ECLI:NL:PHR:2023:1174

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2023
Publicatiedatum
17 december 2023
Zaaknummer
21/05210
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 26 Wet wapens en munitieArt. 15 Wetboek van StrafrechtArt. 15a Wetboek van StrafrechtArt. 29 lid 1 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen diefstal met geweld, bezit cocaïne, MDMA en vuurwapen met munitie

De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van diefstal met geweld, het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en MDMA, en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het hof baseerde dit op onder meer DNA-sporen op het wapen dat in de brievenbus van de verdachte werd gevonden, de vondst van munitie in zijn opslagbox, en het feit dat alleen verdachte de sleutels had van deze locaties.

De verdachte voerde in cassatie diverse middelen aan, waaronder dat het bewijs onvoldoende was en dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte tot bewijs kon leiden. Ook werd aangevoerd dat anderen toegang hadden tot de woning en dat DNA-sporen van derden op het wapen waren aangetroffen. De Hoge Raad verwierp deze klachten en bevestigde dat het hof voldoende gemotiveerd had waarom het bewijs overtuigend was en de alternatieve scenario's niet aannemelijk.

Daarnaast werd de volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte bevestigd omdat hij tijdens de proeftijd nieuwe strafbare feiten had gepleegd. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onredelijk had gehandeld door de herroeping toe te wijzen, ondanks de aangevoerde beleidsregels.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat de middelen falen en het cassatieberoep moet worden verworpen. Er zijn geen gronden voor vernietiging van het arrest van het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor medeplegen diefstal met geweld, bezit van cocaïne, MDMA, vuurwapen en munitie.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/05210
Zitting19 december 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 16 december 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens onder 1 “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”, onder 2 “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, onder 3 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden. [1]
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en G.A. Jansen-de Wolf en Th.O.M. Dieben, beiden advocaat te Amsterdam, hebben vier middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 1.
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat hij:
“op 9 maart 2020 te Amsterdam in de Pierre Cuypershof , tezamen en in vereniging met een ander een horloge (een nep Rolex) en een pasjeshouder en €210,00, die geheel aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader toebehoorden, te weten aan [aangever] , heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door;
- een vuurwapen op die [aangever] te richten en gericht te houden en
- met een vuurwapen het raam aan de bestuurderskant van de auto van die [aangever] (terwijl die [aangever] in die auto zat) in te slaan en
- die [aangever] met een vuurwapen tegen zijn hoofd te slaan en
- die [aangever] tegen diens lichaam te slaan en
- die [aangever] met diens hoofd in de aarde te duwen en
- de armen van [aangever] vast te pakken en
- vervolgens dat horloge van de arm van die [aangever] te rukken”.
2.3
Het hof heeft de volgende bewijsoverweging van de rechtbank over feit 1 bevestigd:
“De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat aangever op 9 maart 2020 is overvallen. Wanneer aangever zijn auto parkeert, komen er twee mannen met bivakmutsen op hem af rennen. Eén van de mannen heeft een vuurwapen bij zich. De overvallers slaan de ruit van de auto in met het wapen en richten het wapen op aangever. Aangever wordt geslagen als hij probeert te vluchten en hierbij wordt ook het vuurwapen gebruikt. Uiteindelijk weten de overvallers zich een horloge en een pasjeshouder met daarin € 210,00 van aangever toe te eigenen en vluchten zij. Na de overval wordt in de auto van aangever een patroonhouder van een vuurwapen gevonden. In het patroonmagazijn zijn 5 patronen gevonden.
In de brievenbus van verdachte wordt bij een doorzoeking op 11 maart 2020 een vuurwapen zonder patroonhouder gevonden. De patroonhouder die is gevonden in de auto van aangever past in dit wapen. Ook wordt er in de opslagbox van verdachte munitie aangetroffen die in deze patroonhouder past. De munitie in de opslagbox komt qua kaliber, merk en model overeen met de munitie die in het patroonmagazijn zat. In de binnenkant van de loop van het vuurwapen is een DNA-mengprofiel aangetroffen. Dit profiel kan volgens het DNA-onderzoeksrapport DNA van aangever bevatten. De kans dat een willekeurig ander persoon matcht met dit DNA-profiel, is kleiner dan 1 op 1 miljard. De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat DNA van aangever in de loop van het wapen zit. Op grond van het feit dat de in de auto aangetroffen patroonhouder past in het wapen dat is gevonden in de brievenbus van verdachte, en daarnaast DNA van aangever is aangetroffen op het wapen, komt de rechtbank tot de conclusie dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat dit het vuurwapen is dat is gebruikt bij de overval op aangever.
