ECLI:NL:PHR:2023:593

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2023
Publicatiedatum
15 juni 2023
Zaaknummer
21/04900
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416/1/A SrArt. 27 SrArt. 29 lid 1 SvArt. 6 lid 2 EVRMArt. 6, eerste lid, EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor opzetheling gestolen personenauto ondanks betwisting kennelijke leugenachtigheid verklaring

De verdachte werd veroordeeld voor opzetheling van een gestolen Jeep Renegade, die hij zonder autosleutel bestuurde. Het hof achtte bewezen dat verdachte wist dat de auto gestolen was, mede vanwege het gehavende sleutelgat en het ontbreken van een sleutel bij verdachte.

Verdachte gaf een verklaring over de herkomst van de auto die het hof ongeloofwaardig achtte en niet verifieerbaar vond. Hoewel het hof sprak over een verklaring die 'kennelijk gericht is op het bemantelen van de waarheid', werd deze niet als kennelijk leugenachtig aangemerkt of als bewijsmiddel gebruikt.

In cassatie werd betoogd dat het hof het bewijs onvoldoende had gemotiveerd en de verklaring onterecht als kennelijk leugenachtig had bestempeld. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de verklaring niet als bewijsmiddel gebruikte, maar als een omstandigheid in de bewijsredenering, en dat het oordeel voldoende was gemotiveerd.

Een ander middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn, maar dit leidde niet tot cassatie. De conclusie van de procureur-generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee de veroordeling in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor opzetheling met een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/04900
Zitting9 mei 2023

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 16 november 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens ‘opzetheling’ veroordeeld tot 4 weken gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft voorts de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt, S. van den Akker en M.J. van Berlo, allen advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof zijn oordeel ten aanzien van de kennelijke leugenachtigheid van verdachtes verklaring(en) niet op een wettig bewijsmiddel heeft gebaseerd, althans zijn oordeel daaromtrent niet nader heeft gemotiveerd.
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘hij op 26 november 2020 in Nederland een personenauto, een Jeep, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde personenauto wist dat het een door diefstal verkregen goed betrof.’
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘1. Een niet ondertekend proces-verbaal aangifte met goederenbijlage (…) van 25 november 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door.de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (…):
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 25 november 2020 tegenover verbalisant telefonisch afgelegde verklaring van
[aangever]:
Ik ben eigenaar van een personenauto, merk Jeep, type Renegade, wit van kleur met een zwart dak, voorzien van kenteken [kenteken] .
Op zaterdag 21 november 2020, omstreeks 13:00 uur, heb ik de personenauto geparkeerd bij mijn woning aan de [a-straat 1] in [plaats] , op de openbare weg. Ik heb de personenauto afgesloten met de afstandsbediening op de sleutel, ik zie dan de knipperlichten knipperen en weet dan dat de auto goed is afgesloten.
Op woensdag 25 november 2020, omstreeks 12.00 uur, zag ik dat de personenauto door onbekenden was weggenomen. Bij navraag bleek dat mijn partner de auto op dinsdag, 24 november 2020, omstreeks 16:30 uur, ook al niet meer had gezien.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit."
Korte opmerking verbalisant:
De aangever heeft telefonisch aangifte gedaan, vervolgens is de verklaring ter controle naar de aangever gemaild en heeft hij deze verklaring doorgelezen en bevestigd.
2. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 26 november 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisanten (of één van hen):
Op donderdag 26 november 2020 waren wij, verbalisanten, belast met een actie op de A2 tussen Amsterdam en Utrecht. Wij waren deze dienst gekleed in burger en reden in een onopvallend politievoertuig. Tijdens deze actie maakten wij gebruik van ANPR-camera’s welke opgesteld stonden bij Abcoude op de A2 rechts.
