ECLI:NL:PHR:2024:830

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 augustus 2024
Publicatiedatum
22 augustus 2024
Zaaknummer
23/03278
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 242 Sr (oud)Art. 495b SvArt. 488 lid 2 SvArt. 3 IVRKArt. 4 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in jeugdzakenverkrachting met bewijswaardering en motivering

Het gerechtshof Den Haag heeft verdachte, die het feit pleegde toen hij minderjarig was, veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie van vier maanden met een proeftijd van een jaar wegens verkrachting van een toen vijftienjarig meisje. De zaak werd in hoger beroep deels met gesloten deuren behandeld, maar de inhoudelijke zitting vond openbaar plaats nadat verdachte meerderjarig was geworden.

De verdediging stelde vier middelen van cassatie voor, waaronder een klacht over de openbare behandeling van de zaak, het gebruik van een verklaring van het minderjarige slachtoffer zonder bijzondere motivering, en het afwijzen van een verzoek tot benoeming van een rechtspsycholoog ter toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen. De advocaat-generaal concludeerde dat geen van de middelen slaagt.

De Hoge Raad oordeelt dat het ontbreken van behandeling achter gesloten deuren geen schending van het verdedigingsbelang oplevert omdat verdachte meerderjarig was en geen bezwaar maakte. Het hof mocht de verklaring van het minderjarige slachtoffer gebruiken zonder bijzondere motivering, mede omdat deze consistent was met andere verklaringen en het bewijs. Het verzoek om een rechtspsycholoog te benoemen werd terecht afgewezen omdat het hof de verklaringen zorgvuldig had gewogen en geen nieuwe feiten waren aangevoerd.

De bewezenverklaring is naar het oordeel van de Hoge Raad voldoende gemotiveerd, ondanks enkele tegenstrijdigheden en het ontbreken van DNA-sporen op andere plaatsen dan de borst. Het hof achtte het speeksel-DNA op de borst van het slachtoffer sterk steunbewijs. De Hoge Raad ziet geen reden tot vernietiging en wijst het cassatieberoep af.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot voorwaardelijke jeugddetentie blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03278 J
Zitting27 augustus 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
hierna: de verdachte

IInleiding

1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 17 augustus 2023 wegens “verkrachting” van de toen vijftienjarige [aangeefster] veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van vier maanden, met een proeftijd van één jaar. [1]
2. Namens de verdachte heeft M.W. Stoet, advocaat in 's‑Gravenhage, bij schriftuur en aanvullende schriftuur materieel vier middelen van cassatie voorgesteld. [2]

