ECLI:NL:PHR:2024:947

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
15 september 2024
Zaaknummer
22/02066
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 11 lid 3 OpiumwetArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt beroepsmatige hennepteelt ondanks gemotiveerde klachten over bewezenverklaring en strafmotivering

De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het telen van circa 366 hennepplanten in een woning, met illegale stroomvoorziening en schade aan het pand, en dit werd gekwalificeerd als handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Het cassatieberoep richtte zich op de bewezenverklaring van dit bestanddeel en de strafmotivering.

De Hoge Raad overweegt dat het hof, hoewel niet expliciet gemotiveerd op het onderdeel 'in de uitoefening van een beroep of bedrijf', voldoende feitelijke vaststellingen deed, zoals de omvang van de kwekerij, technische hulpmiddelen en illegale stroomaftap, die wijzen op beroepsmatige hennepteelt. De klachten over innerlijke tegenstrijdigheid tussen partiële vrijspraak en strafmotivering worden als kennelijke misslag beoordeeld en verworpen.

De Hoge Raad vernietigt het arrest alleen voor wat betreft de strafoplegging vanwege overschrijding van de redelijke termijn en vermindert de straf dienovereenkomstig. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen. De straf van vier maanden gevangenisstraf, zoals oorspronkelijk door de rechtbank opgelegd, wordt als passend beschouwd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bewezenverklaring van beroepsmatige hennepteelt en vernietigt alleen de strafoplegging wegens termijnoverschrijding, met strafvermindering tot vier maanden gevangenisstraf.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02066

Zitting17 september 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 1 juni 2022, onder aanvulling van gronden, het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd, met uitzondering van de kwalificatie van het onder 2. bewezenverklaarde, de strafoplegging en de strafmotivering. De verdachte is daarmee door het hof wegens 1 primair “in uitoefening van bedrijf of beroep opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod”, 2 primair “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” en 3. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en onbruikbaar maken”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 113 dagen. Verder is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en hiermee verbonden een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. [1]

De zaak

2.1
De feiten die aan deze zaak ten grondslag liggen komen op het volgende neer. In de huurwoning van de verdachte is door de politie een hennepkwekerij aangetroffen, verspreid over drie ruimtes. Aldaar zijn hennepplanten en potten bestemd voor hennepplanten aangetroffen met een capaciteit voor circa 366 hennepplanten, evenals materialen om deze planten te laten groeien. De hennepkwekerij werd van stroom voorzien door middel van een illegaal aangelegde elektriciteitsaansluiting (feit 2). Bovendien heeft de hennepkwekerij geleid tot schade aan de woning (feit 3), bestaande uit enkele gaten in de muren om de illegale stroomvoorziening mogelijk te maken en zwaar vervuilde woonruimtes.
2.2
In cassatie draait het nog slechts om hetgeen waarvoor de verdachte onder 1 (primair) is veroordeeld. Het middel bevat een bewijsklacht ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde, alsmede een klacht over de strafmotivering bij datzelfde feit.

Het middel

3.1
Het eerste middel valt uiteen in twee deelklachten. De
eerste deelklachthoudt in dat het onder 1 bewezenverklaarde onvoldoende met redenen is omkleed, nu noch het hof, noch de rechtbank uitdrukkelijk heeft gemotiveerd op welke gronden het onderdeel‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ is vervuld.
3.2
Ten laste van de verdachte is, voor zover relevant, bewezenverklaard dat hij:
“1 primair
in de periode van 23 november 2017 tot en met 1 februari 2018 te [plaats] in de uitoefening van beroep en/of bedrijf opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat 1] ) een hoeveelheid van ongeveer 366 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
3.3
Het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank bevat de volgende bewijsmiddelen, alsmede een nadere bewijsoverweging:

“Bewijsmiddelen

Proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]

d.d. 1 februari 2018, p. 4 t/m 7:

