Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
Uitleveringsverzoek aan Nederland inzake [de opgeëiste persoon] , geboren op: [geboortedatum] 1997, Nederlands onderdaan, woonachtig aan [a-straat 1] , [plaats] , Nederland
Feststellungen zur Sache’ als volgt (curs. D.P.):
Was der jeweilige Inhalt der transportierten Pakete war, die vor dem 10.04.2019 transportiert wurden, konnte im Rahmen der 6 Hauptverhandlung nicht festgestellt werden und Ist auch nicht Gegenstand, der Anklage.”
3.5 Ne bis in idem en verjaring
1. de opgelegde straf of maatregel reeds is ondergaan,
[…]
i) geheel is ondergaan […].
[in het Zwitserse onderzoek, D.P.]aan het licht zijn gekomen.” Het oordeel van de rechtbank dat de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon door de Zwitserse autoriteiten wordt verdacht, andere zijn dan het feit waarvoor zij in Duitsland reeds is veroordeeld, is gelet op de inhoud van het uitleveringsverzoek niet onbegrijpelijk. [3] Daarbij komt dat ook uit het door de raadsvrouw overgelegde vonnis van het Landgericht Kleve onmiskenbaar naar voren komt dat de Duitse veroordeling enkel betrekking heeft op de invoer in Duitsland op 10 april 2019 en niet op de eerdere transporten naar Zwitserland die (vrij vertaald) ‘ook niet het onderwerp van de beschuldiging zijn’. De door de Duitse rechter gebezigde term ‘transporten’ heeft, anders dan de steller van het middel kennelijk meent, geen betrekking op een vaststelling die samenhangt met het oordeel omtrent het strafrechtelijke verwijt dat de verdachte in Duitsland wordt gemaakt. Daarbij dient betrokken te worden dat bij de ‘Duitse veroordeling’ een inbreuk op de Duitse rechtsorde centraal staat, terwijl aan de Zwitserse vervolging de inbreuk op de rechtsorde van Zwitserland centraal staat.
vóór10 april 2019 niet zijn ‘meegenomen’ in de Duitse strafzaak. Hiermee heeft de rechtbank tot uitdrukking gebracht dat de opgeëiste persoon in de Duitse strafzaak niet is veroordeeld voor de drugstransporten waarvoor de Zwitserse autoriteiten om uitlevering verzoeken, zodat geen sprake is dezelfde feiten als bedoeld in art. 9 lid 1 aanhef Pro en sub d UW of art. 54 SUO Pro. [5] Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en ook niet ontoereikend gemotiveerd, mede gelet op hetgeen het Landgericht Kleve in zijn vonnis heeft overwogen, waaruit onmiskenbaar volgt dat het Duitse strafvonnis enkel betrekking heeft op de invoer van verdovende middelen op 10 april 2019 in Duitsland en de daaraan voorafgaande transporten naar Zwitserland niet ‘het onderwerp van de beschuldiging zijn’ en dat daarover door het Landgericht ook geen onherroepelijke vaststellingen zijn gedaan. Een nadere motivering was niet nodig, ook niet in het licht van de door de steller van het middel genoemde verweren. Die verweren zijn immers gebaseerd op de veronderstelling dat er minstgenomen twijfel bestaat over de vraag of de Duitse rechter de betreffende transporten reeds heeft meegenomen, maar die twijfel heeft de rechtbank uitdrukkelijk en begrijpelijkerwijs niet. De situatie als bedoeld in art. 54 SUO Pro en art. 57 lid 1 SUO Pro doet zich daarmee niet voor.