IIDe middelen

Het eerste middel en de bespreking daarvan

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof in strijd met art. 495b Sv j° art. 488 lid 2 Sv Pro en de artikelen 3, 4 en 40 lid 2 onderdeel vii van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) de zaak tegen de verdachte niet achter gesloten deuren heeft behandeld.
4. Alvorens het middel te bespreken, stel ik op grond van de in cassatie voorhanden stukken van het geding het volgende vast. De geboortedatum van de verdachte is [geboortedatum] 2005. Aan hem is tenlastegelegd dat hij het feit op 6 augustus 2019 heeft gepleegd. Op dat moment was hij minderjarig. De behandeling van de zaak in hoger beroep vond successievelijk plaats op 12 oktober 2022 (eerste regiezitting), 27 juni 2023 (tweede regiezitting) en 3 augustus 2023 (inhoudelijk). Blijkens de processen-verbaal van de terechtzittingen zijn beide regiezittingen gehouden met gesloten deuren en werd de zaak op 3 augustus 2023 in het openbaar inhoudelijk behandeld. Het proces-verbaal van deze laatste terechtzitting houdt niet in dat de voorzitter van de strafkamer een last tot openbare behandeling van de zaak heeft gegeven als bedoeld in art. 495b lid 2 Sv. De verdachte had op 17 mei 2023 de leeftijd van achttien jaar bereikt. Hij was dus reeds meerderjarig ten tijde van de tweede regiezitting en de terechtzitting waarop zijn zaak inhoudelijk is behandeld.
5. Ingevolge de artikelen 488 lid 2 Sv [3] en 495 b lid 1 Sv [4] in onderlinge samenhang bezien, geldt als uitgangspunt dat de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren wordt behandeld indien de verdachte ten tijde van het begaan van het tenlastegelegde feit de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt. [5] Ook de inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaak op 3 augustus 2023 had dus in beginsel met gesloten deuren behandeld moeten worden. Dit is niet gebeurd; in zoverre heeft de steller van het middel een punt.
6. Naar het mij voorkomt hoeft deze onvolkomenheid evenwel niet tot cassatie te leiden. Ten tijde van de inhoudelijke behandeling van de zaak op de terechtzitting van 3 augustus 2023 was de verdachte immers meerderjarig en blijkens het van deze terechtzitting opgemaakte proces-verbaal was de verdachte evenals zijn raadsvrouw toen en aldaar aanwezig. Niet valt in dit proces-verbaal te lezen dat door of namens de verdachte bezwaar is gemaakt tegen de openbare behandeling van de zaak, zodat in cassatie ervan kan worden uitgegaan dat de verdachte en zijn raadsvrouw dit geen probleem vonden. [6] Niet blijkt, en evenmin is in cassatie aangevoerd, dat de verdachte daardoor in zijn verdedigingsbelang is geschaad.
7. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
Het tweede middel en de bespreking daarvan [7]
8. Volgens het tweede middel heeft het hof ten onrechte voor het bewijs gebruikgemaakt van de door [aangeefster] [8] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring.
9. Het middel heeft klaarblijkelijk betrekking op het vierde bewijsmiddel, dat wil zeggen “Het proces-verbaal van verhoor getuige [aangeefster] van de raadsheer-commissaris d.d. 9 december 2022”. Dit proces-verbaal houdt in de verklaring, als bedoeld in art. 415 Sv Pro in verbinding met art. 360 lid 1 Sv Pro, die de toen vijftienjarige [aangeefster] tegenover de raadsheer-commissaris heeft afgelegd.
10. Ingevolge het langs de weg van art. 415 Sv Pro ook in hoger beroep toepasselijke art. 360 lid 1 Sv Pro dient voor het gebruik als bewijsmiddel van het proces-verbaal van een verhoor bij de raadsheer-commissaris, houdende de verklaring van een getuige die de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt en die op de wijze als voorzien in art. 216a lid 2 Sv is gehoord, de uitspraak in het bijzonder de reden te geven, en wel op straffe van nietigheid aldus 360 lid 4 Sv. De door dit voorschrift verlangde bijzondere motivering ontbreekt echter in het bestreden arrest van het hof.
11. Aanhaling verdient hier het arrest van HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1244,
NJ2015/61, m.nt. Keulen en de navolgende overwegingen van de Hoge Raad:
“2.6 Aan het voorschrift van art. 360 Sv Pro ligt blijkens de wetsgeschiedenis de gedachte ten grondslag dat de rechter aan getuigenissen die niet onder de waarborg van de eed zijn afgelegd, geen bewijskracht zal toekennen en dat daarom in het geval hij de verklaring van een slechts aangemaande getuige voor het bewijs bezigt van hem een bijzondere motivering wordt verwacht waarom hij die verklaring bewijskracht toekent (zie
Kamerstukken II, 1913/14, 286, nr. 3, p. 46). Volgens vaste jurisprudentie echter geldt het voorschrift van art. 360, eerste lid, Sv niet voor het gebruik van een verklaring door een getuige jonger dan zestien jaar afgelegd tegenover de politie, neergelegd in een ambtsedig proces-verbaal en noopt het bezigen van die verklaring voor het bewijs de rechter niet reeds tot het afleggen van verantwoording van het gebruik daarvan. Tegen deze achtergrond moet worden aanvaard dat de bij de Wet van 14 september 1995, Stb\. 441 inzake vormverzuimen gehandhaafde doch niet nader toegelichte nietigheid die het vierde lid van art. 360 Sv Pro stelt op het verzuim de in het eerste lid bedoelde motivering te geven, ‘onder omstandigheden’ buiten toepassing kan blijven ten aanzien van de getuige bedoeld in art. 216a, tweede lid, Sv.
