ECLI:NL:PHR:2024:341

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 2024
Publicatiedatum
25 maart 2024
Zaaknummer
22/00831
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e lid 9 SrArt. 36f SrArt. 6:6:26 SvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid cassatie in ontnemingszaak wegens niet-voorgelegd verweer

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank Rotterdam deels vernietigd en het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €158.957,78, met een betalingsverplichting aan de staat van hetzelfde bedrag. De betrokkene stelde in cassatie dat het hof ten onrechte niet had verminderd met een reeds geïnde schadevergoedingsmaatregel van €3.000,00, zoals voorgeschreven in artikel 36e lid 9 Sr.

De Hoge Raad overweegt dat de toepassing van artikel 36e lid 9 Sr een feitelijke beoordeling betreft die aan de feitenrechter moet worden voorgelegd. Omdat deze kwestie niet bij het hof is ingebracht, kan deze niet in cassatie worden behandeld. De klacht faalt derhalve.

Daarnaast merkt de Hoge Raad ambtshalve op dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, maar dat dit slechts wordt geconstateerd zonder verdere sancties.

De conclusie van de procureur-generaal is dat het cassatieberoep moet worden verworpen en dat er geen gronden zijn voor vernietiging van het arrest van het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het middel niet eerder aan het hof is voorgelegd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00831 P

Zitting26 maart 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de betrokkene.

Inleiding

1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 9 maart 2022 het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2020 vernietigd wat betreft de duur van de gijzeling en bepaald dat de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd 1080 dagen bedraagt. Het gerechtshof heeft het vonnis voor het overige met aanvulling van gronden bevestigd. De rechtbank Rotterdam had bij het genoemde vonnis het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 158.957,78 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene en S. van den Akker, R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel en de toelichting daarop

3. Het middel keert zich – kort gezegd – tegen de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting aan de staat.
4. Daartoe wordt aangevoerd dat in het uittreksel justitiële documentatie d.d. 7 februari 2022 valt te lezen dat aan de betrokkene in de samenhangende strafzaak een schadevergoedingsmaatregel van € 3000,00 is opgelegd en daarbij vermeld staat: “
Executie: Geïnd door derden: de gerechten, griffie”. Hieruit kan worden opgemaakt dat de schadevergoedingsmaatregel ten uitvoer is gelegd en dat het toegewezen bedrag is geïncasseerd.
5. Het hof heeft ten onrechte nagelaten het reeds voldane bedrag aan schadevergoeding conform artikel 36e lid 9 Sr in mindering te brengen op het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Het arrest kan derhalve niet in stand blijven, aldus de stellers van het middel.

De beoordeling van het middel

6. In de toelichting op het middel wordt met juistheid aangevoerd dat noch het bestreden arrest, noch het door het hof bevestigde vonnis – op de voet van artikel 36e lid 9 Sr – melding maakt van de vermindering van het geschatte voordeel met het bedrag van een bij schadevergoedingsmaatregel opgelegde verplichting.
7. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 februari 2022 en de op die terechtzitting voorgedragen pleitnota is
nietaan het hof voorgelegd dat een met het oog op schadevergoeding geïnd bedrag in mindering moet worden gebracht op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
8. Op grond van artikel 36e lid 9 Sr wordt bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, de aan een benadeelde derde in rechte toegekende vordering alsmede de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f Sr voor zover die zijn voldaan, in mindering gebracht. [1] Bij toepassing daarvan komen slechts in aanmerking de in rechte onherroepelijk toegekende vorderingen van benadeelde partijen, die strekken tot vergoeding van hun schade als gevolg van het feit waarop de ontnemingsvordering (mede) steunt, indien en voor zover tegenover die schade een daarmee corresponderend voordeel voor de betrokkene staat. [2]
9. De vraag of aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 36e lid 9 Sr is voldaan, is van feitelijke aard. De toepasselijkheid van deze bepaling zal ten overstaan van de feitenrechter moeten worden aangevoerd zodat de feitenrechter de mogelijkheid heeft om zich daarover een oordeel te vellen. Zulke kwesties kunnen niet voor het eerst in cassatie worden opgeworpen.
10. Nu de kwestie waarop de klacht betrekking heeft niet (bij wijze van verweer of anderszins) aan het hof is voorgelegd, is het middel tevergeefs voorgesteld. Ten overvloede wijs ik de stellers van het middel op de gang naar de in artikel 6:6:26 Sv Pro bedoelde rechter. [3]

Ambtshalve opmerking over de redelijke termijn in cassatie

11. Ambtshalve merk ik op dat namens de betrokkene cassatie is ingesteld op 10 maart 2022. Dat betekent dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Daarmee is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro geschonden. Ik stel voor dat met de enkele constatering van dit verzuim kan worden volstaan.

Slotsom

12. Het middel faalt en kan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
13. Ik heb geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1744,
2.HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2496,
3.Vgl. HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:970,