Conclusie
1.Inleiding
2.Het procesverloop
3.Het middel
Bewijsmiddelen
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof ’s-Hertogenbosch veroordeeld tot veertien maanden gevangenisstraf wegens het plegen van gewoontewitwassen in de periode van 1 januari 2013 tot en met 1 augustus 2017. Het hof baseerde zijn oordeel op uitgebreid onderzoek naar contante geldbedragen die in de woning van de verdachte werden aangetroffen, contante stortingen op bankrekeningen en onverklaarbare geldstromen die niet konden worden verklaard uit het legale inkomen van de verdachte en zijn echtgenote.
De verdachte voerde in cassatie aan dat het hof onvoldoende nauwkeurig had aangeduid op welke bewijsmiddelen het zijn oordeel had gebaseerd, met name met betrekking tot de valsheid van huurovereenkomsten die het hof als onderdeel van het witwasproces had betrokken. De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende nauwkeurig heeft verwezen naar het eerdere arrest van het hof waarin de valsheid van de huurovereenkomsten was vastgesteld, en dat dit arrest als wettig bewijsmiddel geldt.
Het hof heeft terecht geoordeeld dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de contante gelden. De Hoge Raad concludeert dat het middel faalt en dat het cassatieberoep moet worden verworpen. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging van het arrest aanwezig.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens gewoontewitwassen tot veertien maanden gevangenisstraf blijft in stand.