ECLI:NL:PHR:2023:123

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 januari 2023
Publicatiedatum
30 januari 2023
Zaaknummer
22/03830
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 5 WVW 1994Art. 123b WVW 1994Art. 457 lid 1 aanhef en onder c SvArt. 472 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening van veroordeling voor rijden onder invloed van cannabis wegens onbekendheid sepotbeslissing

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, waarbij de aanvrager op 23 maart 2022 werd veroordeeld voor rijden onder invloed van cannabis op 7 april 2021. De aanvraag tot herziening steunt op een sepotbeslissing van 22 februari 2022, die de politierechter niet kende tijdens de behandeling van de zaak. Deze sepotbeslissing hield in dat het Openbaar Ministerie (OM) had besloten de verdachte niet verder te vervolgen wegens onvoldoende bewijs.

De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad is dat deze sepotbeslissing een nieuw gegeven vormt dat, indien bekend geweest bij de politierechter, waarschijnlijk tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM had geleid. De sepotbeslissing was ruim vóór de terechtzitting verzonden, maar de politierechter wees het vonnis bij verstek, wat erop wijst dat de verdachte of zijn raadsman niet op de hoogte waren van deze beslissing.

De Hoge Raad beveelt daarom gegrondverklaring van de herzieningsaanvraag, opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis, en verwijzing van de zaak naar een gerechtshof voor hernieuwde berechting. De zaak bevat uitgebreide verwijzingen naar eerdere jurisprudentie over de kennis van de rechter van het dossier en de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van het vonnis.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag gegrond en verwijst de zaak voor hernieuwde berechting naar een gerechtshof.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/03830 H
Zitting31 januari 2023

