ECLI:NL:PHR:2024:848

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2024
Publicatiedatum
26 augustus 2024
Zaaknummer
23/03991
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 116 SvArt. 134 SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid klager in beklag tegen beslag personenauto wegens beëindigd beslag

De klager diende een klaagschrift in tegen het beslag op een Volkswagen Golf, stellende dat het voertuig ten onrechte was in beslag genomen en dat hij als eigenaar moest worden aangemerkt. De rechtbank Rotterdam verklaarde klager niet-ontvankelijk omdat het Openbaar Ministerie reeds een last tot teruggave aan de eigenaar had gegeven, en een ander dan klager als eigenaar was aangemerkt, waardoor het beslag was geëindigd.

De raadsvrouw van klager verzocht tijdens de raadkamerprocedure om aanhouding van de zaak wegens afwezigheid van klager, die gedetineerd zat en wiens transportorder niet goed was doorgekomen. De rechtbank besloot niet uitdrukkelijk op dit verzoek, maar oordeelde dat geen beslag meer rustte op het voertuig en dat klager daarom geen belang had bij aanhouding. Klager stelde dat dit oordeel onjuist was en dat hij als beslagene gehoord had moeten worden.

De Hoge Raad overwoog dat het ontbreken van een beslissing op het aanhoudingsverzoek geen strijd met de goede procesorde oplevert, omdat het verzoek onvoldoende was gemotiveerd en het beslag feitelijk was beëindigd. Het cassatieberoep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat klager geen belang had bij het beklag en niet als beslagene kon worden aangemerkt.

De feiten toonden aan dat het voertuig een spookvoertuig was zonder actuele tenaamstelling en dat eerdere kentekenhouders het voertuig onder dwang of fraude hadden overgedragen. De rechtbank kon zonder klager te horen vaststellen dat klager niet de beslagene was. De Hoge Raad bevestigde dat het beslag was beëindigd en dat de rechtbank terecht klager niet-ontvankelijk verklaarde.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat het beslag op de auto was beëindigd en klager geen belang had bij het beklag.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/03991 B
Zitting24 september 2024