De woning [a-straat 1] te [plaats] werd op donderdag 1 februari 2018 binnengetreden.
De eerste verdieping van het pand was geheel ingericht als hennepkwekerij. Wij zagen dat 2 slaapkamers geheel gevuld waren met plantenpotten. Wij zagen dat één kleinere slaapkamer, dan wel studeerkamer, gebruikt was om een schakelbord te maken waarmee beide kweekruimtes werden voorzien van stroom.
In de badkamer zagen wij een waterbak en diverse groei en bloeimiddelen.
Wij zagen dat de vlizotrap welke naar de zolder leidt zichtbaar was. Deze trap was uitgeklapt en kwam uit in de gang van de eerste verdieping. Vervolgens zagen wij dat er op zolder een derde kweekruimte ingericht was. In deze ruimte stonden zowel een schakelbord als planten.
Kweekruimte 1
Na het binnentreden zag ik, verbalisant [verbalisant 1] , het volgende:
Op het moment dat vanaf de begane grond de trap opliep kwam ik in een kleine hal. Direct rechts naast de trap is de badkamer gesitueerd. Direct links van de badkamerdeur zag ik de deur welke leidt naar kweekruimte 1.
Ik voelde dat deze deur niet geheel open kon. Nadat ik mijn hoofd de ruimte in stak zag ik dat deze ruimte vrijwel geheel gevuld was met potten, welke gevuld waren met potgrond. Ik zag dat er geen hennepplanten in de potten stonden, kennelijk waren de planten geoogst. Ik zag dat de potten tot achter de deur stonden waardoor de deur maar ongeveer 30 centimeter geopend kon worden.
In de ruimte zag ik 120 potten, 12 assimilatielampen, 600 Watt, welke uit stonden. Ik zag een irrigatiesysteem, ik zag namelijk een zeil op de bodem waarbij de randen, aan de zijde van de muren omhoog gemaakt was. Mij is ambtshalve bekend dat er op deze wijze water en plantenvoeding in de ruimte, op het zeil, kan worden gepompt. Alle plantenbakken hebben openingen aan de onderzijde waardoor elke plant voorzien wordt van water en voeding.
In de ruimte zag ik 2 koolstoffilters. De lucht aan- en afvoer werd geregeld door een aan- en afzuiginstallatie. De afmetingen van het kweekoppervlak in de kamer betrof 3.70 meter bij 3.20 meter. Dit levert een kweekoppervlakte op van 11.84 m2.
In de ruimte trof ik indicatoren aan voor één eerdere oogst. Ik zag hennepresten in de potten en op de grond. Deze resten heb ik getest met een cannabistest en hieruit bleek dat het daadwerkelijk hennep betrof. Tevens zag ik het kenmerkende hennepblad met kartelrand tussen het afval. Op het moment dat de afzuiging afgesloten werd rook ik de bekende hennepgeur. Ik zag stof op lampenkappen en een vervuild filterdoek rondom de koolstoffilters, ik zag bij het verschuiven van de draagband van de koolstoffilter dat het filterdoek dat onder de draagband gezeten had duidelijk lichter van kleur was dan het overige doek. Ik zag kalk afzetting op de plantenbakken en op de zelfde hoogte zag ik kalk afzetting op het onderzeil. Nadat ik een plantenbak onderste boven hield zag ik dat de brok potgrond doorregen was met wortelresten.
Kweekruimte 2
Na het binnentreden zag ik, verbalisant [verbalisant 1] , het volgende: Links van de deur welke leidt naar kweekruimte I zag ik een deur welke leidt naar kweekruimte 2. Deze ruimte was vrijwel identiek aan kweekruimte 1. Ik zag 120 potten welke gevuld waren met potgrond. De afmetingen van het kweekoppervlak in de kamer betrof 3.60 meter bij 3.20 meter. Dit levert een kweekoppervlakte op van 11.52 m2.
In de ruimte trof ik indicatoren aan voor één eerdere oogst.
Kweekruimte 3 (in dossier kweekruimte 5 genoemd)
Ik zag dat de gehele zolderverdieping gebruikt was voor de kweek van hennep.
Ik zag dat de 126 potten gevuld waren met potgrond.
De afmetingen van het kweekoppervlak in de kamer betrof 3.05 meter bij 4.40 meter. Dit levert een kweekoppervlakte op van 13.42m2.
In de ruimte trof ik indicatoren aan voor één eerdere oogst.
Stroomvoorziening
De stroomvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht door [betrokkene 1] , fraude-inspecteur bij de netwerkbeheerder Enexis, in aanwezigheid van mij, verbalisant [verbalisant 1] . Hierbij werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. Samen met [betrokkene 1] , werkzaam als fraude-inspecteur bij Enexis BV heb ik, verbalisant [verbalisant 1] , geconstateerd dat er in de meterkast een illegale elektriciteitsaansluiting was gemonteerd.
Na het uitschakelen van de elektriciteitsaansluiting van de huisinstallatie bleek dat de elektrische apparatuur ten behoeve van de hennepkwekerij in bedrijf bleef. Hiermee heb ik, verbalisant [verbalisant 1] , proefondervindelijk vastgesteld dat de elektrische apparatuur ten behoeve van de hennepkwekerij was aangesloten op de illegale elektriciteitsaansluiting. Het verbruik van de elektriciteit apparatuur ten behoeve van de hennepkwekerij werd dan ook niet geregistreerd door de aanwezige elektriciteitsmeter van Enexis BV.

