Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
[belanghebbende],
Het middel
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een lading van 717 kilogram verpulverde bast van de Mimosa Hostilis, een plant die van nature de verboden stof DMT bevat, onder lijst I van de Opiumwet valt en daarmee vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. De rechtbank Noord-Holland had geoordeeld dat het drogen en vermalen van de boomschors een bewerking vormt, waardoor het poeder als een preparaat onder de Opiumwet valt.
De belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel, stellende dat drogen en vermalen ten onrechte als bewerking waren aangemerkt. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde echter dat de rechtbank terecht aansluiting had gezocht bij het normale spraakgebruik van het begrip bewerken en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin drogen en vermalen expliciet als bewerking werden erkend.
De Hoge Raad bevestigde dat de plant zelf niet op lijst I staat, maar dat de bewerkte vorm, hier poeder, wel als verboden middel geldt. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de onttrekking aan het verkeer van de lading werd bekrachtigd. De uitspraak benadrukt het belang van de bewerking van natuurlijke plantenbestanddelen om te bepalen of sprake is van een verboden middel onder de Opiumwet.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de onttrekking aan het verkeer van de gedroogde en vermalen Mimosa Hostilis blijft in stand.