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de klager.
De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 2 oktober 2023 de klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag ten aanzien van een Volkswagen Golf met [kenteken].
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en T. Straten, advocaat in Maastricht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel en de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1
Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht houdt in dat de rechtbank heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde, doordat zij heeft verzuimd uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen op het verzoek van de raadsvrouw van de klager om de behandeling van de zaak aan te houden. De tweede deelklacht houdt in dat, voor zover de rechtbank heeft geoordeeld zij geen beslissing hoefde te nemen op het aanhoudingsverzoek, omdat het beklag niet-ontvankelijk is en de klager er dus geen belang bij heeft om te worden gehoord naar aanleiding van het door hem ingediende klaagschrift, dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans niet zonder meer begrijpelijk is.
3.2
Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De raadsvrouw deelt mee:
Ik verzoek u de zaak aan te houden gelet op de afwezigheid van mijn cliënt. Hij zit momenteel gedetineerd in de penitentiaire inrichting te Dordrecht. Zijn transportorder zou niet goed zijn doorgekomen.
De rechter deelt mee:
In het proces-verbaal nummer PL1700-2023162759-4 is opgenomen dat het Openbaar Ministerie reeds een last tot teruggave van de personenauto aan de eigenaar heeft gegeven omdat het belang van strafvordering zich hiertegen niet verzet. Een ander dan klager wordt aangemerkt als de eigenaar van de auto. De vraag is daarom allereerst of er nog beslag rust op de auto.
De raadsvrouw deelt mee: op 10 juli heeft klager een bericht ontvangen dat hij niet is aangemerkt als eigenaar en hij hierover kan klagen.
De officier van justitie deelt mee: op basis van het genoemde proces-verbaal kom ik tot de conclusie dat er geen beslag meer rust op de auto. Ik verzoek u klager niet-ontvankelijk te verklaren.
De raadsvrouw deelt mee: op basis van het proces-verbaal zou gesteld kunnen worden dat er geen beslag meer rust op de auto. Het is dan wel vreemd dat er een brief is gestuurd naar klager onder vermelding dat hij beklag kan indienen.”
3.3
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Procedure
Op 21 juli 2023 is op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een klaagschrift ingediend.
Het beklag is op 2 oktober 2023 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. E.M.L. Warmoeskerken en de raadsvrouw mr. G. Vermaak, die waarneemt voor mr. E.A. Blok, zijn gehoord. De klager is niet verschenen. Omdat klager gedetineerd zit verklaart de raadsvrouw desgevraagd dat zij is gemachtigd en de behandeling van de zaak kan worden voortgezet.
Feiten
Op 25 mei 2023 is te Rotterdam beslag gelegd, zonder een beslagene aan te wijzen, op het volgende voorwerp:
- Personenauto, Volkswagen Golf, [kenteken].
Het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro.
Standpunt klager en standpunt officier van justitie
Het klaagschrift strekt tot teruggave van het voertuig aan de klager. Volgens klager is ten onrechte het voertuig in beslag genomen en wenst hij te worden aangemerkt als eigenaar van de auto.
De officier van justitie heeft op de terechtzitting haar schriftelijke standpunt gewijzigd. Zij heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager. Daartoe is gesteld dat uit het dossier blijkt dat de officier van justitie M. Kuik de teruggave van de inbeslaggenomen auto aan de eigenaar heeft gelast, omdat er geen strafrechtelijke grondslag meer is voor de inbeslagname. Tevens heeft de officier vastgesteld dat een ander dan klager de eigenaar betreft. Omdat deze beslissing reeds is genomen staat er geen beslag meer open waarop beslist kan worden.
Beoordeling klacht
De klager heeft op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift ingediend tegen de inbeslagname van de personenauto. Uit het dossier blijkt dat het Openbaar Ministerie reeds een last tot teruggave aan de eigenaar heeft gegeven omdat het belang van strafvordering zich niet verzet hiertegen. Een ander dan klager wordt aangemerkt als de eigenaar van de personenauto. Om die reden is het beslag geëindigd. Omdat uitsluitend kan worden beslist door de rechter op goederen waarop beslag rust, zal de klager niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de klager niet ontvankelijk in het beklag.”
3.4
Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. De wettelijke regeling ten aanzien van de raadkamerprocedure, die is neergelegd in art. 21 t/m 25 Sv, verbindt geen rechtsgevolg aan het verzuim te beslissen op een aanhoudingsverzoek met betrekking tot de behandeling in raadkamer. Wel kan een dergelijk verzuim onder omstandigheden vanwege strijd met de goede procesorde een reden zijn om de beschikking van de rechtbank te vernietigen. Of daarvoor aanleiding bestaat, hangt voornamelijk af van de vraag of het aanhoudingsverzoek is gemotiveerd en zo ja, op welke gronden het berust. [1]
3.5
De steller van het middel betoogt dat het verzuim een beslissing te nemen op het aanhoudingsverzoek in het onderhavige geval zodanige strijd met een goede procesorde oplevert, dat het nietigheid van het onderzoek door de rechtbank in raadkamer tot gevolg heeft. Daartoe voert hij allereerst aan dat het aanhoudingsverzoek voldoende gemotiveerd is, nu de raadsvrouw van de klager heeft aangegeven dat de klager ten tijde van de behandeling van de zaak gedetineerd zat en dat zijn transportorder niet goed zou zijn doorgekomen. Daarnaast voert hij aan dat de klager door de afwijzing van het aanhoudingsverzoek in zijn belangen is geschaad, omdat hij geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om in de raadkamer te worden gehoord en zijn standpunt ten aanzien van het beklag aan de rechtbank voor te leggen.
3.6
Voorts klaagt de steller van het middel dat voor zover de rechtbank kennelijk heeft geoordeeld dat de klager er geen belang meer bij had om te worden gehoord, omdat de enige mogelijke uitkomst was dat het beklag niet-ontvankelijk zou worden verklaard, dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans niet zonder meer begrijpelijk is. In dat verband wijst hij erop dat de klager in verband met de regeling van art. 116 lid 3 Sv Pro wel ontvankelijk in zijn beklag was geweest als de rechtbank hem zou hebben aangemerkt als beslagene. Als de klager zou zijn gehoord in raadkamer, had hij de mogelijkheid gehad om zijn standpunt aan de rechtbank voor te leggen ten aanzien van de vraag of hij als beslagene moest worden aangemerkt. Dat het openbaar ministerie de klager op 10 juli 2023 een bericht als bedoeld in art. 116 lid 3 Sv Pro heeft gestuurd, maakt het oordeel van de rechtbank dat de klager geen beslagene is niet onbegrijpelijk, maar laat wel zien dat de klager er belang bij had om te worden gehoord, aldus de steller van het middel.