2.7.
Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat in feitelijke aanleg de betrouwbaarheid van deze voor het bewijs gebezigde, tegenover de Rechter-Commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1] niet gemotiveerd is betwist, is in het onderhavige geval voor nietigheid van de bestreden uitspraak wegens de enkele niet-naleving van het voorschrift van art. 360, eerste lid, Sv, onvoldoende aanleiding.”
12. Anders dan in dit aangehaalde arrest van de Hoge Raad, is in de voorliggende zaak de betrouwbaarheid van de verklaringen van de betrokken persoon (hier: [aangeefster] ) wel door de verdediging betwist. [9] Toch meen ik dat ook in de voorliggende zaak het ontbreken van de bijzondere motivering als hier bedoeld niet tot cassatie hoeft te leiden. De inhoud van de tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [aangeefster] komt namelijk overeen met de twee andere voor het bewijs gebruikte verklaringen van haar, dat wil zeggen de verklaringen die zij tegenover de politie, zoals gerelateerd in de desbetreffende processen-verbaal, heeft afgelegd. [10] Gelet daarop, waarbij ik in aanmerking neem dat het vierde bewijsmiddel desnoods voor het bewijs kan worden ‘weggedacht’, kan het middel naar het mij voorkomt niet tot cassatie leiden wegens gebrek aan belang.
13. Dit middel is derhalve eveneens tevergeefs voorgesteld.
Het derde en het vierde middel
14. Het derde middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte bij de verwerping van een ter terechtzitting gedaan voorwaardelijk verzoek van de verdediging heeft volstaan met een verwijzing naar de motivering van eerdere, in een andere samenstelling genomen (afwijzende) beslissingen. Het vierde middel betreft mede gezien de toelichting daarop de (motivering van de) bewezenverklaring van hetgeen de verdachte ter zake van de verkrachting is tenlastegelegd en, in dat licht, mede de verwerping door het hof van het verweer van de verdediging dat de verklaringen van [aangeefster] onvoldoende betrouwbaar zijn. Deze middelen lenen zich mijns inziens voor gezamenlijke bespreking.
15. Hierboven merkte ik al op dat voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak op 3 augustus 2023 twee regiezittingen op 12 oktober 2022 en 27 juni 2023 hebben plaatsgevonden.
16. Tijdens de regiezitting van 12 oktober 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte verzocht een deskundige te (doen) benoemen “teneinde de waarachtigheid van de door [aangeefster] afgelegde verklaringen te kunnen toetsen”. [11] Nadat de advocaat-generaal bij het hof zich tegen de toewijzing van het verzoek had verzet – omdat volgens het standpunt van het openbaar ministerie het bij het toetsen van de betrouwbaarheid om een juridisch oordeel gaat en de verklaring van [aangeefster] niet op zichzelf staat en op onderdelen wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal –, heeft de raadsvrouw aan haar verzoek, voor zover hier van belang, nog het volgende toegevoegd:
“Het hof is geen gedragsdeskundige. [aangeefster] heeft een voorgeschiedenis van seksueel misbruik. Daar klemt het voor de verdediging. Gelet op de verklaring van [betrokkene 2] en de wijze waarop [aangeefster] heeft verklaard omtrent de gebeurtenissen handhaaft de verdediging haar verzoek om een deskundige te benoemen teneinde de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] te kunnen toetsen.” [12]
17. Het hof heeft dat verzoek afgewezen en daartoe overwogen:
“Het verzoek is gedaan vanwege de voorgeschiedenis van [aangeefster] en de verklaring van een getuige dat zij seksueel wervend gedrag zou vertonen. Deze onderbouwing is, naar het oordeel van het hof, onvoldoende om een onderzoek door een deskundige toe te kunnen wijzen. De verdediging wordt door het afwijzen van dit verzoek niet in haar belangen geschaad”. [13]
18. Op de daaropvolgende regiezitting (d.d. 27 juni 2023) hervat het hof – met instemming van de advocaat-generaal en de raadsvrouw – in gewijzigde samenstelling het onderzoek in de stand waarin het zich op het tijdstip van de schorsing op 12 oktober 2022 bevond. [14] De raadsvrouw handhaaft tijdens die zitting het verzoek om een rechtspsycholoog te benoemen ter toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] . [15] Ook dit verzoek heeft het hof afgewezen en als volgt gemotiveerd:
“het verzoek om een deskundige te benoemen, wordt afgewezen. Het hof overweegt dat beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster [16] een juridisch oordeel betreft en dat het op de weg van het hof ligt deze verklaringen zorgvuldig te wegen. Het hof acht het gelet hierop en de door de raadsvrouw gegeven onderbouwing van het verzoek niet noodzakelijk dat een rechtspsycholoog als deskundige wordt benoemd.” [17]
19. De inhoudelijke behandeling van de zaak op de terechtzitting van 3 augustus 2023 wordt in een weer andere samenstelling aangevangen. De raadsvrouw van de verdachte gaat op die terechtzitting overeenkomstig de voorgedragen en overgelegde pleitnota in op onder meer de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] en herhaalt het verzoek tot benoeming van een rechtspsycholoog, en wel als volgt (hier met weglating van de voetnoten): [18]
