Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
27 mei 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor het opzettelijk mishandelen en bedreigen van zijn kinderen. Het hof had als bewijsmiddel onder meer het proces-verbaal van een verklaring van een toen twaalfjarige getuige gebruikt, zonder de vereiste bijzondere motivering te geven voor het gebruik van deze verklaring.
De verdachte stelde dat de bewezenverklaringen onvoldoende waren gemotiveerd omdat het hof niet had toegelicht waarom het proces-verbaal van de minderjarige getuige als bewijsmiddel was gebruikt. De Hoge Raad overwoog dat volgens vaste jurisprudentie en wetsgeschiedenis het vereiste van bijzondere motivering onder omstandigheden buiten toepassing kan blijven voor verklaringen van getuigen jonger dan zestien jaar, mits deze verklaring betrouwbaar is en niet gemotiveerd is betwist.
Gezien het feit dat de betrouwbaarheid van de verklaring niet gemotiveerd was betwist en de wettelijke bepalingen omtrent de getuigenverklaring waren nageleefd, oordeelde de Hoge Raad dat het ontbreken van de bijzondere motivering niet tot nietigheid van het arrest leidt. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het gebruik van de verklaring van de minderjarige getuige is toelaatbaar ondanks het ontbreken van bijzondere motivering.