Het DNA-mengprofiel in de loop van het wapen kan volgens het NFI ook DNA-nevenkenmerken bevatten van verdachte, waarbij het circa 220 miljoen keer waarschijnlijker is als de bemonstering DNA zou bevatten van verdachte en twee anderen, dan wanneer het DNA van drie willekeurige personen zou bevatten. De rechtbank concludeert op basis van dit DNA-rapport dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat het DNA-mengprofiel in de loop van het wapen ook DNA bevat van verdachte.
De politie heeft in het dossier geschreven dat het vuurwapen niet door de gleuf van de brievenbus past, maar dat de brievenbus moet worden opengemaakt met een sleutel om er een dergelijk voorwerp in te kunnen leggen. Verdachte heeft daarover enkel verklaard dat hij niets van het wapen af weet. Verdachte heeft wel verklaard de bewoner van de woning te zijn en als enige een sleutel van de opslagbox te hebben waar de bij het wapen passende munitie door de politie is aangetroffen. De raadsvrouw heeft betoogd dat het mogelijk is dat anderen toegang hebben gehad tot de woning, de brievenbus en de opslagbox, maar verdachte heeft gedurende het hele vooronderzoek niets verklaard over deze mogelijkheid. Ook ter terechtzitting heeft hij deze stelling van zijn raadsvrouw niet bevestigd.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de volgende conclusies. Het wapen dat is gebruikt bij de overval, is twee dagen daarna aangetroffen in de brievenbus van verdachte. Op dat wapen is DNA van verdachte gevonden. Het wapen kan alleen met gebruikmaking van de sleutel in de brievenbus zijn gelegd. In de opslagbox van verdachte (waarvan alleen verdachte de sleutel had) is dezelfde munitie aangetroffen als die in het patroonmagazijn zat en na de overval is achtergebleven in de auto van aangever. Dat alles wijst op betrokkenheid van verdachte bij de overval. Verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen en de verdenking dus op geen enkele manier ontzenuwd. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat verdachte één van de twee overvallers moet zijn geweest. De rollen van de twee overvallers waren gelijkwaardig en uitwisselbaar en ze hadden beiden zowel opzet op de diefstal, als op het geweld dat daarbij is gebruikt. Er was dan ook sprake van een nauwe en bewuste samenwerking.
Op grond van het voorgaande kan het medeplegen van diefstal met geweld (feit 1) worden bewezen.”
2.4
De eerste klacht houdt in dat niet uit de bewijsmiddelen en bewijsoverweging kan worden afgeleid dat het, bij gebrek aan een verklaring van de verdachte, niet anders kan zijn dan dat de verdachte een van de twee overvallers is geweest en hij daarom moet worden aangemerkt als medepleger. Daarbij zou onbegrijpelijk zijn dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen, nu hij een verklaring heeft afgelegd. In het verlengde daarvan houdt de tweede klacht in dat het hof de onschuldpresumptie en het zwijgrecht heeft geschonden door het “in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel” dat het achterwege blijven van een aannemelijke verklaring door de verdachte van belang is voor de bewezenverklaring van feit 1.
2.5
De Hoge Raad heeft hierover overwogen:
“3.2.2 In de rechtspraak van de Hoge Raad komt tot uitdrukking dat bij het oordeel of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, in bepaalde gevallen betekenis kan toekomen aan de omstandigheid dat een aannemelijke verklaring van de verdachte voor een – in het licht van het tenlastegelegde – relevante omstandigheid is uitgebleven. Gewezen kan bijvoorbeeld worden op de rechtspraak waarin tot uitdrukking komt dat het uitblijven van een aannemelijke verklaring voor het voorhanden hebben van gestolen goederen, van betekenis kan zijn voor het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal (vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315 en HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3022). Genoemd kan ook worden de rechtspraak over gevallen waarin een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken (een alternatief scenario). Als de rechter in zo’n geval tot een bewezenverklaring komt, moet hij in beginsel die aangedragen alternatieve gang van zaken weerleggen. Dat kan onder meer door te overwegen dat en waarom de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld dan wel dat en waarom de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht (anderszins) niet aannemelijk is geworden. (Vgl. HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359.)
