Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2.1is gericht tegen rov. 5.4, 5.5 en 5.6 van de bestreden beschikking en klaagt dat het hof door art. 7 lid 1 HKV Pro 1996 bij de beoordeling van de rechtsmacht te betrekken, ten onrechte een verrassingsbeslissing heeft gegeven. De rechtbank had bevoegdheid van de Nederlandse rechter aangenomen op de voet van art. 97 lid 1 Verordening Pro Brussel II-ter, welk oordeel door de vader in hoger beroep is bestreden en waartegen de moeder verweer heeft gevoerd. Partijen zijn niet uitgegaan van (de termijn genoemd in art. 7 lid 1 van Pro) het HKV 1996. Het hof had partijen in de gelegenheid moeten stellen om zich over de toepassing van art. 7 lid 1 HKV Pro 1996 uit te laten. Nu partijen niet zijn gehoord over de wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan de rechterlijke beslissing, dient te worden geoordeeld dat sprake is van een verrassingsbeslissing, aldus het onderdeel.
Onderdeel 2.5bevat geen zelfstandige klacht.
Onderdeel 2.6klaagt dat voor zover het oordeel van het hof zo moet worden begrepen dat bij de aanvang van de termijn van art. 7 lid Pro 1, onder b, HKV 1996 uitsluitend kan worden aangesloten bij het ongeoorloofd overbrengen of het niet doen terugkeren van de minderjarigen, dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.