“2.1 [A]
Alle bewijsmiddelen dienen gewogen te worden tegen de achtergrond/context ( [A] ) waarbinnen de beschuldiging(en) zijn geuit en /of de problematiek van alle jongeren die verklaren in dit dossier. Die jongeren verbleven niet vrijblijvend in [A] . [A] was een gesloten jeugdzorginstelling voor kinderen met (ernstige) gedragsproblemen. In een snoeihard rapport hekelt de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd over de hulpverlening in [A] . [A] is gelukkig gesloten. [betrokkene 2] (pedagogisch medewerker) beschrijft de afdeling van [aangeefster] en cliënt, als een "'ongestructureerd zooitje. Over de geplaatste jongeren verklaart [betrokkene 2] : “
Maar kijk, die jongeren die maken de gekste verhalen. En daar hebben ze een reden voor. Dus je weet gewoon niet wal waar is en wat niet waar is......”. Als zelfs een pedagogisch medewerkster die dagelijks met deze jongeren werkt zich aldus uitlaat, stelt de verdediging dat alle verklaringen onbetrouwbaar zijn en niet gebezigd kunnen en mogen worden voor redengevend bewijs, althans dat bij de waardering van bewijsmiddelen uiterste zorgvuldigheid betracht dient te worden, althans de verdediging verzoekt uw hof uitdrukkelijk te motiveren waarom een bepaalde verklaring als redengevend wordt beschouwd en hoe deze verklaring zich verhoudt tot de overige bewijsmiddelen.
[…]
Volgens het OM staat de verklaring van [aangeefster] niet op zichzelf en wordt op onderdelen ondersteund door hetgeen [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en de groepsleiding hebben verklaard. De verdediging betwist voornoemd standpunt en wijst onderbouwd naar de onbetrouwbaarheid van de getuigenverklaringen en meer specifiek naar de vele tegenstrijdigheden in die verklaringen en vooral in de verklaring van [aangeefster] .
[…]
2.3
De gevolgen van het afwijzen van het verzoek van de verdediging om een gedragsdeskundige te benoemen.
Zonder oordeel van een gedragsdeskundige/rechtspsycholoog over de waarachtigheid/ betrouwbaarheid van de verklaringen en met name de verklaring van [aangeefster] in deze zaak stelt de verdediging dat de verklaringen niet gebruikt kunnen en mogen worden voor een bewezenverklaring, althans dat er ter toetsing van de betrouwbaarheid van die verklaringen een onderzoek door een rechtspsycholoog in de reden ligt, althans dat er op zijn minst een begin van aannemelijkheid is voor gerede twijfel aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen zoals steeds door de verdediging gemotiveerd uiteengezet. Uw Hof heeft het onderbouwde verzoek om een rechtspsycholoog te benoemen tot 2 maal toe niet gehonoreerd. Indien u overweegt om het ten laste gelegde bewezen te verklaren wordt het verzoek een rechtspsycholoog te benoemen hierbij (voorwaardelijk) herhaald.
[…]
2.4
Onbetrouwbaarheid van de aangifte, het informatieve gesprek met [aangeefster] en de overige getuigenverklaringen.
2.4.1
Een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
De verdediging heeft steeds gewezen op de bijzondere context, de persoonlijke omstandigheden van de getuigen en meer specifiek de beladen voorgeschiedenis (seksueel misbruik op jonge leeftijd) van [aangeefster] . Samen met de vele tegenstrijdigheden over de feiten en omstandigheden in de verklaringen is twijfel gerechtvaardigd.
Tegenstrijdigheden staan beschreven in de pleitnota in eerste aanleg. Ook de schriftelijke verzoeken aan het Hof om een rechtspsycholoog te benoemen zijn steeds onderbouwd met voorbeelden van tegenstrijdigheden. Kort stip ik een paar tegenstrijdigheden aan:
- Opvallend is dat [aangeefster] steeds een andere lezing geeft van de (volgorde van de) feiten en omstandigheden. De ene keer verklaart ze dat ze bevroor de andere keer dat ze tegenstribbelde. Dan weer verklaart ze dat [verdachte] haar broek en onderbroek naar beneden heeft getrokken en ook zijn broek naar beneden gedaan heeft als ze de kamer van [verdachte] binnenkomt om haar horloge te pakken. En [verdachte] zou toen geprobeerd hebben om hem (zijn piemel) er in te stoppen. Bij de r-c verklaart ze dat nadat [verdachte] haar meetrok en ze half op het bed of niet op het bed terecht kwamen hij (
toen pas [aangeefster] .) haar broek en onderbroek zou hebben uitgedaan. [aangeefster] verklaart tijdens het informatieve gesprek dat [verdachte] probeerde zijn geslachtsdeel er in te stoppen. Ze stribbelde tegen en ze moest hem pijpen. Hij kneep hard in haar nek. Maar bij de r-c verklaard ze dat het heel goed kan dat [verdachte] niet in de gaten had dat ze niet wilde.
Vooral opmerkelijk is dat er geen letsel of beschadigingen bij [aangeefster] zijn aangetroffen passend bij de door haar geschetste feitelijkheden. Er is geen DNA spoor aangetroffen in haar vagina of op andere plekken waar cliënt volgens [aangeefster] met zijn vingers of geslachtsdeel aan haar zou hebben gezeten. Op het DNA mengspoor dat alleen op haar rechterborst is aangetroffen kom ik zo terug. In de ene verklaring heeft [aangeefster] alleen toe moeten kijken in de wc hoe cliënt zich aftrok. Dan weer zou [verdachte] in de wc aan haar borsten hebben gelikt. En moest ze hem in de wc pijpen. De ene keer verklaart ze dat zij niet weg kon uit de wc omdat [verdachte] in de deuropening stond. Dan weer staat ze zelf in de deuropening van de wc en moet ze toekijken. Haar verklaringen kunnen uiteraard niet los gezien worden van de overige verklaringen in het dossier. Steeds is [aangeefster] de enige bron in een omgeving waar alle jongeren geplaatst zijn vanwege gedragsproblemen en waar onderling nogal wat geroddeld wordt. Over deze jongeren wordt verklaard dat ze de gekste verhalen vertellen. En waar de jongeren via de gang (grenzend aan de kamer van [verdachte] en de wc vrij van de huiskamer naar hun kamer konden gaan op het moment dat volgens [aangeefster] die vermeende feiten zich hebben voorgedaan.
