Conclusie
IInleiding
IIDe middelen
Het eerste middel en de bespreking daarvan
NJ2015/61, m.nt. Keulen en de navolgende overwegingen van de Hoge Raad:
Kamerstukken II, 1913/14, 286, nr. 3, p. 46). Volgens vaste jurisprudentie echter geldt het voorschrift van art. 360, eerste lid, Sv niet voor het gebruik van een verklaring door een getuige jonger dan zestien jaar afgelegd tegenover de politie, neergelegd in een ambtsedig proces-verbaal en noopt het bezigen van die verklaring voor het bewijs de rechter niet reeds tot het afleggen van verantwoording van het gebruik daarvan. Tegen deze achtergrond moet worden aanvaard dat de bij de Wet van 14 september 1995, Stb\. 441 inzake vormverzuimen gehandhaafde doch niet nader toegelichte nietigheid die het vierde lid van art. 360 Sv Pro stelt op het verzuim de in het eerste lid bedoelde motivering te geven, ‘onder omstandigheden’ buiten toepassing kan blijven ten aanzien van de getuige bedoeld in art. 216a, tweede lid, Sv.
Maar kijk, die jongeren die maken de gekste verhalen. En daar hebben ze een reden voor. Dus je weet gewoon niet wal waar is en wat niet waar is......”. Als zelfs een pedagogisch medewerkster die dagelijks met deze jongeren werkt zich aldus uitlaat, stelt de verdediging dat alle verklaringen onbetrouwbaar zijn en niet gebezigd kunnen en mogen worden voor redengevend bewijs, althans dat bij de waardering van bewijsmiddelen uiterste zorgvuldigheid betracht dient te worden, althans de verdediging verzoekt uw hof uitdrukkelijk te motiveren waarom een bepaalde verklaring als redengevend wordt beschouwd en hoe deze verklaring zich verhoudt tot de overige bewijsmiddelen.
toen pas [aangeefster] .) haar broek en onderbroek zou hebben uitgedaan. [aangeefster] verklaart tijdens het informatieve gesprek dat [verdachte] probeerde zijn geslachtsdeel er in te stoppen. Ze stribbelde tegen en ze moest hem pijpen. Hij kneep hard in haar nek. Maar bij de r-c verklaard ze dat het heel goed kan dat [verdachte] niet in de gaten had dat ze niet wilde.
[aangeefster]) ‘het’ vertelde volgens pedagogisch medewerkster [betrokkene 2] niet bij de het verhaal paste. [betrokkene 2] verklaart verder dat zij vragen aan [aangeefster] stelde. [betrokkene 2] zou hebben gezegd dat niemand het recht heeft om aan haar te zitten “
…Ook omdat ze ( [aangeefster] ) volgens mij toen ook vertelde over de andere momenten”, aldus [betrokkene 2] .
nou ja, ik ben expres details gaan vragen om te kijken... en dingen gaan herhalen wat je eigenlijk niet moet doen, want dat is meer een politie dingentje, om dingen... om te kijken of ze nog precies hetzelfde zei…”.
Als zij iets pakt kan zij het bij haar borsten verstoppen of verleidelijk naar jongens kijken. Zij zou verschillende jongens op de groep gevraagd hebben om seks. Toen zij 5 en 7 jaar was is zij seksueel misbruikt door haar broer of stiefvader.”
Hij probeerde mij ook te zoenen. Dat gebeurde tussen de gang en zijn kamer in.” Verzint [aangeefster] feiten of lopen gebeurtenissen door elkaar? Dan heb ik het niet eens over de aanloop naar het gebeuren. In de eerste verklaring viel haar horloge kapot op de grond.
Bewijsoverwegingen
Bewijsvoering
kanhebben plaatsgevonden en haar opmerking dat [aangeefster] “seksueel wervend” zou zijn, noopten daartoe in ieder geval niet. Evenmin een knelpunt is mijns inziens dat het hof niet expliciet is ingegaan op het ontbreken van DNA-sporen van de verdachte op andere plekken in of op het lichaam van [aangeefster] dan enkel op haar borst. In dit verband wijs ik er op dat de feitenrechter vrij is in de selectie en waardering van het bewijsmateriaal en voorts, dat als het betoog van de raadsvrouw als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 tweede Pro volzin Sv valt aan te merken, de feitenrechter bij de verwerping daarvan niet op elk detail van de argumentatie hoeft in te gaan. [21] Mede in het licht van het voorgaande is de bewezenverklaring naar mijn inzicht voldoende naar de eisen der wet met redenen omkleed.