Conclusie
adv.: mr. P.J. Tanja (aanvankelijk mr. K. Teuben)
adv.: mr. M.E. Franke
Opdrachtgever) is door verweerders in cassatie (hierna gezamenlijk:
de werf) een jacht is gebouwd. Het jacht vertoont gebreken, waardoor het niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Partijen twisten over de vraag of Opdrachtgever de werf de gelegenheid moet geven om de gebreken te herstellen, of dat dit in verband met de omstandigheden niet van hem kan worden gevergd (art. 7:759 lid 1 BW Pro). Het hof heeft – evenals de rechtbank – geoordeeld dat de door Opdrachtgever aangevoerde omstandigheden niet leiden tot de conclusie dat herstel niet van hem kan worden gevergd. Tegen dit oordeel richt zich het cassatieberoep van Opdrachtgever. Onder andere wordt geklaagd dat het hof in het kader van art. 7:759 lid 1 BW Pro is uitgegaan van een verkeerde beoordelingsmaatstaf, ten onrechte niet de betrokken belangen heeft afgewogen en heeft miskend dat in het kader van die belangenafweging de stelplicht niet uitsluitend op de opdrachtgever rust. Naar mijn oordeel dient het cassatieberoep te worden verworpen.
2.Feiten
: het jacht), voor een koopprijs van € 158.500,- inclusief btw. Op 5 november 2012 heeft Opdrachtgever de offerte en een orderbevestiging ondertekend (hierna:
de overeenkomst).
Conformité Européenne’-markering (hierna:
CE-markering) aangebracht op het jacht.
Confiance’ toegekend.
[deskundige 1]) in opdracht van de werf de coating van het jacht onderzocht. [deskundige 1] constateerde dat sprake is van loslatende primer.
[deskundige 2]) in opdracht van Opdrachtgever een deel-expertiserapport met betrekking tot de staat van het jacht opgesteld. Daarin heeft [deskundige 2] een aantal gebreken geconstateerd en gemeld dat het jacht niet beschikt over de ‘verklaring van overeenstemming’.
[deskundige 3]) van Unigarant Verzekeringen, de verzekeraar van Opdrachtgever, heeft het rapport van [deskundige 2] van september 2016 op 9 december 2016 aan de werf toegezonden. Op 9 december 2016 heeft de werf aan [deskundige 3] een kopie toegezonden van de ‘verklaring van overeenstemming’ van het jacht.
[deskundige 4]) ingeschakeld. In zijn rapport van 13 december 2016 heeft [deskundige 4] geconstateerd dat de werf volgens hem op het jacht ten onrechte een CE-markering heeft aangebracht. Volgens dit rapport van [deskundige 4] is het alsnog mogelijk om een geldige CE-markering te verkrijgen, middels een zogenaamde “
Post Construction Assessment" (hierna:
PCA), te weten een conformiteitsbeoordelingsprocedure na de bouw, waarmee een CE-markering kan worden aangebracht.
DMI), in de persoon van [deskundige 5] (hierna:
[deskundige 5]). DMI is een keuringsinstantie op grond van artikel 8 lid 1 van Pro de Wet pleziervaartuigen 2016.
Onze indruk hier is, dat terecht gesteld wordt, dat herstel van dit item alleen al, de boot vrijwel zeker in een total-loss situatie zal brengen. Hier scheelt het natuurlijk enorm of we rekenen met uitbesteed werk tegen een ‘verkoop-uurloon ', of dat de werf zelf hier uren in gaat stoppen. Hoe dan ook zal duidelijk moeten zijn welke werkzaamheden op welke manier uitgevoerd moeten gaan worden, en zal daarop ook controle uitgeoefend moeten worden. Als er een PCA traject opgestart wordt, valt deze controle onder de bemoeienis van DMI.”
