Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
patients who are entirely incapable of deciding for themselves” het aan de medische autoriteiten is om te beslissen welke therapeutische methoden, zo nodig onder dwang, zullen worden toegepast om de lichamelijke en geestelijke gezondheid te bewaren. [3] In de zaak Wilkinson tegen het Verenigd Koninkrijk uit 2006 oordeelde het EHRM dat klachten over een dwangbehandeling ongegrond waren en nam daarbij in aanmerking dat het ziekenhuis de klager had kunnen beschouwen als “
lacking the capacity to consent to the treatment in question”. [4] Deze uitspraken duiden erop dat volgens het EHRM wilsonbekwaamheid een voorwaarde is voor gedwongen interventies althans bij wilsbekwaamheid op dit punt strengere normen gelden, maar volstrekt duidelijk is dit niet. [5] Dat geldt volgens mij ook voor de uitspraak in de zaak Plesó tegen Hongarije uit 2012, waarin het EHRM heeft overwogen dat “
the individual’s inalienable right to self-determination (including the right to refusal of hospitalisation or medical treatment, that is, his or her ‘right to be ill’)”beperkt kan worden
“to secure the best possible health care for those with diminished faculties (for example, because of lack of insight into their condition)”. [6]
want daarin moet verzet weliswaar serieus genomen worden, maar bepalend voor opname van onvrijwillige zorg in het zorgplan respectievelijk uitvoering van die zorg is de vraag of dat nodig is om ernstig nadeel voor de cliënt zelf of voor anderen te voorkomen”). [8] Een verklaring hiervoor kan zijn dat in de wetsevaluatie gedwongen zorg ook de aanbeveling is gedaan om één wettelijke regeling te hanteren voor zowel de GGZ als de PG/VG (psychogeriatrie/verstandelijk gehandicaptenzorg). In dat verband werd opgemerkt dat de voorgestelde Wvggz en Wzd aanzienlijk van elkaar verschillen en dat deze verschillen maar ten dele gerechtvaardigd lijken vanuit het uiteenlopende karakter van de doelgroepen, “
(z)o is niet goed te beredeneren dat dat uiteenlopende karakter een argument kan vormen om bijvoorbeeld waar het gaat om een zo ingrijpende interventie als dwangmedicatie in de Wvggz een ander (en strikter) systeem van rechtsbescherming te kiezen dan in de WZD.” Indien de wetgever ervoor zou kiezen om de Wvggz en de Wzd enige tijd naast elkaar te laten functioneren, dan was volgens de wetsevaluatie een betere afstemming tussen beide wetsvoorstellen zeer gewenst. [9]