CONCLUSIE

B.F. Keulen
In de zaak
[aanvrager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de aanvrager
De aanvrager van herziening is bij vonnis van 23 maart 2022 door de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, wegens ‘overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994’, veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 850, subsidiair 17 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de aanvrager heeft B.J.W. Tijkotte, advocaat te Koog aan de Zaan, een aanvraag tot herziening van bovenvermeld vonnis ingediend.
Tegen het vonnis waarvan herziening wordt verzocht, staat blijkens een verklaring van de griffier van de rechtbank Noord-Holland die zich bij de stukken van het geding bevindt geen (gewoon) rechtsmiddel meer open.
Het parketnummer van de zaak waar de aanvraag betrekking op heeft is 96-219856-21. De aanvraag steunt op de stelling dat gelet op een sepotbeslissing van 22 februari 2022 onder parketnummer 96-247338-21 in deze zaak geen vervolgingsrecht meer bestond voor het openbaar ministerie en dat het onderzoek van de zaak bij de politierechter, indien deze hiermee bekend was geweest, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie zou hebben geleid. Ter staving van deze stelling wordt verwezen naar het volgende:
(i) Een dagvaarding met akte van uitreiking. De dagvaarding is blijkens de akte van uitreiking in persoon aan de aanvrager uitgereikt op 20 januari 2022. Dagvaarding en akte van uitreiking vermelden parketnummer 96-219856-21. In de dagvaarding wordt de verdachte opgeroepen om op 23 maart 2022, tijdstip 15:55 uur te verschijnen voor de politierechter. De in deze dagvaarding opgenomen tenlastelegging behelst – kort gezegd – het verwijt dat de verdachte op of omstreeks 7 april 2021 te [plaats] een personenauto heeft bestuurd na het gebruik van cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van art. 8 WVW Pro 1994 het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 6,2 microgram THC per liter bloed bedroeg (bijlage 1 bij het herzieningsverzoek);
(ii) Een brief met als onderwerp ‘Kennisgeving sepot’, met als datum 22 februari 2022. Deze kennisgeving vermeldt het parketnummer 96-247338-21. Uit deze kennisgeving blijkt dat dit parketnummer een proces-verbaal betreft van Pol. ZaWa, unit ZN ter zake van: ‘Rijden onder invloed andere stof (bestuurder) gepleegd 07 april 2021 te [plaats] , gemeente Zaanstad’. De brief, afkomstig van onderdeel ZSM is niet ondertekend verzonden door ‘De officier van justitie’ (bijlage 2 bij het herzieningsverzoek);
(iii) Een foto van een brief van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie met als datum 02 september 2022, waarin aanvrager is medegedeeld dat zijn rijbewijs op basis van artikel 123b WVW 1994 ongeldig is geworden op de datum dat het vonnis (van 23 maart 2022) onherroepelijk is geworden. In de brief wordt de verdachte te kennen gegeven dat hij verplicht is het rijbewijs zo spoedig mogelijk in te leveren. Deze brief vermeldt het parketnummer 96-219056-21 (bijlage 3 bij het herzieningsverzoek);
(iv) Een uittreksel van de justitiële documentatie d.d. 20 april 2022, waaruit zou blijken dat het bij beide bovenvermelde parketnummers gaat om dezelfde verdenking, nu het bij beide parketnummers vermelde politie PV-nummer hetzelfde is, te weten 2021068987 (bijlage 4 bij het herzieningsverzoek);
(v) Het proces-verbaal van de Politie, eenheid Noord-Holland, district Zaanstreek-Waterland, nummer PL1100-2021068987 (bijlage 5 bij het herzieningsverzoek). Dit proces-verbaal behoort, zo begrijp ik, bij parketnummer 96-219856-21. Op het voorblad staat als ‘Pleegplaats voorval’ vermeldt [a-straat] , [plaats] en als ‘Pleegdatum voorval’ 7 april 2021.
5. De bijlagen (i) en (v) maken ook deel uit van het aan de Hoge Raad toegezonden dossier betreffende de zaak waarin de politierechter vonnis wees. Het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevat eveneens een uittreksel justitiële documentatie, maar van een andere datum, te weten 18 maart 2022. Dit uittreksel vermeldt eveneens beide bovenvermelde parketnummers, en vermeldt bij beide parketnummers eveneens hetzelfde PV-nummer, te weten 2021068987.
6. Op mijn verzoek heeft het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (het CVOM) ook het procesdossier behorende bij parketnummer 96-247338-21 aangeleverd. Dit procesdossier vermeldt als PV-nummer 2021068987. Op het voorblad staat als ‘Pleegplaats voorval’ vermeldt [a-straat] , [plaats] en als ‘Pleegdatum voorval’ 7 april 2021. Het betreft een niet-ondertekende versie van de processen-verbaal. De processen-verbaal uit dit procesdossier zijn identiek aan een aantal processen-verbaal uit het aan de Hoge Raad toegezonden dossier betreffende de zaak waarin de politierechter vonnis wees (onder parketnummer 96-219856-21). In het door het CVOM aangeleverde procesdossier ontbreken echter een aantal processen-verbaal die wel in het procesdossier behorend bij het vonnis van de politierechter van 23 maart 2022 zijn terug te vinden. Het gaat daarbij onder meer om het Rapport van Labor Mönchengladbach en de ‘Opdracht ten behoeve van Toxicologisch bloedonderzoek’.
7. De ‘Kennisgeving sepot’ van 22 februari 2022 met parketnummer 96-247338-21 houdt het volgende in: ‘Op mijn kantoor is een proces-verbaal binnengekomen, waarin u als verdachte bent aangemerkt. Inmiddels heb ik besloten u daarvoor niet verder te vervolgen. De reden hiervoor is dat naar mijn oordeel: er onvoldoende bewijs is. Een eventueel eerder verstrekte dagvaarding / (verkorte) oproeping voor een terechtzitting komt hiermee te vervallen. Deze zaak is hiermee afgedaan, tenzij a. ik op grond van nieuwe feiten of omstandigheden deze beslissing moet herzien; b. het gerechtshof alsnog een vervolging beveelt. Dat kan als een ander, die is benadeeld door een feit waarvan u nu verdacht wordt, zich beklaagt over mijn beslissing u niet te vervolgen.’ Deze kennisgeving is ruim een maand voor de behandeling ter terechtzitting op 23 maart 2022 aan de verzoeker verzonden. Dat de sepotbeslissing ziet op hetzelfde feit als waarvoor de verzoeker onherroepelijk is veroordeeld, vindt bevestiging in de twee procesdossiers die aan de sepotbeslissing respectievelijk de veroordeling ten grondslag hebben gelegen. Niet alleen komen de procesverbaalnummers overeen, de inhoud van de stukken wijst er ook op dat het om hetzelfde feit gaat.
8. De aantekening van het mondeling vonnis van de politierechter van 23 maart 2022 vermeldt dat het vonnis bij verstek gewezen is. Daaruit kan worden afgeleid dat door of namens de verdachte niet de aandacht op de sepotbeslissing is gevestigd. De enkele omstandigheid dat beide parketnummers in het uittreksel justitiële documentatie van 18 maart 2022 vermeld zijn en dat bij beide hetzelfde PV-nummer is vermeld, is naar het mij voorkomt evenmin reden om aan te nemen dat de politierechter ermee bekend was dat de sepotbeslissing op het tenlastegelegde feit zag. [1] Ten overvloede merk ik op dat de mededeling in de sepotbeslissing dat een eventueel eerder verstrekte dagvaarding ‘hiermee (komt) te vervallen’ zou kunnen verklaren waarom de aanvrager verstek heeft laten gaan.
9. Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv dienen een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden doet ontstaan dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling. Ik meen dat de sepotbeslissing van 22 februari 2022 kan worden aangemerkt als een gegeven dat de politierechter bij het onderzoek ter terechtzitting niet bekend was en dat het ernstige vermoeden doet ontstaan dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. [2]
10. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het in randnummer 1 vermelde vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Vgl. in dit verband HR 6 februari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8587,
2.Vgl. HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1158 en de voorafgaande conclusie van A-G Hofstee, in het bijzonder randnummer 12. Ik merk daarbij op dat uit rechtspraak van Uw Raad kan worden afgeleid dat toezeggingen aan de verdachte die op een misverstand of miscommunicatie berusten in beginsel niet behoeven te worden gehonoreerd. Vgl. HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2982,