Conclusie
Nummer22/02485 P
Inleiding
Het middel
De strafzaak
De ontnemingszaak
De toelichting op het middel
van [betrokkene 1]. Nu het arrest in die strafzaak geen deel uitmaakt van het dossier in de ontnemingszaak van betrokkene, kan het niet gelden als wettig bewijsmiddel waaraan dit moment van aanvang kan worden ontleend. Bovendien zijn er blijkens het arrest in de strafzaak ‘aanwijzingen’ dat de betrokkene en [betrokkene 1] al vóór 3 oktober 2005 een economische eenheid hebben gevormd. Ook in dat opzicht is de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
De bespreking van het middel
gemeenschappelijke‘eenvoudige kasopstelling’ van de betrokkene en [betrokkene 1] over de
geheleonderzochte periode van 1 januari 2002 tot en met 26 januari 2010. [2] Hoe dit zich verhoudt tot het uitgangspunt dat de betrokkene en [betrokkene 1] (pas) vanaf 3 oktober 2005 samenwoonden en pas per die datum een ‘economische eenheid’ hebben gevormd, wordt door het hof buiten bespreking gelaten. De steller van het middel maakt hiervan echter geen punt, zodat ik hierop niet dieper inga. [3]
verdeelsleutel, en dus niet op de schatting van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel zelf. Wat betreft de verdeelsleutel heeft het hof binnen de onderzochte periode van 1 januari 2002 tot en met 26 januari 2010 (in totaal ongeveer 96 maanden, aldus het hof) nadrukkelijk twee deelperiodes van elkaar onderscheiden, te weten de periode vóór samenwoning (die volgens het hof ongeveer 45 maanden beslaat) en de periode ván samenwoning (die volgens het hof ongeveer 51 maanden beslaat). Het hof heeft het bedrag van het totale wederrechtelijk verkregen voordeel over de twee deelperiodes verdeeld naar rato van het aantal maanden waaruit die deelperiodes bestaan, en heeft vervolgens het voordeelbedrag dat het toeschrijft aan de tweede deelperiode – vanwege die samenwoning – gehalveerd. [4]
“de verdachte[betrokkene]
vanaf 3 oktober 2005 samenwoonde met medeverdachte [betrokkene 1] ”(zie hierboven onder randnummer 5) en dat het hof deze vaststelling voor zijn bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 3 heeft gebruikt. De klacht faalt dus wegens gebrek aan belang.
verdelingvan het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel, anders dan de steller van het middel ingang wil doen vinden,
nietde op artikel 511f Sv gestoelde eis geldt dat zulks is gebaseerd op de inhoud van wettige bewijsmiddelen. Voldoende is dat die feiten en omstandigheden, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. [6] In dat verband wijs ik op het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 mei 2022 en de verwijzing naar de schriftelijke conclusie van de verdediging (die geacht moet worden aldaar te zijn voorgedragen). Daarin wordt het aanvangstijdstip van de samenwoning nota bene door de verdediging zelf bevestigd (geciteerd onder randnummer 8). Ook om die reden faalt de klacht.