Conclusie
1.Feiten en procesverloop
‘Bestätigung’) van de moeder vereist dat de erkenner de biologische vader van het kind is en dat het Poolse recht niet de mogelijkheid tot vervangende toestemming tot erkenning kent. Volgens de rechtbank is met het DNA-onderzoek vast komen te staan dat de man de verwekker van het kind is (rov. 2.3). Uit een bericht van de advocaat van de vrouw leidt de rechtbank af dat de vrouw weliswaar bezwaar heeft tegen het verzoek van de man, maar dat zij, gelet op haar verzoek tot nader onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, na de uitkomst van de DNA-test impliciet bevestigt dat de man de verwekker van het kind is (rov. 2.4).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1Abetoogt dat het hof art. 10:95 lid 3 BW Pro heeft miskend en het Poolse recht niet buiten toepassing kon verklaren wegens strijd met de openbare orde in de zin van art. 10:6 BW Pro. Volgens
onderdeel 1Bis het hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 10:6 BW Pro niet van toepassing is. Het onderdeel betoogt dat het probleem is gelegen in de Nederlandse verwijzingsregels en de Nederlandse procedure inzake gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Op grond van art. 10:97 lid 3 BW Pro zou op de gerechtelijke vaststelling van vaderschap het Nederlandse recht van toepassing zijn, terwijl art. 1:207 BW Pro [2] aan de vader geen rechtsingang toekent om vaderschap gerechtelijk te laten vaststellen.
Onderdeel 1Cklaagt dat het hof art. 10:6 BW Pro onvoldoende terughoudend heeft toegepast en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de toepassing van Pools recht in strijd is met de openbare orde.
Onderdeel 1Dbouwt op het voorgaande subonderdeel voort met het betoog dat het hof Pools recht had moeten toepassen en de Nederlandse verwijzingsregels had moeten negeren dan wel de Nederlandse procedure voor gerechtelijke vaststelling van vaderschap had moeten volgen, omdat die procedure het meest in lijn is met het Poolse recht.