Daar komt bij dat de emotie waarop zij (
[aangeefster]) ‘het’ vertelde volgens pedagogisch medewerkster [betrokkene 2] niet bij de het verhaal paste. [betrokkene 2] verklaart verder dat zij vragen aan [aangeefster] stelde. [betrokkene 2] zou hebben gezegd dat niemand het recht heeft om aan haar te zitten “
…Ook omdat ze ( [aangeefster] ) volgens mij toen ook vertelde over de andere momenten”, aldus [betrokkene 2] .
Wordt met “vertelde over de andere momenten” bedoeld dat [aangeefster] vertelde over haar ervaringen op seksueel gebied of over het misbruik in het verleden? Haalt [aangeefster] feiten en omstandigheden van heden en verleden door elkaar? De verdediging weet het niet maar vraagt het zich af.
[betrokkene 2] is expres details gaan vragen "
nou ja, ik ben expres details gaan vragen om te kijken... en dingen gaan herhalen wat je eigenlijk niet moet doen, want dat is meer een politie dingentje, om dingen... om te kijken of ze nog precies hetzelfde zei…”.
[aangeefster] verklaart dat haar beeld op zwart gaat als er zoiets gebeurt. Dat bepaalde functies niet meer werken. Deze informatie in combinatie met de vele tegenstrijdigheden roept vragen op naar de waarachtigheid van de verklaring van [aangeefster] , althans voeden de twijfel over de waarachtigheid zo zeer dat de verdediging stelt dat de verklaringen van [aangeefster] niet gebezigd kunnen en mogen worden als redengevend bewijs. Wat bedoelt [aangeefster] met “zoiets” en wat betekent het als bepaalde functies niet meer werken. Hoe werken haar zintuigen dan? Hoe waarheidsgetrouw is haar waarneming als het beeld op zwart gaat?
[…]
2.4.6
Informatief gesprek met [aangeefster] , en haar verklaring 6 februari 2020 indien uw Hof wel gebruik maakt van de verklaring van 6 februari 2020.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van [aangeefster] niet betrouwbaar zijn en niet gebruikt kunnen en mogen worden voor het bewijs op grond van het volgende.
De verklaringen van [aangeefster] kunnen niet los worden gezien van haar beladen en belaste voorgeschiedenis. [aangeefster] was heel jong (12 jaar) toen zij haar verklaringen aflegde. Volgens de pedagogisch medewerker van [A] die namens [aangeefster] aangifte doet is [aangeefster] in [A] geplaatst vanwege gedragsproblemen, zoals problemen met het accepteren van gezag en [aangeefster] zou seksueel wervend zijn. Zij zou uitdagend naar mannelijke groepsgenoten zijn. “
Als zij iets pakt kan zij het bij haar borsten verstoppen of verleidelijk naar jongens kijken. Zij zou verschillende jongens op de groep gevraagd hebben om seks. Toen zij 5 en 7 jaar was is zij seksueel misbruikt door haar broer of stiefvader.”
Daarnaast verklaart [aangeefster] dat zij al 2 jaar een relatie had op de basisschool en met kinderen van haar school al seks heeft gehad. Het is voorstelbaar dat haar seksuele ervaringen van eerder misbruik haar verklaringen beïnvloeden. Zij verklaart dat het gebeuren haar veel spanning geeft en dat zij daardoor veel moet terugdenken aan het trauma van vroeger. Het is, zo meent de verdediging, voorstelbaar dat haar trauma’s uit het verleden haar verklaringen kleuren.
Nog meer tegenstrijdigheden
- Zoenen
In haar eerste verklaring zou [verdachte] aan haar borsten hebben gezeten op het toilet en daar ook gezoend hebben. Met zijn mond aan haar borsten. In haar tweede verklaring zou [aangeefster] in de kamer van cliënt moeten stoppen met pijpen om cliënt tussendoor te zoenen. Pas als de verhoorders haar herinneren aan wat zij in haar eerste verklaring daarover gezegd zou hebben antwoordt [aangeefster] dat het wel zou kunnen kloppen maar dat zij het niet in één keer kan oprakelen.
Bij de r-c luidt haar verklaring weer anders.
... “
Hij probeerde mij ook te zoenen. Dat gebeurde tussen de gang en zijn kamer in.” Verzint [aangeefster] feiten of lopen gebeurtenissen door elkaar? Dan heb ik het niet eens over de aanloop naar het gebeuren. In de eerste verklaring viel haar horloge kapot op de grond.
In haar tweede verklaring zou cliënt haar horloge gepakt hebben en van haar hand af hebben getrokken. De verdediging stelt dat er gerede twijfels zijn of [aangeefster] de waarheid spreekt. Haar verklaringen dienen uiterst kritisch gewogen te worden. Het zijn vooral de tegenstrijdigheden tegen de achtergrond van haar verleden die twijfels voeden over de waarachtigheid van haar verklaring.
[…]
Mocht u onverhoopt een bewezen verklaring overwegen dan wordt voorwaardelijk het verzoek herhaald een rechtspsycholoog te benoemen ter beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen.”
20. In het bestreden arrest heeft het hof dienaangaande het volgende overwogen:

