Conclusie
Nummer 24/04162
[X]
staatssecretaris van Financiën
3, over de (formele) Wet verhuurderheffing, waarin u onder verwijzing naar de EHRM-arresten Burden & Burden v. UK
4, Della Ciaja v. Italy
5en Stummer v. Austria
6overwoog dat bij de toetsing van formele wetgeving aan art. 26 IVBPR Pro, art. 14 EVRM Pro jo. art. I Protocol I EVRM en art. 1 Protocol Pro 12 EVRM uitgangspunt is dat de wetgever op belastingterrein in het algemeen een ruime vrijheid toekomt bij zijn beoordeling of gevallen voor de toepassing van die discriminatieverboden als gelijk moeten worden beschouwd en zo ja, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen desondanks verschillend te regelen. Zo’n objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt alleen als de keuze van de wetgever evident van redelijke grond is ontbloot ("manifestly without reasonable foundation").
7. Het Hof heeft deze relevante staatssteun(risico) aspecten ten onrechte niet onderzocht, aldus de belanghebbende.
8.
9als volgt is toegelicht in het parlement
10:
12overwoog het HvJ onder meer als volgt over een regionale subsidie voor vergund regionaal openbaar vervoer dat zonder subsidie onrendabel was:
13, dat onder meer als volgt bepaalt:
14. Niet de formele wetgever, maar de minister wilde de natuurvrijstelling beperken tot Commissie-goedgekeurde regelingen. Die wens is op zichzelf niet onredelijk, maar het is diezelfde minister die voor pNN-vergoedingen niet om vrijstellingsgoedkeuring heeft gevraagd hoewel hij dat voor de materieel gelijke SKNL-subsidies wel heeft gedaan. Het is dus aan de minister te wijten dat belanghebbendes subsidie niet kán voldoen aan de door de minister gestelde voorwaarde voor vrijstelling.
15van het HvJ waar de Staatssecretaris naar verwijst, betrof prejudiciële vragen van het Hof Den Bosch over de bevoegdheid van de nationale rechter inzake de vraag of teruggaaf van dividendbelasting aan niet-ingezeten publiekrechtelijke entiteiten (verboden) staatsteun zou zijn. Volgens het Hof Den Bosch dwong het vrije verkeer van kapitaal tot teruggaaf van dividendbelasting aan een niet-ingezeten publiekrechtelijke entiteit, maar zou teruggaaf ook (nieuwe) en daarmee verboden staatssteun kunnen zijn. De vraag rees of dividendbelastingteruggaaf, die bij (volgens het Hof Den Bosch vergelijkbare) Nederlandse publiekrechtelijke entiteiten een gevolg was van hun Vpb-vrijstelling (die als bestaande en daarmee rechtmatige staatsteun beschouwd moest worden, hoezeer mogelijk ook interne-marktonverenigbaar), onderdeel was van die bestaande Vpb-vrijstelling en daarmee eveneens rechtmatig, of meldingsplichtige nieuwe steun en daarmee onrechtmatig zonder voorafgaande goedkeuring door de Commissie. De vraag was in hoeverre de nationale rechter deze vragen zelf mag beantwoorden. Het HvJ oordeelde dat het voor de vrij-verkeerbeoordeling cruciale woonplaatsvereiste óók cruciaal was voor de staatsteunbeoordeling en daarom aan de Commissie moest worden overgelaten:
16) en het staatsteunverbod (als pNN-vrijstelling als nieuwe steun geldt);
17overwoog:
18
19
20
21, wat er in casu in beginsel toe leidt dat A Fonds teruggave van de dividendbelasting moet worden verleend omdat het woonplaatsvereiste niet van toepassing is, heeft niet-nakoming van de meldingsplicht van artikel 108, lid 3, VWEU daarentegen tot gevolg dat de steunregeling onrechtmatig en ongeldig is, wat in casu belet dat de belasting aan A Fonds wordt teruggegeven.
22. Een nationale steunmaatregel die strijdig is met dit uitvoeringsverbod, is namelijk onrechtmatig
23, wat in beginsel de ongeldigheid ervan tot gevolg heeft
24.
25. Volgens het Hof mogen de nationale rechterlijke instanties de steunmaatregel niet zonder meer uitbreiden tot een grotere groep begunstigden
26.
27.
28.
29. De kennelijk vergaand discretionaire aanwijzingsbevoegdheidsuitoefening door de minister in art. 6 UR Pro IB moet internrechtelijk dus getoetst worden aan het algemene ongeschreven gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod in art. 1 Grondwet Pro, i.e. strenger dan aan het niet-evident-van-redelijke-grond-ontbloot-criterium - en daarnaast aan het EU-(Handvest)rechtelijke gelijkheidsbeginsel omdat belanghebbendes geval door de staatssteunaspecten binnen de werkingssfeer van het EU-recht valt.