3.Procesverloop
Met de in cassatie relevante
grief IIIwordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat Opdrachtgever de werf in de gelegenheid dient te stellen over te gaan tot herstel van de CE-markering en de coating/verf (hierna ook:
de gebreken). Opdrachtgever stelt zich op het standpunt dat van hem niet gevergd kan worden dat hij het jacht nogmaals voor herstel aan de werf aanbiedt, nu hij geen vertrouwen meer heeft in de werf (i) omdat er teveel constructieve gebreken aan het jacht zitten, (ii) omdat de werf de in het rapport van [deskundige 2] genoemde gebreken niet volledig erkent, zodat het de vraag is of het jacht na herstel voldoet aan alle eisen, en (iii) omdat Opdrachtgever het jacht al meerdere keren heeft moeten laten herstellen door of op kosten van de werf. [5]
notified body. [6]
tussenarrest) heeft het hof het volgende tot uitgangspunt genomen:
eindarrest) heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd (rov. 15 en dictum). Het hof heeft in het kader van de verdere beoordeling van grief III onder meer als volgt overwogen:
6. Het bezwaar van [Opdrachtgever] tegen herstel door de werf komt er in de kern op neer dat hij er geen vertrouwen in heeft - in verband met de omvang van de constructieve gebreken en het (volgens deskundige [deskundige 2] gebleken) gebrek aan vakmanschap - dat het jacht na herstel door [de werf] aan alle wettelijke eisen voldoet en alsnog een geldige CE-markering kan worden verkregen.”
Tegen deze achtergrond moet de conclusie zijn dat niet is komen vast te staan dat geen goed resultaat van de herstelwerkzaamheden door [de werf] is te verwachten. Dat [de werf] de omvang van de gebreken - naar [Opdrachtgever] stelt - niet volledig erkent, doet hier niet aan af. [De werf] heeft erop gewezen dat de door haar (met de notified body) gesloten CE-Keuringsovereenkomst erin voorziet dat onder toezicht van de notified body de werkzaamheden die nodig zijn voor een CE-markering worden uitgevoerd en dat zij op grond van die overeenkomst gehouden zal zijn wijzigingen te implementeren die de notified body opdraagt. Hieraan kan ook niet afdoen dat [Opdrachtgever] zijn jacht al meerdere keren heeft moeten laten herstellen door of op kosten van [de werf]. Door [Opdrachtgever] is niet concreet weersproken dat de klachten zoals vermeld op de gebrekenlijsten van 2013 en 2014 door [de werf] zijn hersteld, waarna die klachten waren verholpen.
4.Juridisch kader
plichtom de aannemer gelegenheid te geven tot herstel. [14] Daarbij is het aan de aannemer is te bepalen op welke wijze hij de gebreken wil wegnemen. Wel dient de herstelmethode te voldoen aan de norm van goed en deugdelijk werk. [15]
5.Bespreking van het cassatiemiddel
Multi Vastgoed/Nethou. Een en ander kan naar mijn mening echter niet uit het betreffende arrest worden afgeleid. Dit verwijst kennelijk alleen naar het
tweedelid van (thans) art. 7:759 BW Pro, op grond waarvan het belang van de opdrachtgever bij zijn recht op nakoming moet worden afgewogen tegen (het belang van de aannemer bij) de kosten van herstel (zie hiervoor nr. 4.11). Genoemde rechtsopvatting vindt voorts geen steun in de tekst van de wetsbepaling, noch in haar totstandkomingsgeschiedenis.
met namesprake kan zijn; andere situaties, zoals een verstoorde verhouding tussen partijen, worden daarbij door het hof niet uitgesloten. Het hof heeft deze maatstaf vervolgens toegepast in rov. 6 tot en met 12 van het eindarrest door op basis van de door Opdrachtgever aangevoerde bezwaren te toetsen of van hem niet kan worden gevergd dat hij de werf gelegenheid tot herstel biedt.