Aangifteformulier Enexis d.d. 6 februari 2018, p. 23/24:

Op 01 februari 2018 werd een hennepkwekerij met diefstal energie aangetroffen in het pand op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Uit onze administratie blijkt dat [verdachte] in elk geval op het moment van binnentreden op 01 februari 2018 contractant was op genoemd perceel. Er was een illegale aansluiting na de hoofdbeveiliging gemaakt in de hoofdaansluitkast. Er was een illegale elektriciteitskabel aangelegd die buiten de elektriciteitsmeter om naar de installatie in het pand en voorzag de aangesloten installatie geheel of gedeeltelijk van elektriciteit.
Om deze aftakking te kunnen realiseren is het noodzakelijk geweest dat de door de Enexis Netbeheer B.V. verzegelde deksel van de hoofdaansluitkast gedemonteerd is of is geweest. De door Enexis Netbeheer B.V. aangebrachte zegels zijn dus verwijderd, vervangen en of gemanipuleerd. Hiervoor heeft Enexis Netbeheer B.V. geen toestemming verleend.(...)
Proces-verbaal aangifte [aangever] namens [A] d.d. 15 februari 2018, p.

19.20:

Op donderdag 22 juni 2017 heeft [A] het pand [a-straat 1] te [plaats] verhuurd aan [verdachte] . Genoemd pand is eigendom van [A] .
Op donderdag 1 februari 2018 kreeg ik te horen dat er een hennepkwekerij was aangetroffen in dit pand. Ik ben gaan kijken in het pand en zag dat er op een aantal plaatsen in de woning schade was ontstaan door de aanleg van de kwekerij. Ik zag dat er in de muur tussen de kleine slaapkamer en de grote slaapkamer op de eerste verdieping, aan de voorzijde van het pand, een gat in de muur zat. Ik zag dat hier kabels door heen liepen van het ene naar het andere vertrek. Dit is geen constructie die in deze woningen is aangebracht bij de bouw of op een later tijdstip door [A] . (...) Ik zag dat er in de zijwand van de meterkast een gat was geboord waardoor een stroomkabel heen liep. Ik zag dat het gehele pand zwaar vervuild was. (...)

Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 29 maart 2019:

De bij mij in huis aangetroffen hennepkwekerij heb ik alleen opgezet. Wel heeft iemand in mijn opdracht de illegale aansluiting van de elektriciteit aangelegd.
Ik heb de spullen die ik nodig had voor de kwekerij via kennissen tweedehands aangeschaft.
Ik heb in alle drie de aangetroffen ruimtes hennep geteeld.