Bewijsoverwegingen
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verweer gevoerd tegen het bewijs in onderhavige zaak. Kortgezegd heeft zij betoogd dat de verklaringen van aangeefster [19] niet betrouwbaar zijn en dat wettig en overtuigend steunbewijs voor haar verklaringen ontbreekt.
Het hof overweegt dat de verschillende door aangeefster afgelegde verklaringen onderling consistent zijn en dat aangeefster op belangrijke punten steeds hetzelfde heeft verklaard. Zo verklaarde zij telkens hetzelfde over welke handelingen op welke plek in de inrichting waar zij en de verdachte verbleven, hebben plaatsgevonden. Ook heeft zij vanaf het begin verklaard dat de verdachte zijn geslachtsdeel in de vagina van aangeefster probeerde te stoppen, maar dat ze niet zeker wist of dat gelukt was. De verschillen die er zijn tussen de verklaringen van aangeefster, betreffen verschillen over niet-cruciale onderdelen van de verklaringen en zijn verschillen die te verwachten zijn als een persoon een aantal maanden later opnieuw wordt gehoord over dezelfde feiten. Het hof acht de verklaringen van aangeefster betrouwbaar.
Aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen draagt ook bij het steunbewijs dat het dossier bevat voor die verklaringen. In de twee bemonsteringen van de rechterborst van aangeefster waren aanwijzingen dat daar speeksel aanwezig was. In de bemonsteringen waren DNA-mengprofielen van minimaal twee personen aanwezig. Uit onderzoek naar het mengprofiel blijkt dat de resultaten van het DNA-onderzoek 1 miljard keer waarschijnlijker zijn als het mengprofiel afkomstig was van aangeefster en verdachte, dan als het afkomstig was van aangeefster en een willekeurige derde.
Het hof acht het niet aannemelijk, zoals geopperd door de raadsvrouw, dat het speeksel van de verdachte door indirecte overdracht of bij toeval, bijvoorbeeld tijdens het naast elkaar zitten tijdens het eten op de borst van aangeefster terecht is gekomen. Aangeefster heeft vanaf het eerste moment verklaard dat de verdachte haar op haar borsten had gezoend. De aanwezigheid van het speeksel van de verdachte op haar borsten acht het hof sterk steunbewijs voor haar aangifte.
Voorts heeft aangeefster verklaard dat een deel van de handelingen in de kamer van de verdachte hebben plaatsgevonden. Getuige [betrokkene 5] heeft verklaard dat ze aangeefster bij de verdachte op de kamer heeft gezien. [betrokkene 6] , pedagogisch medewerkster van de instelling waar aangeefster verbleef, heeft verklaard dat zij op 6 augustus 2019 werd aangesproken door een meisje – het hof begrijpt dat dit [betrokkene 5] was – dat zei dat er iets ergs gebeurd was met [aangeefster] . [betrokkene 2] , een collega van [betrokkene 6] , heeft toen met [aangeefster] gesproken. [aangeefster] vertelde wat er was voorgevallen en wat de verdachte had gedaan. [betrokkene 2] heeft als getuige bevestigd dat [aangeefster] haar toen heeft verteld wat er was voorgevallen. Hetgeen [aangeefster] toen verteld heeft aan [betrokkene 2] stemt overeen met wat zij later tegenover de politie heeft verklaard. De verklaringen van [betrokkene 5] , [betrokkene 6] er [betrokkene 2] ondersteunen dan ook de verklaringen van aangeefster.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte aangeefster heeft verkracht.
[…]