het door de werf gebouwde jacht voldoet op essentiële en constructieve punten niet aan de wettelijke eisen. [26] Het hof neemt tot uitgangspunt dat – naar tussen partijen ook niet ter discussie staat – het jacht niet voldoet aan de wettelijke (en dus essentiële) (constructieve) eisen. Het heeft onderzocht of de gebreken hersteld kunnen worden en of daarna alsnog een CE-markering kan worden verkregen voor het jacht. Het hof heeft mede op basis van de deskundigenverklaringen geconcludeerd dat dit het geval is (rov. 6-10 van het eindarrest). Daarmee is het hof niet voorbij gegaan aan de onder (i) weergegeven stelling van Opdrachtgever. Dat verwijt het middel het hof ook niet. Blijkens de schriftelijke toelichting (nr. 3.2.3) wordt het hof verweten zijn beoordeling geheel op deze omstandigheid (alsmede het gestelde tijdsbeslag, rov. 3.11) te hebben toegespitst.
de omvang van de problemen met het jacht is zo groot dat herstel economisch niet verantwoord is. [27] Hiermee doelt Opdrachtgever erop dat de kosten van herstel hoger zijn dan de dagwaarde van de boot of de bouwkosten van een nieuw jacht. Deze aan de zijde van de werf gelegen omstandigheid is in het kader van de tenzij-toets van art. 7:759 lid 1 BW Pro niet relevant. Het is de keuze van de werf om de (hoge) kosten te dragen; de opdrachtgever wordt hierdoor niet geraakt. Het hof behoefde op deze omstandigheid niet in te gaan.
de werf erkent de omvang van de problemen niet (volledig). [28] Ten aanzien van deze stelling overweegt het hof expliciet dat niet relevant is of de werf de omvang van de problemen niet (volledig) erkent, omdat herstel zal plaatsvinden onder toezicht van een
notified body, die erop zal toezien dat de voor een CE-markering vereiste werkzaamheden worden uitgevoerd. Door Opdrachtgever is bovendien niet gesteld dat de gebreken die de werf niet (volledig) zou erkennen, buiten de vereisten voor CE-markering vallen.
gelet op de hiervóór genoemde omstandigheden heeft Opdrachtgever geen vertrouwen meer in het vakmanschap van de werf en in het (door de werf voorgestelde) toezicht van DMI op herstel door de werf. [29] Het hof heeft de stelling over het op de omstandigheden (i) en (iii) gebaseerde gebrek aan vertrouwen in de werf onderkend (tussenarrest, rov. 12). Op de aangegeven vindplaatsen wordt het ontbrekend vertrouwen in DMI niet onderbouwd. De verwerping van het beroep op gebrek aan vertrouwen in het vakmanschap van de werf en het toezicht van DMI ligt besloten in rov. 10 (zie hiervoor nr. 5.11), in het bijzonder de aldaar opgesomde vaststellingen (iii)-(v).
gelet op de hiervóór genoemde omstandigheden is sprake van ernstig verstoorde verhoudingen tussen Opdrachtgever en de werf. [30] Een ‘ernstig verstoorde verhouding’ als grond voor een beroep op de tenzij-clausule is door Opdrachtgever voor het eerst bij memorie na deskundigenbericht naar voren gebracht. Een onderbouwing ontbreekt (nr. 9). Anders dan daar wordt gesuggereerd, is een dergelijk beroep niet eerder gedaan, laat staan onderbouwd. [31] Anders dan in de procesinleiding wordt verondersteld (p. 6), behoefde het hof uit de onder (ii) tot en met (v) genoemde omstandigheden niet de afzonderlijke grond van een ernstig verstoorde verhouding af te leiden.
herstel van het jacht door de werf kan niet binnen een redelijke termijn plaatsvinden. [32] Deze omstandigheid heeft het hof meegewogen (rov. 5 en 11 van het eindarrest). Tegen verwerping van deze stelling is een klacht gericht in subonderdeel 1.2, waarover hierna.
ten eersteeen voortbouwklacht: hetgeen in onderdeel 1.1 is aangevoerd zou reeds meebrengen dat ook rov. 11 niet in stand kan blijven. In het verlengde van de klachten van subonderdeel 1.1 is ook deze klacht tevergeefs voorgesteld.