Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
3.Het tweede middel
[slachtoffer]:
[betrokkene 1]:
de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 31 januari 2020.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid op grond van het vastpakken van de borst van de aangeefster in juni 2018. De verdachte betwistte de aantijgingen en stelde dat hij de aangeefster slechts wilde aanspreken om de weg te vragen. Een getuige bevestigde de verklaring van de aangeefster, maar kon niet worden gehoord tijdens het hoger beroep omdat zij in de Verenigde Staten verbleef en niet kon worden getraceerd.
De verdediging klaagde in cassatie dat het gebruik van de getuigenverklaring in strijd was met artikel 6 EVRM Pro omdat de verdachte geen mogelijkheid had gehad tot ondervraging van de getuige. De Hoge Raad oordeelde dat de verdediging onvoldoende initiatief had genomen om de getuige alsnog te laten horen tijdens de terechtzitting, waardoor deze klacht niet ontvankelijk was.
Daarnaast bestreed de verdediging de bewezenverklaring en stelde dat de gedraging niet ontuchtig was en dat de verdachte geen opzet had. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het vastpakken van de borst objectief bezien een ontuchtige handeling is die in strijd is met sociaal-ethische normen.
De Hoge Raad concludeerde dat de bewezenverklaring voldoende is gemotiveerd en dat het cassatieberoep moet worden verworpen. De veroordeling tot een geheel voorwaardelijke taakstraf blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot een geheel voorwaardelijke taakstraf blijft in stand.