De verdachte werd door het hof veroordeeld wegens diverse overtredingen van de Wegenverkeerswet en schuldheling, met een taakstraf en ontzegging rijbevoegdheid. Het hof kende aan de benadeelde partij een schadevergoeding toe van ruim €24.000, waarvan €20.000 voor immateriële schade, en legde een schadevergoedingsmaatregel op met gijzeling tot 90 dagen.
De advocaat-generaal stelt dat het arrest innerlijk tegenstrijdig is omdat het hof in de overwegingen de gijzeling op 0 dagen stelt vanwege de minderjarigheid van de verdachte, maar in het dictum 90 dagen vermeldt. Dit wordt gezien als een kennelijke misslag die de Hoge Raad zelf kan herstellen door de gijzeling op 0 dagen te bepalen.
Daarnaast klaagt de benadeelde partij over de gedeeltelijke afwijzing van haar vordering tot immateriële schadevergoeding. De Hoge Raad overweegt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het afgewezen deel van de vordering ongegrond is, terwijl het letsel ernstig is en het herstel onzeker. Dit leidt tot vernietiging van dat deel van het arrest en de suggestie dat het resterende deel niet-ontvankelijk verklaard wordt.
Het tweede middel van de verdachte over overschrijding van de cassatietermijn wordt verworpen omdat de stukken tijdig zijn ingediend. De conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging van het arrest en tot verwerping van het beroep voor het overige.