Nadere overweging omtrent het bewijs

De ter terechtzitting van 29 maart 2019 door verdachte afgelegde verklaring voor zover deze inhoudt dat hij in iedere kweekruimte als test niet meer dan vijf plantjes heeft geteeld stelt de rechtbank als ongeloofwaardig terzijde. De rechtbank betrekt daarbij het late tijdstip waarop verdachte deze verklaring heeft afgelegd, voor welk tijdstip verdachte geen verklaring heeft gegeven. Belangrijker acht de rechtbank echter dat de verklaring van verdachte de rechtbank niet logisch voorkomt. Indien daadwerkelijk een test zou zijn uitgevoerd zoals verdachte stelt, valt niet in te zien dat daarvoor reeds in drie ruimtes een volledige hennepkwekerij met 366, zelfs reeds met aarde gevulde, potten zou zijn ingericht. Indien de test zou zijn mislukt, dan zouden immers alle kosten voor de inrichting van de kwekerij dan al zijn gemaakt. Het ligt veeleer voor de hand dat verdachte, uit oogpunt van winstmaximalisatie, direct de volledige capaciteit van de kwekerij heeft benut.
Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier verder onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat verdachte feit 1 tezamen met een of meer anderen heeft gepleegd. Verdachte zal van dit gedeelte van de tenlastelegging dan ook partieel worden vrijgesproken.”
3.4
De tenlastelegging van het eerste feit is toegesneden op art. 11 lid 3 Opiumwet Pro. Daarom moet de in de tenlastelegging voorkomende uitdrukking ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel. Mede met het oog op het strafverhogende effect van dit bestanddeel – een verdrievoudiging van het strafmaximum van de op te leggen vrijheidsstraf – moeten aan de vaststelling daarvan bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter in voorkomende gevallen daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven. [2]
3.5
Uit de parlementaire geschiedenis bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot invoering van deze strafverzwaringsgrond volgt dat de invulling van het bestanddeel ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ door de wetgever is overgelaten aan de rechtspraak. [3] Niettemin vermeldt de wetsgeschiedenis een aantal factoren die kunnen bijdragen aan het oordeel dat sprake is van hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De memorie van toelichting houdt onder meer in:
“Het professionele karakter van de kwekerijen blijkt behalve uit het aantal planten, uit de omstandigheden waaronder deze worden gekweekt. Bij voorkeur in loodsen of onder glas, met gebruik van zogeheten daglichtlampen of met behulp van temperatuur- en bevloeïngsregulering, etc. Met andere woorden, het laten groeien van hennep gebeurt met veel kennis van zaken, op technologisch zeer hoog niveau en onder het voortdurend ontwikkelen van nieuwe, betere methoden met als doel een zo groot mogelijke opbrengst. Ook de illegale afzet van het geoogste product wordt met de nodige zorg omgeven, omdat anders alle voorgaande investeringen en inspanningen die rechtstreeks met de productie ervan samenhangen, voor niets zouden zijn geweest.” [4]
3.6
De nota naar aanleiding van het verslag noemt enkele aan OM-richtlijnen ontleende indicatoren die kunnen duiden op beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, te weten het aantal planten, het aantal te behalen oogsten per jaar en het gebruik van technische hulpmiddelen. [5]
3.7
In de rechtspraak van de Hoge Raad zijn verscheidene voorbeelden te vinden van feiten en omstandigheden die duiden op beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. In de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 23 september 2014 was in een door de verdachte gehuurde woning een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen, verspreid over verschillende ruimtes in die woning. [6] De verdachte had daarover verklaard dat hij alles had laten aanleggen, inclusief de stroomvoorziening. Het hof had in een nadere bewijsoverweging vastgesteld dat de verdachte een aanzienlijke investering had gedaan met de bedoeling de hennepkwekerij op te zetten waarmee verschillende keren kon worden geoogst ten behoeve van de verkoop, dat de capaciteit van de kwekerij met 716 hennepplanten niet gering was en dat het teeltproces geschiedde in afzonderlijke, daarvoor ingerichte ruimtes onder gecontroleerde condities en in belangrijke mate geautomatiseerd verliep met behulp van technische middelen, die kennelijk dienden ter optimalisering van het teeltproces en minimalisering van de daarvoor van de teler vereiste inspanning. De Hoge Raad overwoog dat het hof kennelijk had geoordeeld dat de teelt zodanig grootschalig en professioneel was dat sprake was van handelen ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ in de betekenis die daaraan toekomt in art. 11 lid 3 Opiumwet Pro en oordeelde dat dat oordeel geen blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend was gemotiveerd.
3.8
In de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:562, is door het hof vastgesteld dat de verdachte een hennepkwekerij in zijn woning had, verspreid over vijf woonruimtes. Aldaar heeft de verdachte 388 hennepplanten en 300 hennepstekken geteeld. De verdachte heeft illegaal stroom afgetapt ten behoeve van de hennepkwekerij. De verdachte heeft aanzienlijke investeringen gedaan in de hennepkwekerij, onder meer door de aanschaf van technische hulpmiddelen, waaronder assimilatielampen, pompen, kweekbakken, koolstoffilters alsmede aan- en afzuiginstallaties. Ook was de verdachte voornemens om de oogst van de hennepkwekerij te verkopen. In zijn conclusie bij deze zaak heeft AG Aben betoogd dat gelet op deze factoren sprake was van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt, nu de bewijsmiddelen duiden op een grootschalige en professionele hennepkwekerij. [7] Het cassatiemiddel gericht tegen de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ werd door de Hoge Raad middels art. 81 lid 1 RO Pro afgedaan.
3.9
