanden had en redelijkerwijs moest vermoeden dat dit afkomstig was uit een misdrijf.
De verdediging voerde aan dat de verdachte geen beschikkingsmacht had over het geld omdat zij haar bankpas en pincode had afgegeven en geen wetenschap had van de stortingen. De Hoge Raad oordeelde echter dat het enkele feit van het afstaan van de pas en code niet betekent dat de verdachte geen feitelijke zeggenschap over het geld had, mede omdat zij via internetbankieren zicht hield op haar rekening.
Verder stelde de Hoge Raad vast dat de verdachte niet enkel naïef was, maar onder de gegeven omstandigheden aanmerkelijk onvoorzichtig had gehandeld en daardoor schuld had aan het witwassen. De klachten over het oordeel van het hof worden verworpen en het cassatieberoep wordt afgewezen. Er is sprake van een schending van het recht op een redelijke termijn, maar dit leidt niet tot vernietiging van het arrest.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor schuldwitwassen met een taakstraf van 50 uur blijft in stand.