Om 16:32 kwam er een voertuig door de ANPR-camera’s voorzien van kenteken [kenteken] . Dit betrof een witte Jeep welke de code A87 had. Dit betekent dat het voertuig als gestolen geregistreerd staat. Op het moment van passeren van de camera stonden wij bij tankstation Shell Haarrijn lang de A2 bij Breukelen. Wij hadden constant zicht op de A2 en zagen het voertuig niet passeren. Wij hoorden van collega's dat ze tot aan Maarssen de A2 hadden afgereden en het voertuig niet hadden aangetroffen. Wij zijn vervolgens teruggereden naar de voorzijde van het tankeiland en zagen daar bij pomp 23 de Jeep staan. Wij zagen dat het voertuig leeg en verlaten was. Wij zijn vervolgens achter het voertuig gaan staan. Na enkele minuten zagen dat er een man aan kwam lopen naar het voertuig. Wij zagen dat de man geheel in het zwart gekleed was en zwart krullend haar had. Tevens zagen wij dat de man een baard had. Wij zagen dat de man het voertuig instapte.
Hierop hebben wij ons dienstvoertuig direct voor de Jeep geparkeerd. Vervolgens zijn wij uitgestapt en naar de Jeep gelopen. Wij hebben direct het portier geopend en luidkeels geroepen dat wij van de politie waren en dat de man was aangehouden.
Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] .
Voertuig(en): personenauto, Jeep Renegade kleur wit, kenteken [kenteken] , bouwjaar 2015.
3. Een proces-verbaal aanhouding verdachte (…) van 25 november 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 2] (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisanten (of één van hen):
Op donderdag 26 november 2020 omstreeks 16:47 uur, hielden wij op de locatie A2 Haarrijn ter hoogte van hectometerpaal 52.0 rechter rijbaan, Breukelen, binnen de gemeente Stichtse Vecht (Shell tankstation), als verdachte aan: [verdachte] geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] .
Grond aanhouding
Op heterdaad als verdachte van overtreding van artikel 416/1/A Wetboek van Strafrecht.
4. Een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen (…) van 27 november 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisant:
Op vrijdag 27 november 2020 omstreeks 13:00 uur heb ik een onderzoek ingesteld en het volgende bevonden.
Ik heb telefonisch contact opgenomen met het bedrijf [A] BV. De auto (het hof begrijpt, zoals op de foto op blz. 12 is te zien: de Jeep Renegade, kleur wit, met kenteken [kenteken] ) is gesloten gesleept naar het bedrijf.
Ik heb gesproken met de medewerker [betrokkene 1] . Ik heb de medewerker gevraagd of hij kan kijken of er schade is aan het slot van de auto, en hiervan foto's kan maken.
De medewerker heeft foto's gemaakt van de betreffende auto en naar mij gestuurd. De medewerker heeft volgende waargenomen en medegedeeld:
“Het portier LV (het hof begrijpt: linksvoor) heeft als enige portier wel een sleutelgat en die ziet er enigszins gehavend uit.”
5. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 27 november 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisant:
Op vrijdag 27 november 2020 te 19.15 uur sprak ik verbalisant [verbalisant 5] telefonisch met [betrokkene 2] , opsporingsambtenaar van de Nationale Politie en dienstdoende bij het Team Landelijke Eenheid. Deze verklaarde mij desgevraagd betrokken te zijn geweest bij de aanhouding van de verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1999. Deze persoon was aangehouden ter zake heling van een van diefstal afkomstige auto voorzien van het kenteken [kenteken] . Desgevraagd verklaarde [betrokkene 2] aan mij, verbalisant [verbalisant 5] , het navolgende:
"Bij de aanhouding van [verdachte] hebben wij geen sleutels onder hem inbeslaggenomen. De sleutels die hij bij zich had zijn ingenomen en bij de goederen gedaan die bij hem zijn ingenomen tijdens de insluitingsfouillering. Geen van de sleutels die hij bij zich had behoorde bij de auto waarin hij reed.”
6. Een proces-verbaal van bevindingen (…) van 27 november 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 6] (…).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
mededeling van verbalisant:
De verdachte had geen autosleutel van de Jeep in zijn fouillering zitten.’
6. Het hof heeft de volgende bewijsoverweging opgenomen:
‘De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht de verdachte vrij te spreken wegens gebrek aan bewijs, subsidiair te veroordelen wegens schuldheling.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.