In de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:409, is door het hof vastgesteld dat de verdachte onderhuurder was van een pand waarin een hennepkwekerij werd aangetroffen. De verdachte heeft in dat pand illegaal stroom afgetapt ten behoeve van de hennepkwekerij. De hennepkwekerij was verdeeld over twee woonruimtes, waar zich in totaal circa 297 hennepplanten bevonden. De verdachte had een aanzienlijke financiële investering gedaan in de hennepkwekerij, onder meer door de aanschaf van technische hulpmiddelen, bestaande uit een schakelbord, transformator, ventilator, temperatuurventilatieregelaar, water- en beluchtigingspomp en klimaatregulering. De hennepkwekerij was ingericht op meerdere oogsten ten behoeve van de verkoop. In zijn conclusie bij deze zaak heeft AG Hofstee gemeend dat gelet op deze factoren sprake was van beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. [8] Het cassatiemiddel gericht tegen de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ werd door de Hoge Raad middels art. 81 lid 1 RO Pro afgedaan.
3.1
Het hof heeft – net als de rechtbank – niet uitdrukkelijk aandacht besteed aan het bestanddeel ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’. [9] Uit de feitelijke vaststellingen van het hof volgt evenwel dat de verdachte illegaal stroom heeft afgetapt, dat de hennepkwekerij drie ruimtes van de huurwoning van de verdachte besloeg, dat de capaciteit van de kwekerij niet gering was (366 planten) [10] en dat de verdachte verscheidene technische middelen heeft aangeschaft om zijn hennepplanten goed te kunnen onderhouden. Zo heeft het hof onder meer vastgesteld dat de hennepkwekerij van de verdachte was voorzien van een irrigatiesysteem, assimilatieverlichting, koolstoffilters en een aan- en afzuiginstallatie. De inrichting van de hennepkwekerij getuigt daarom van veel kennis van zaken bij de verdachte. Het op deze, in de bewijsmiddelen besloten liggende, vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep en/of bedrijf is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.11
De eerste deelklacht faalt.
3.12
De
tweede deelklachthoudt in dat het arrest van het hof innerlijk tegenstrijdig is wat betreft de partiële vrijspraak voor het onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen en de strafmotivering.
3.13
Voor zover hier relevant is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
“1
hij in of omstreeks de periode van 23 november 2017 tot en met 1 februari 2018 te [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van beroep en/of bedrijf opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [a-straat 1] ) een (grote) hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 366 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.”
3.14
Ten laste van de verdachte is, voor zover relevant, bewezenverklaard dat hij:
“1 primair
in de periode van 23 november 2017 lot en met 1 februari 2018 te [plaats] in de uitoefening van beroep en/of bedrijf opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat 1] ) een hoeveelheid van ongeveer 366 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
3.15
De strafmotivering van het hof houdt, voor zover relevant, in:
“De verdachte heeft in de bewezenverklaarde periode samen met anderen een grote hoeveelheid van 366 hennepplanten opzettelijk aanwezig gehad. Hiermee heeft hij een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de illegale teelt in hennep en aan het criminele circuit dat zich doorgaans rondom illegale hennepteelt ontvouwt. Bovendien gaat illegale hennepteelt vaak gepaard met ongewenste neveneffecten voor de maatschappij in de vorm van een verhoogd risico op brandgevaar rondom teeltlocaties en potentiële schade voor de volksgezondheid bij veelvuldig gebruik van softdrugs zoals hennep. Daarnaast is bewezenverklaard dat de verdachte ten behoeve van de hennepkwekerij in vereniging illegaal stroom heeft afgetapt en dat hij voor het aanleggen van de kwekerij beschadigingen aan de woning heeft toegebracht.”
3.16
Het hof heeft de partiële vrijspraak door de rechtbank van het ten last gelegde “tezamen en in vereniging” bevestigd. In de strafmotivering van het hof staat echter dat de verdachte “samen met anderen” een grote hoeveelheid van 366 hennepplanten opzettelijk aanwezig heeft gehad. Bij dit laatste is echter sprake van een kennelijk misslag zodat van een daadwerkelijke tegenstrijdigheid geen sprake is.
3.17
Dat van een kennelijke misslag sprake is, vindt steun in het gegeven dat het hof ook spreekt van “opzettelijk aanwezig” hebben van hennep, terwijl duidelijk is dat het hof het telen van hennep bewezen acht. Verder volgt uit de vergelijking van de strafmotivering van het hof en de rechtbank dat de factor ‘samen met anderen’ geen invloed heeft gehad op de strafoplegging van het hof. Zowel de rechtbank als het hof hebben immers acht geslagen op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder het feit is begaan, de persoon van de verdachte, de capaciteit van de hennepkwekerij, het illegaal aftappen van elektriciteit, de beschadigingen aan de huurwoning als gevolg van de hennepkwekerij, de justitiële documentatie van de verdachte waaruit eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten blijken en de ongewenste (neven)effecten van hennepteelt op de maatschappij. [11] Het hof heeft de strafoplegging van de rechtbank slechts vernietigd wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Nu het hof in zijn strafmotivering uitdrukkelijk aangeeft dat zonder overschrijding van de redelijke termijn een gevangenisstraf van vier maanden – zoals in eerste aanleg was opgelegd door de rechtbank – passend zou zijn geweest, heeft het hof zich voor het overige kennelijk verenigd met de strafmotivering van de rechtbank. [12] Aldus is sprake van een kennelijke misslag in de strafmotivering van het hof die verbeterd kan worden gelezen, zodat het arrest niet innerlijk tegenstrijdig is. De tweede deelklacht kan zodoende niet tot cassatie leiden wegens gebrek aan feitelijke grondslag.
3.18
De tweede deelklacht faalt.