3.2.3
De rechter kan bij het oordeel of het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard, ook de omstandigheid betrekken dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden. Het gaat daarbij om een vorm van het in de beoordeling betrekken van de procesopstelling van de verdachte die tot op zekere hoogte verwant is aan het onder 3.2.2 besproken toekennen van betekenis aan het uitblijven van een aannemelijke verklaring van de verdachte voor een – in het licht van het tenlastegelegde – relevante omstandigheid.
De op dit punt relevante rechtspraak van de Hoge Raad houdt in dat de weigering om een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op artikel 29 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafvordering en artikel 6 lid 2 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, niet tot het bewijs kan bijdragen. De rechter mag echter bij zijn bewijsoordeel wel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. (Vgl. onder meer HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97.)” [2]
2.6
Wat mij betreft zijn de klachten ongegrond. In de door het hof bevestigde overwegingen van de rechtbank is kort gezegd vastgesteld dat (i) na de overval in de auto een patroonhouder van een vuurwapen met vijf patronen in het patroonmagazijn is gevonden, (ii) in de brievenbus van de verdachte een vuurwapen zonder patroonhouder is gevonden, (iii) de patroonhouder in dit wapen past, (iv) in de opslagbox van de verdachte munitie is aangetroffen die in de patroonhouder past, (v) de munitie qua kaliber, merk en model overeenkomt met de munitie in het patroonmagazijn en (vi) in de loop van het vuurwapen DNA van de aangever en van de verdachte is aangetroffen. De rechtbank heeft daarom – en dat is ook gelet op het tijdverloop van slechts twee dagen niet onbegrijpelijk – de conclusie getrokken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat het vuurwapen is gebruikt bij de overval. Daar komt bij dat het wapen is aangetroffen in een brievenbus die alleen met een sleutel kan worden opengemaakt en die hoort bij de woning van de verdachte, terwijl het vuurwapen niet door de gleuf van de brievenbus past.
2.7
Ik meen dat deze vaststellingen ook zelfstandig voldoende zijn voor een bewezenverklaring van het plegen van de diefstal met geweld door de verdachte. Daarom heeft het hof anders dan de steller van het middel aanvoert geen blijk gegeven onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat bij het uitblijven van een geloofwaardige verklaring het medeplegen van feit 1 kan worden bewezenverklaard, nu de overval is gepleegd door twee personen waarvan het hof heeft vastgesteld dat de taakverdeling gelijkwaardig was.
2.8
Voor zover wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen nu hij een verklaring heeft afgelegd, meen ik dat de stellers van het middel gelijk hebben. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 2 december 2021 vermeldt immers onder meer als verklaring van de verdachte:
“Van de straatroof weet ik niets: ik heb geen overval gepleegd. Ik weet niet hoe het wapen en de kogels in de brievenbus terecht zijn gekomen. Het klopt dat het mijn brievenbus was. Ik kan wel dingen bedenken, maar ik kan niet met zekerheid verklaren hoe die spullen daar zijn terechtgekomen. Ik heb een eigen woning en krijg veel vrienden over de vloer. U houdt mij voor dat ik als enige over de sleutel van de brievenbus beschikte en of ik dan kan verklaren hoe de spullen daarin terecht zijn gekomen. Als ik daarover iets kon zeggen, had ik dat al bij de rechtbank gedaan.”
2.9
De verdachte heeft zich met betrekking tot het feit niet op zijn zwijgrecht beroepen, nu hij in hoger beroep wel een verklaring heeft afgelegd. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden, nu dit voor de waardering van het bewijs niet uitmaakt. Het hof heeft de verklaring kennelijk niet geloofwaardig geacht. Ook als zodanig kon die verklaring als ondersteuning van het bewijs worden aangemerkt.
2.1
De derde klacht houdt in dat het hof ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging. Dat uitdrukkelijk onderbouwde standpunt wordt als volgt weergegeven. De verdediging zou vrijspraak hebben bepleit omdat (i) DNA-materiaal van onbekend gebleven derden op de greepplaat van het wapen is aangetroffen en het logischer is dat de dader op deze plek DNA-materiaal achterlaat en niet in de loop van het wapen, (ii) dat derden toegang hadden tot de woning van de verdachte en (iii) dat verder niets duidt op de aanwezigheid van de verdachte op het plaats delict. In het kader van het tweede argument is gewezen op een document van de gemeente Amsterdam waaruit onder meer zou volgen dat direct na de aanhouding van de verdachte andere personen toegang hadden tot zijn woning.