3.7
Art. 116 lid 2 en Pro 3 Sv luidt:
“2. Indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen ten overstaan van de rechter-commissaris, de officier van justitie of een opsporingsambtenaar schriftelijk verklaart afstand te doen van het voorwerp, kan de hulpofficier van justitie of het openbaar ministerie:
a. het voorwerp doen teruggeven aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt;
b. gelasten dat het voorwerp ten behoeve van de rechthebbende in bewaring zal blijven, indien teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, nog niet mogelijk is;
c. in geval degene bij wie het voorwerp is in beslag genomen verklaart dat het hem toebehoort, gelasten dat daarmee wordt gehandeld als ware het verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.
3. Wordt een verklaring als bedoeld in het tweede lid niet afgelegd, dan kan het openbaar ministerie de beslissing onder a of b alsnog nemen, indien degene bij wie het voorwerp in beslag is genomen, zich niet binnen veertien dagen nadat het openbaar ministerie hem schriftelijk kennis heeft gegeven van het voornemen tot zodanige beslissing, daarover heeft beklaagd of het door hem ingestelde beklag ongegrond is verklaard. Op het beklag is titel IX van het Vierde Boek van overeenkomstige toepassing.”
3.8
Art. 134 lid 2 Sv Pro luidt:
“2. Het beslag wordt beëindigd doordat hetzij
a. het inbeslaggenomen voorwerp wordt teruggegeven, dan wel de waarde daarvan wordt uitbetaald;
b. het openbaar ministerie de last geeft als bedoeld in artikel 116, tweede lid, onder c;
c. de machtiging als bedoeld in artikel 117 is Pro verleend en het voorwerp niet om baat is vervreemd;
d. de bewaring ingevolge artikel 118, derde lid, door tijdsverloop is beëindigd en het voorwerp niet om baat is vervreemd.”
3.9
Uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer volgt dat de klager daar niet is verschenen. De raadsvrouw van de klager heeft verzocht om aanhouding in verband met de afwezigheid van de klager. Daartoe heeft zij slechts aangevoerd dat de klager gedetineerd zit en zijn transportorder niet goed zou zijn doorgekomen. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer en de beschikking van de raadkamer bevatten geen beslissing van de rechtbank op het verzoek tot aanhouding van de behandeling in raadkamer. Wel heeft de rechtbank, zo blijkt uit het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer, in reactie op het aanhoudingsverzoek van de raadsvrouw van de klager overwogen dat het allereerst de vraag is of nog beslag rust op de auto.
3.1
De rechtbank heeft vastgesteld dat op 25 mei 2023 een personenauto met het [kenteken] in beslag is genomen zonder dat een beslagene is aangewezen. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat het openbaar ministerie een last tot teruggave van de personenauto aan de eigenaar heeft gegeven en dat een ander dan de klager is aangemerkt als de eigenaar van de auto. Hieruit heeft de rechtbank afgeleid dat het beslag is geëindigd en dat de klager niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn klaagschrift.
3.11
Het feitelijke oordeel van de rechtbank dat de klager niet de beslagene is, is in cassatie als zodanig niet bestreden, zodat van de juistheid hiervan moet worden uitgegaan. Ik meen dat de rechtbank ook zonder de klager in raadkamer te horen tot deze vaststelling kon komen. Dat het openbaar ministerie op 10 juli 2023 – kennelijk abusievelijk – een in art. 116 lid 3 Sv Pro bedoelde schriftelijke kennisgeving heeft gestuurd naar de klager, maakt dit niet anders. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking.
3.12
Uit het proces-verbaal met nummer PL1700-2023162759-4, waarnaar de rechtbank blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer heeft verwezen en dat zich bevindt bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken, blijkt onder meer dat op 23 mei 2023 tijdens de briefing van de politie aandacht werd besteed aan het voertuig Volkswagen Golf met [kenteken], omdat dit een spookvoertuig zonder actuele tenaamstelling betrof en de bestuurder van het voertuig onveilig reed en meerdere verkeersovertredingen pleegde. Op 25 mei 2023 trof de verbalisant het voertuig geparkeerd aan en is het in beslag genomen. De klager heeft gesteld dat hij de eigenaar was, maar de officier van justitie achtte de bestanden waarmee hij wilde aantonen dat het voertuig van hem was onvoldoende om hem als eigenaar aan te merken. De eerdere kentekenhouder [betrokkene 1] heeft verklaard dat de auto zijn eigendom is en dat hij dit voertuig onder dreiging van een vuurwapen heeft moeten afstaan. Van dit incident bevinden zich mutaties en meldingen in het politiesysteem. De daarna geregistreerde kentekenhouder [betrokkene 2] heeft verklaard dat hij het voertuig in ruil voor drugs en geld op zijn naam heeft gezet, maar dat hij niet in het voertuig heeft gereden. Hij heeft aangifte gedaan van fraude. Kennelijk daarom is de registratie van het kenteken op zijn naam door de RDW doorgehaald. Ten tijde van de inbeslagneming van de auto was aldus geen actuele tenaamstelling van het voertuig voorhanden.
3.13
De vaststelling dat de klager niet de beslagene is, brengt mee dat de regeling van art. 116 lid 3 Sv Pro niet van toepassing is en dat het beklag niet opgevat hoefde te worden als een beklag over het voornemen van de officier van justitie tot teruggave aan en ander dan de beslagene, alsof deze teruggave nog niet had plaatsgevonden. Nu een last tot teruggave aan de rechthebbende was gegeven, was het beslag ingevolge art. 134 lid Pro 2, aanhef en onder a, Sv, op het moment van de beslissing op het klaagschrift reeds beëindigd en was de klager niet-ontvankelijk in zijn beklag. [2]
3.14
Het voorgaande brengt naar mijn mening mee dat het ontbreken van een beslissing op het verzoek tot aanhouding van de behandeling in raadkamer in het onderhavige geval geen strijd oplevert met de goede procesorde en evenmin grond oplevert voor vernietiging van de beschikking van de rechtbank. Het kennelijke oordeel van de rechtbank dat het niet op het aanhoudingsverzoek hoefde te beslissen, aangezien de klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag en hij dus geen belang had bij aanhouding van de zaak, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
3.15
Nu de rechtbank de klager terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in het beklag, kan de klager niet worden ontvangen in het cassatieberoep.
4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 18 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:615,
2.Vgl. HR 11 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1014, r.o. 2.5.