De verdachte is aangetroffen in een gestolen auto, terwijl hij niet over de sleutel van de auto beschikte. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de politie, waaruit naar voren komt dat onder de verdachte geen sleutel van deze auto in beslag is genomen. Daarnaast zag het sleutelgat van het portier linksvoor er enigszins gehavend uit. Deze feiten en omstandigheden zijn redengevend voor het bewijs van het ten laste gelegde.
De verdachte heeft geen geloofwaardige, hem ontlastende verklaring gegeven over hoe hij aan de auto is gekomen en die voornoemde redengevendheid zou kunnen ontzenuwen. Hij heeft verklaard de auto in Amsterdam te hebben ontvangen van ene [naam] , die hij via een kennis zou kennen en van welke [naam] hem geen verdere persoonsgegevens bekend zouden zijn. Die zouden bekend zijn bij de hiervoor bedoelde kennis, wiens gegevens de verdachte desgevraagd weigert te verstrekken. Op deze wijze maakt de verdachte zijn verklaring niet verifieerbaar. Nu het dossier ook overigens geen enkel aanknopingspunt bevat dat steun biedt aan verdachtes verklaring, beschouwt het hof deze verklaring als ongeloofwaardig en kennelijk gericht op het bemantelen van de waarheid.
Op grond hiervan, in onderlinge samenhang met de hierna opgenomen bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto wist dat deze van diefstal afkomstig was.’
7. De stellers van het middel voeren aan dat uit het arrest volgt dat het hof ten aanzien van het bewijs van de bewezenverklaarde opzetheling relevant heeft geacht dat de verdachte een ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd die kennelijk gericht is op het bemantelen van de waarheid. Het hof zou zijn oordeel ten aanzien van de kennelijke leugenachtigheid niet op een wettig bewijsmiddel hebben gebaseerd, althans zijn oordeel daaromtrent niet nader hebben gemotiveerd door bijvoorbeeld te verwijzen naar andere specifiek aangeduide onderdelen van de bewijsvoering. Om die reden zou de bewezenverklaring onvoldoende met redenen zijn omkleed.
8. Uw Raad heeft in een arrest van 20 december 2022 het volgende overwogen: [1]

3. Voorafgaande beschouwing over het bij het oordeel over de bewezenverklaring betrekken van een onaannemelijke of onwaar gebleken verklaring van de verdachte
3.1
De rechter kan bij het oordeel of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, betekenis toekennen aan de omstandigheid dat de verdachte een verklaring heeft afgelegd die onaannemelijk is of onwaar is gebleken. Dit kan op verschillende wijzen vorm krijgen.
3.2.1
Voor de motivering van het bewijsoordeel in strafzaken kan, naast de opsomming of de aanduiding van de gebruikte bewijsmiddelen, ook de bewijsredenering van de rechter van belang zijn. In de loop van de jaren heeft de bewijsredenering een meer belangrijke plaats gekregen in het geheel van de bewijsmotivering.
3.2.2
In de rechtspraak van de Hoge Raad komt tot uitdrukking dat bij het oordeel of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, in bepaalde gevallen betekenis kan toekomen aan de omstandigheid dat een aannemelijke verklaring van de verdachte voor een – in het licht van het tenlastegelegde – relevante omstandigheid is uitgebleven. Gewezen kan bijvoorbeeld worden op de rechtspraak waarin tot uitdrukking komt dat het uitblijven van een aannemelijke verklaring voor het voorhanden hebben van gestolen goederen, van betekenis kan zijn voor het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal (vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315 en HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022). Genoemd kan ook worden de rechtspraak over gevallen waarin een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken (een alternatief scenario). Als de rechter in zo’n geval tot een bewezenverklaring komt, moet hij in beginsel die aangedragen alternatieve gang van zaken weerleggen. Dat kan onder meer door te overwegen dat en waarom de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld dan wel dat en waarom de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht (anderszins) niet aannemelijk is geworden. (Vgl. HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359.)
3.2.3
De rechter kan bij het oordeel of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, ook de omstandigheid betrekken dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden. Het gaat daarbij om een vorm van het in de beoordeling betrekken van de procesopstelling van de verdachte die tot op zekere hoogte verwant is aan het onder 3.2.2 besproken toekennen van betekenis aan het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte voor een – in het licht van het tenlastegelegde – relevante omstandigheid.