2.11
Ook deze klacht slaagt niet. Daarbij is het uitgangspunt dat de rechter niet op ieder onderdeel van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt hoeft te reageren, maar alleen hoeft aan te geven waarom hij de door de verdediging bepleite eindconclusie – in dit geval: vrijspraak – niet volgt. [3] Het hof heeft dat, met bevestiging van de overwegingen van de rechtbank, toereikend gemotiveerd gedaan, zoals hiervoor onder 2.6 en 2.7 door mij is betoogd. Daarbij teken ik aan dat ook de onderdelen op zichzelf beschouwd geen aanleiding geven tot een ander oordeel. Aan het onder (i) genoemde punt heeft het hof voorbij kunnen gaan, nu het aangetroffen DNA-materiaal van de verdachte zeker niet het enige is dat op de betrokkenheid van de verdachte wijst. Het onder (iii) aangeduide is ook om die reden onjuist, nu het hof – bij monde van de rechtbank – op niet onbegrijpelijke wijze heeft uitgelegd waarom het van oordeel is dat de op het plaats delict aangetroffen patroonhouder wel degelijk op de betrokkenheid van de verdachte wijst. Tot slot kan ook het onder (ii) aangevoerde niet afdoen aan de bewezenverklaring, omdat het niets zegt over de vraag wie in de opslagbox en de met een sleutel afgesloten brievenbus van de verdachte is geweest. Het document van de gemeente Amsterdam, dat zich bij de pleitnotities van de verdediging in hoger beroep bevindt, houdt slechts in: “zijn vrienden maken sindsdien gebruik van de woning, het is een komen en gaan van verschillende mensen”. Het hof heeft kennelijk niet aannemelijk geacht – en dat is mede gelet op de gevonden DNA-sporen van de verdachte niet onbegrijpelijk – dat het wapen door een andere persoon bij de overval is gebruikt en vervolgens in de brievenbus van de verdachte is neergelegd.
2.12
Dan rept het middel nog van een tweede uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat door het hof onvoldoende zou zijn weerlegd. Dat betreft de volgende passage uit de pleitnotities van de verdediging van de terechtzitting van het hof van 2 december 2021:
“9. Kan het DNA van [verdachte] alleen maar op het wapen terecht zijn gekomen ten tijde van het delict? Nee.
a. DNA van [verdachte] is aangetroffen in bemonstering AAMB8954NL#01, hetgeen een bemonstering van de binnenkant van de loop zou moeten betreffen tot c.i. 2 cm diep (p.47);
b. Ik kan het veiligstellen van deze bemonstering, alsook overigens het veiligstellen van de bemonstering van de rechter greepplaat (AAMB8957NL#01), niet bij de stukken vinden;
c. Nu niet kan worden vastgesteld dat bemonstering AAMB8954NL#01 betrekking heeft op een bemonstering van het in deze zaak aangetroffen vuurwapen, meent de verdediging dat u deze bevindingen naast u moet leggen en de DNA match niet tot het bewijs mag bezigen”.
2.13
Het lijkt mij dat het hof het hier aangevoerde zonder meer onbesproken kon laten, aangezien uit de bewijsmiddelen [4] blijkt dat de bemonstering van de binnenkant van de loop, AAMB8954NL#01, betrekking heeft op het pistool met SIN-nummer AANQ3804NL, hetgeen het pistool is dat is aangetroffen in de brievenbus van de verdachte. Van enige twijfel omtrent de ‘chain of evidence’ is geen sprake, zo heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld.
2.14
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 2 en 3 voor zover deze betrekking heeft op het vuurwapen en de verdovende middelen die zijn aangetroffen in de brievenbus van de verdachte.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 en 3 bewezenverklaard dat hij:
“ten aanzien van feit 2:
op 11 maart 2020 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 29 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en 48,6 gram en 15 paarse tabletten bevattende MDMA, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
ten aanzien van feit 3:
in de periode van 9 maart 2020 tot en met 11 maart 2020 te Amsterdam
- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Star, type model A, kaliber 9mm en
- een patroonmagazijn, vallend onder categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie en
- munitie van categorie III, te weten een hoeveelheid patronen, kaliber .9mm,
voorhanden heeft gehad”.