Bewijsvoering

[…]
Voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouwe tot benoeming van een rechtspsycholoog
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw haar verzoek herhaald om een rechtspsycholoog te benoemen ter beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen in het dossier. Dit verzoek is reeds op de zittingen van 12 oktober 2022 en 27 juni 2023 afgewezen. Het hof ziet ook thans geen aanleiding om het verzoek toe te wijzen en overweegt dat er geen nieuwe feiten on omstandigheden zijn aangevoerd, waardoor de eerdere afwijzingen anders zouden zijn komen te liggen en wordt het verzoek wegens gebrek aan noodzaak, wederom afgewezen.”
21. Op 3 augustus 2023 is het onderzoek ter terechtzitting wegens een gewijzigde samenstelling van het hof opnieuw aangevangen. Na de eerdere afwijzende beslissingen van het hof heeft de raadsvrouw op die terechtzitting haar (voorwaardelijk) verzoek tot het benoemen van een rechtspsycholoog gehandhaafd en herhaald. In zo’n geval dient de dan anders samengestelde kamer van rechtbank of hof het verzoek opnieuw te beoordelen en zij (die kamer) kan daarbij (dus) niet blindelings varen op de afwijzende beslissingen die de rechtbank of het hof eerder in een andere samenstelling heeft genomen, hetgeen uiteraard niet wegneemt dat de gronden waarop die eerdere beslissingen tot afwijzing van het verzoek steunen kunnen worden overgenomen. [20] In de onderhavige zaak heeft het hof bij de afwijzing van het laatste verzoek van de raadsvrouw tot benoeming van een gedragsdeskundige/rechtspsycholoog in verband met de beoordeling van de betrouwbaarheid van (de verklaringen van) [aangeefster] erop gewezen dat dit verzoek al tijdens twee eerdere zittingen is gedaan en toen is afgewezen. Die constatering brengt nog niet mee dat het hof daarmee die eerdere afwijzende beslissingen klakkeloos heeft overgenomen. Het hof overweegt immers voorts, dat het ook nu (“thans”, ook wel ‘bij deze stand van zaken’) tot een afwijzing komt en dat er bovendien geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die tot een andere beslissing nopen. Er zijn kortom naar het oordeel van het hof geen nieuwe gronden naar voren gebracht. Het hof heeft zijn oordeel dan ook gebaseerd op de tijdens de terechtzitting van 3 augustus 2023 aangevoerde feiten en omstandigheden. Kennelijk heeft het hof deze feiten en omstandigheden geplaatst naast de op eerdere terechtzittingen door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden en deze met elkaar vergeleken, en vervolgens overwogen dat, nu er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, de noodzaak voor benoeming van een rechtspsycholoog nog altijd ontbreekt. In zoverre berust het derde middel naar het mij toeschijnt op een onjuiste lezing van het arrest.
22. Wat de motivering van de bewezenverklaring en ’s hofs verwerping van het betrouwbaarheidsverweer betreft, merk ik het volgende op. De verdediging heeft uitvoerig verweer gevoerd met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] . Het hof is daar omgekeerd uitgebreid op ingegaan. De steller van het middel voert ter onderbouwing van het vierde middel aan: “De raadsvrouw had evenwel ook benoemd dat de ontmoeting tussen de twee evengoed vrijwillig kan hebben plaatsgevonden, terwijl bovendien niet verklaarbaar is dat er geen DNA-sporen zijn aangetroffen op andere plekken in of op het lichaam van aangeefster.” Het is niet problematisch dat het hof daar niet in zoveel woorden bij heeft stilgestaan. Het ‘argument’ van de raadsvrouw dat de ‘ontmoeting’ tussen de verdachte en [aangeefster] vrijwillig
kanhebben plaatsgevonden en haar opmerking dat [aangeefster] “seksueel wervend” zou zijn, noopten daartoe in ieder geval niet. Evenmin een knelpunt is mijns inziens dat het hof niet expliciet is ingegaan op het ontbreken van DNA-sporen van de verdachte op andere plekken in of op het lichaam van [aangeefster] dan enkel op haar borst. In dit verband wijs ik er op dat de feitenrechter vrij is in de selectie en waardering van het bewijsmateriaal en voorts, dat als het betoog van de raadsvrouw als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 tweede Pro volzin Sv valt aan te merken, de feitenrechter bij de verwerping daarvan niet op elk detail van de argumentatie hoeft in te gaan. [21] Mede in het licht van het voorgaande is de bewezenverklaring naar mijn inzicht voldoende naar de eisen der wet met redenen omkleed.
23. Zowel het derde als het vierde middel faalt.