Afronding

4.1
Het middel faalt in al zijn onderdelen en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 7 juni 2022. Daarmee wordt de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf moet leiden.
4.3
Overigens heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met de zaak 22/02068. De Hoge Raad heeft in deze zaak reeds arrest gewezen op 9 mei 2023.
2.HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2756, rov. 2.4.
6.HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2756.
7.Conclusie van AG Aben van 2 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:374, randnrs. 22 en 36-42. Het hof had, net als in de onderhavige zaak, geen nadere bewijsoverweging gewijd aan het onderdeel van de bewezenverklaring ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’.
8.Conclusie van AG Hofstee van 1 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:86, randnrs. 9-18.
9.Overigens heeft de verdediging ook geen verweer gevoerd op dit punt.
10.Ingevolge art. 1 lid 2 Opiumwetbesluit Pro moet een aantal van 200 of meer hennepplanten worden aangemerkt als een “grote hoeveelheid” in de zin van art. 11 lid 5 Opiumwet Pro. In deze zaak was aan de verdachte ook een ‘grote hoeveelheid’ ten laste gelegd. De rechtbank en het hof hebben dit echter niet bewezenverklaard.
11.Zie p. 10-11 van het vonnis en p. 2-3 van het arrest.
12.Zie p. 3 van het arrest.