Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
6 oktober 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of het Openbaar Ministerie (OM) ontvankelijk was in de vervolging van verdachte, ondanks dat aan verdachte eerder een kennisgeving van niet verdere vervolging (sepot) was toegezonden. De politierechter had het OM in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard wegens schending van het vertrouwensbeginsel. Het OM ging hiertegen in hoger beroep, waarbij het hof oordeelde dat verdachte geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan de kennisgeving sepot, mede gelet op de ernst van de zaak en het feit dat verdachte kort na ontvangst van de kennisgeving gesprekken voerde met een psychiater, psycholoog en reclassering over de strafzaak.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep van verdachte. De Hoge Raad benadrukte dat een gerechtvaardigd vertrouwen op niet-vervolging slechts kan bestaan indien er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die herroeping rechtvaardigen, en dat in deze zaak de kennisgeving sepot een administratieve fout betrof. Verdachte had bovendien niet kunnen vertrouwen op niet-vervolging gezien de ernst van het feit en de verdere procedurele ontwikkelingen.
De zaak betrof een bedreiging met een mes gepleegd op 4 september 2012 te Almelo. Het OM had de kennisgeving sepot per brief op 25 september 2012 verzonden, maar deze was een administratieve misslag. Verdachte ontving deze brief en dacht aanvankelijk dat de zaak was afgedaan, maar werd later alsnog gedagvaard. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof dat het OM ontvankelijk was niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het OM ontvankelijk is in de vervolging ondanks de kennisgeving sepot.