Conclusie
1.Inleiding en overzicht
onroerendezaakbelasting voor gebruikers(gebruikersbelasting) als bedoeld in art. 220(a) Gemeentewet. Aan belanghebbende is een aanslag gebruikersbelasting voor het jaar 2022 opgelegd ter zake van een onroerende zaak waarin belanghebbende een bioscoop exploiteert. De vraag die zich hier voordoet is in de kern of belanghebbende als belastingplichtige kan worden aangemerkt voor de gebruikersbelasting, in aanmerking genomen dat belanghebbende de onroerende zaak op de peildatum
1 januari 2022niet kon gebruiken op de door haar beoogde wijze als gevolg van de van toepassing zijnde
corona-maatregelen.
gemeenschappelijke bijlage(de Bijlage).
Rechtbankheeft geoordeeld dat hoewel belanghebbende de onroerende zaak niet kon gebruiken voor de beoogde commerciële activiteiten door de corona-maatregelen, belanghebbende op 1 januari 2022 gebruiker was in de zin van art. 220(a) Gemeentewet. De Rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de onroerende zaak steeds volledig als bioscoop was ingericht, wat zij aanmerkt als opslag in de onroerende zaak van meubilair en dergelijke ten behoeve van het zo snel mogelijk weer toelaten van publiek. Verder heeft zij in aanmerking genomen dat de onroerende zaak in een zodanige staat werd gehouden (door eventueel noodzakelijk onderhoud en schoonmaak) dat de bioscoop bij opheffing van de coronabeperkingen meteen weer voor het publiek kon worden opengesteld.
twee middelenvoorgesteld. Het eerste middel klaagt erover dat “de rechtbank heeft beslist dat sprake is van belastingplichtig gebruik omdat het feit dat de bioscoop op 1 januari 2022 niet actief was leeggehaald leidt tot opslag in de onroerende zaak en belanghebbende de zaak daardoor metterdaad kon bezigen ter bevrediging van eigen behoeften”. Het tweede middel houdt in dat onbegrijpelijk is de passage ‘door eventueel noodzakelijk onderhoud en schoonmaak’ aangezien daarvoor geen basis is in de processtukken of het onderzoek ter zitting.
onderdeel 4van deze conclusie aan de hand van de analyse in de Bijlage. Het eerste middel faalt naar mijn mening. Het middel richt zich op de ‘opslag’-tussenstap in de redenering van de Rechtbank, maar die tussenstap lijkt mij niet nodig, waardoor het middel zijn doel niet kan bereiken. In aanmerking genomen dat belanghebbende het pand als bioscoop exploiteert, dat het pand op de peildatum was ingericht als bioscoop en dat belanghebbende het oogmerk had om de bioscoop (zo snel mogelijk) weer open te stellen voor publiek zodra dat mogelijk was, heeft belanghebbende het pand in gebruik op de peildatum en is daarmee op de peildatum gebruiker in de zin van art. 220(a) Gemeentewet. Gelet daarop kan ook het tweede middel niet tot cassatie leiden.
ongegrond.
2.De feiten en oordeel van de Rechtbank
3.Het geding in cassatie
eerstecassatiemiddel luidt als volgt:
tweedecassatiemiddel luidt:
4.Bespreking van de cassatiemiddelen
Het eerste middel
secop de peildatum. Bij de beoordeling ‘naar de omstandigheden’ op de peildatum kan ook acht worden geslagen op andere omstandigheden dan die zich feitelijk voordoen op de peildatum (Bijlage, punt 5.18).
secop de peildatum zou moeten worden aangewezen, bestaat dat gebruik in het ingericht hebben van het pand als bioscoop om het na beëindiging van de corona-maatregelen te gebruiken als bioscoop (vgl. Bijlage, punt 5.22).