Conclusie
Nummer22/01640 P
Inleiding
Het eerste middel
De toelichting op het eerste middel
De bespreking van het eerste middel
Het hof baseert zich bij deze berekening op eenzelfde berekening als de raadsman in zijn pleitnota.”
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een ontnemingsvordering tegen de betrokkene die door het hof Amsterdam werd veroordeeld tot betaling van € 293.028,48 aan wederrechtelijk verkregen voordeel uit mensenhandel. Het hof had de duur van gijzeling bij niet-betaling vastgesteld op 360 dagen.
De betrokkene stelde cassatie in tegen de hoogte van het voordeel en de berekening van de gemaakte kosten, alsmede tegen de motivering van het oordeel over de redelijke termijn in feitelijke aanleg. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel slaagt omdat het hof onterecht de kosten naar evenredigheid had verminderd, waardoor de berekening niet correct was. Het tweede middel faalt omdat de klacht over de aanname van vier weken per maand niet gegrond is.
Het derde middel is gegrond omdat het hof de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg niet heeft betrokken in zijn oordeel over de termijn in hoger beroep, terwijl dit wel vereist is. Daarom is het arrest vernietigd en is de zaak terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling. De Hoge Raad wijst ook op de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie zelf.
Uitkomst: Het arrest van het hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen wegens onjuiste kostenberekening en onvoldoende motivering over de redelijke termijn.