De op dit punt relevante rechtspraak van de Hoge Raad houdt in dat de weigering om een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op artikel 29 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering en artikel 6 lid 2 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, niet tot het bewijs kan bijdragen. De rechter mag echter bij zijn bewijsoordeel wel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. (Vgl. onder meer HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97.)
3.2.4
In voorkomende gevallen kan het afleggen door de verdachte van een onwaar gebleken verklaring worden beschouwd als het geven van een lezing die als onaannemelijk of ongeloofwaardig heeft te gelden, of worden gelijkgesteld aan het uitblijven van een aannemelijke verklaring, zodat ook aan het afleggen van een onwaar gebleken verklaring betekenis kan toekomen bij het oordeel of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard. In deze gevallen neemt de rechter de bewezenverklaring aan op grond van andere bewijsmiddelen dan die verklaring van de verdachte. Het afleggen van een onwaar gebleken verklaring betreft dan een omstandigheid die in de bewijsredenering van de rechter van belang is voor de redengevende betekenis die in het concrete geval aan de gebruikte bewijsmiddelen kan worden toegekend, en om die reden in de bewijsmotivering wordt betrokken.
3.2.5
Van het gebruik als bewijsmiddel van de verklaring die naar het oordeel van de rechter onaannemelijk is of onwaar is gebleken, is in de in 3.2.1-3.2.4 bedoelde gevallen geen sprake.
3.3.1
Daarnaast is het niet uitgesloten dat de rechter, onder de hierna te noemen voorwaarden, een onwaar gebleken verklaring van de verdachte als bewijsmiddel gebruikt. In de rechtspraak van de Hoge Raad wordt in dit verband gesproken van een kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte.
3.3.2
De rechtspraak van de Hoge Raad hierover houdt het volgende in. Het moet gaan om een verklaring van de verdachte die naar het oordeel van de rechter kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te verhullen. Het oordeel dat van zo’n verklaring sprake is, moet voldoende grondslag vinden in vastgestelde feiten en omstandigheden die zijn opgenomen in een of meer andere voor het bewijs gebruikte bewijsmiddelen. Tot deze andere bewijsmiddelen kunnen echter niet worden gerekend bewijsmiddelen die verklaringen van de verdachte zelf inhouden, dan wel verklaringen van andere personen betreffen die alleen weergeven wat de verdachte hun heeft meegedeeld. Ook de omstandigheid dat de verdachte heeft geweigerd over een bepaald punt een verklaring te geven, kan niet mede ten grondslag worden gelegd aan het oordeel dat de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is en is afgelegd om de waarheid te verhullen. (Vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:467.) Deze rechtspraak heeft overigens niet zonder meer betrekking op gevallen waarin de onwaarheid van de verklaring zelf het te bewijzen bestanddeel is, zoals bij het doen van valse aangifte of het afleggen van een valse verklaring onder ede (artikel 188 en Pro 207 van het Wetboek van Strafrecht).
3.3.3
Met de formulering dat het moet gaan om een verklaring van de verdachte die “kennelijk leugenachtig is en afgelegd om de waarheid te verhullen”, wordt tot uitdrukking gebracht dat het afleggen door de verdachte van een verklaring die onverenigbaar is met de uit een of meer andere gebruikte bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden, in het concrete geval als een voor het aannemen van de bewezenverklaring relevante omstandigheid moet kunnen worden aangemerkt. Dat de verdachte een kennelijk leugenachtige verklaring heeft afgelegd, kan vooral van belang zijn voor de betekenis die de rechter aan de overige bewijsmiddelen toekent.