IIISlotsom

24. Alle middelen falen.
25. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank van het tenlastegelegde feit vrijgesproken.
2.In de aanvullende schriftuur is enkel aan het vierde middel een klacht toegevoegd. Deze gaat over ’s hofs verwerping van het verweer dat de verklaring van de aangeefster onbetrouwbaar is.
3.Inhoudend: “De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op personen die ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, voor zover deze Titel geen afwijkende bepalingen bevat”.
4.De eerste volzin van art. 495 lid 1 Sv Pro luidt: “De zaak wordt achter gesloten deuren behandeld”.
5.Vgl. HR 8 juni 2004, ECLI::NL:HR:2004:AO8370,
6.Vgl. HR 8 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8370,
7.Ik geef er de voorkeur aan in dit geval het tweede middel te bespreken vóór het derde middel.
8.De steller van het middel rept telkens van de aangeefster. De aangifte is echter gedaan door [betrokkene 6] . Ik begrijp dat de steller van het middel telkens bedoelt (de verklaringen van) [aangeefster] .
9.Zie pleitnota, p. 5 e.v..
10.Het ‘proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden van de politie-eenheid Den Haag, d.d. 7 augustus 2019’ (bewijsmiddel 2) en het ‘proces-verbaal van verhoor getuige van de politie eenheid Den Haag, d.d. 6 februari 2020’ (bewijsmiddel 3).
11.Proces-verbaal van de terechtzitting van 12 oktober 2022, p. 2.
12.Proces-verbaal van de terechtzitting van 12 oktober 2022, p. 3.
13.Proces-verbaal van de terechtzitting van 12 oktober 2022, p. 5.
14.Overeenkomstig het bepaalde in art. 322 lid 3 Sv Pro.
15.Proces-verbaal van de terechtzitting van 27 juni 2023, p. 2-3.
16.Ik begrijp [aangeefster] .
17.Proces-verbaal van de terechtzitting van 27 juni 2023, p. 4-5.
18.Pleitnota, p. 3 e.v.
19.Ik begrijp wederom [aangeefster] .
20.Van Dorst en Borgers 2022, p. 21, onder verwijzing naar HR 16 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0220,
21.Zie onder meer HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413 en HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,