3.3.4
Het oordeel dat de bewezenverklaring mede op grond van het gebruik van een kennelijk leugenachtige verklaring als bewijsmiddel kan worden aangenomen, moet door de rechter nader worden gemotiveerd. In die motivering moet, mede gelet op wat onder 3.3.2 en 3.3.3 is overwogen, tot uitdrukking komen:
(i) welke door de verdachte afgelegde verklaring of welke onderdelen van die verklaring door de rechter als kennelijk leugenachtig wordt of worden aangemerkt;
(ii) op welke door de rechter vastgestelde feiten en omstandigheden het oordeel berust dat de betreffende verklaring van de verdachte niet alleen onverenigbaar is met die feiten en omstandigheden maar ook als kennelijk leugenachtig – en niet bijvoorbeeld als een vergissing – moet worden beschouwd; en
(iii) wat – los van de omstandigheid dat de feitenlezing van de verdachte naar het oordeel van de rechter niet aannemelijk is geworden – de relevantie is voor de bewijsvoering als geheel en dus voor het aannemen van de bewezenverklaring van de omstandigheid dat de verdachte op een bepaald punt kennelijk leugenachtig heeft verklaard.
3.4
Het voorgaande komt er dus op neer dat het weliswaar niet is uitgesloten een kennelijk leugenachtige verklaring van de verdachte als bewijsmiddel te gebruiken, maar dat die bewijsconstructie van bijzondere aard is en alleen is toegelaten als het gebruik van die verklaring voor het bewijs door de rechter in overeenstemming met de onder 3.3.4 genoemde vereisten toereikend wordt gemotiveerd. Terughoudend gebruik van deze bewijsconstructie ligt dan ook in de rede. De rechter die van oordeel is dat een onwaar gebleken verklaring van de verdachte op enigerlei wijze van betekenis is voor de beslissing of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, kan die redenering doorgaans goed op de onder 3.2 besproken wijze in de bewijsvoering betrekken.’
9. Het hof heeft in de onderhavige zaak in de bewijsoverweging vastgesteld dat de verdachte in een gestolen auto is aangetroffen, terwijl hij niet over de sleutel van de auto beschikte. Daarnaast, zo stelt het hof vast, zag het sleutelgat van het portier linksvoor er enigszins gehavend uit. Het hof is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden redengevend zijn voor het bewijs van het tenlastegelegde. Vervolgens overweegt het hof dat de verdachte geen geloofwaardige, hem ontlastende verklaring heeft gegeven over hoe hij aan de auto is gekomen. Het hof overweegt dat de door de verdachte afgelegde verklaring niet verifieerbaar is. En dat nu het dossier geen enkel aanknopingspunt bevat dat steun biedt aan zijn verklaring, het hof deze verklaring als ongeloofwaardig en kennelijk gericht op het bemantelen van de waarheid beschouwt. Dat het hof spreekt over een verklaring die kennelijk gericht is op het bemantelen van de waarheid impliceert niet dat het hof de verklaring als kennelijk leugenachtig heeft aangemerkt. Het hof spreekt niet van een kennelijk leugenachtige verklaring en het hof heeft de verklaring van de verdachte ook niet gebruikt als bewijsmiddel. [2] Het aan het middel ten grondslag liggende uitgangspunt dat het hof de verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtige verklaring heeft aangemerkt, mist aldus feitelijke grondslag. [3]
10. Het eerste middel faalt.
11. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is geschonden aangezien de stukken van het geding pas op 6 september 2022 bij de griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen.
12. Op 26 november 2021 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Op 6 september 2022 zijn de stukken van het geding bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendingstermijn van acht maanden met ruim een maand is overschreden. Gelet op de hoogte van de opgelegde straf kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [4]
13. Het tweede middel slaagt, maar behoeft niet tot cassatie te leiden.
14. Het eerste middel faalt en kan worden met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Het tweede middel slaagt, maar behoeft niet tot cassatie te leiden. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864,
2.Daarin verschilt de onderhavige zaak van de zaken die door de stellers van het middel worden genoemd, te weten HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9968,
3.Ik merk nog op dat de overweging dat het hof ‘(o)p grond hiervan, in onderlinge samenhang met de hierna opgenomen bewijsmiddelen’ van oordeel is ‘dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto wist dat deze van diefstal afkomstig was’, niet impliceert dat het hof de verklaring van de verdachte als bewijsmiddel gebruikt. Ik vat deze overweging aldus op dat het hof de onwaar gebleken verklaring aanmerkt als een omstandigheid die in de bewijsredenering van de rechter van belang is voor de redengevende betekenis die in het concrete geval aan de gebruikte bewijsmiddelen kan worden toegekend.
4.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,