3.3
Het hof heeft de volgende bewijsoverweging van de rechtbank over feit 2 en 3 bevestigd:
“In de brievenbus die hoort bij de woning van verdachte is een zak met pillen en in de woning van verdachte is in het televisiemeubel een blok wit poeder aangetroffen. Op de salontafel in de woonkamer zijn pillen aangetroffen. Na onderzoek bleek dat de aangetroffen goederen MDMA en cocaïne bevatten (feit 2). Onder feit 3 is ten laste gelegd dat verdachte het vuurwapen, de bijpassende patroonhouder en de munitie voorhanden heeft gehad. Ook is het voorhanden hebben van een bus pepperspray ten laste gelegd, die ook is aangetroffen is in de brievenbus bij de woning.
(…)
Verdachte bekent het onder feit 2 ten laste gelegde voor zover dit het voorhanden hebben van cocaïne in zijn woning (29 gram) betreft. Het voorhanden hebben van de rest van de drugs en bezit van de onder feit 3 ten laste gelegde wapens ontkent verdachte.
Wat betreft het voorhanden hebben van het vuurwapen, de patroonhouder en de munitie verwijst de rechtbank naar de bewijsoverweging onder feit 1.
Zoals hiervoor is uiteengezet, is verdachte de enige bewoner van de woning met de bijbehorende opslagbox en brievenbus en heeft verdachte niet verklaard dat er andere personen toegang kunnen hebben gehad tot deze plaatsen. Op die grond komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte ook wetenschap van en beschikking over de overige drugs (48,6 gram plus 15 tabletten MDMA in de brievenbus) heeft gehad. Weliswaar is het mogelijk om een zakje met drugs door de gleuf van de brievenbus te duwen, maar het dossier bevat geen aanwijzingen dat dit gebeurd zou zijn.
(…)
De rechtbank acht gezien het voorgaande het onder feit 2 en 3 ten laste gelegde, met uitzondering van het voorhanden hebben van een bus pepperspray, bewezen.”
3.4
In de schriftuur wordt geklaagd dat het hof ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met het alternatieve scenario dat een ander het wapen en de verdovende middelen in de brievenbus heeft geplaatst. Daartoe wordt aangevoerd dat de verdediging in hoger beroep heeft aangetoond – met overlegging van een stuk daarover van de gemeente Amsterdam – dat anderen toegang hadden tot de woning van de verdachte. Volgens de stellers van het middel kon het hof daarom niet zonder meer de overwegingen van de rechtbank bevestigen, waarin is overwogen dat de verdachte de enige bewoner van de woning met de bijbehorende opslagbox en brievenbus is en dat de verdachte niet heeft verklaard dat er andere personen toegang kunnen hebben gehad tot deze plaatsen.
3.5
In de pleitnotities van de verdediging van de terechtzitting van het hof van 2 december 2021 is dit als volgt weergegeven:
“Anderen hadden toegang tot de woning. [verdachte] heeft daar in eerste aanleg niets over willen verklaren omdat hij bang was dat dit in de huurzaak tegen hem werd gebruikt. Dat anderen gebruik hebben gemaakt van de woning en toegang hadden tot de woning heeft de verdediging willen onderbouwen met de overlegging van de melding van overlast in de woning van [verdachte] d.d. 14-10-2020 waaruit blijkt dat anderen gebruik hebben gemaakt van de woning toen [verdachte] vast zat (een dag na zijn aanhouding), maar ook dat vaak sprake was van wisselende bewoners. Dit impliceert dat dus dat anderen een sleutel hadden van de woning.”
3.6
Als een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatief scenario en de rechter tot een bewezenverklaring komt, moet hij in beginsel die aangedragen alternatieve gang van zaken weerleggen. [5] Dat kan onder meer door te overwegen dat en waarom de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld dan wel dat en waarom de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht (anderszins) niet aannemelijk is geworden. [6]
3.7
Wat mij betreft faalt de klacht. Het middel heeft uitsluitend betrekking op de bewezenverklaring ten aanzien van de in de brievenbus gevonden goederen, niet ten aanzien van in de woning aangetroffen goederen. Het document van de gemeente Amsterdam waarop in de pleitnotities wordt gedoeld en dat zich bij de pleitnotities van de verdediging in hoger beroep bevindt, houdt slechts in: “zijn vrienden maken sindsdien gebruik van de woning, het is een komen en gaan van verschillende mensen”. Dat zegt niets over toegang tot de brievenbus, nu het hof heeft vastgesteld dat het gaat om een brievenbus die moet worden opengemaakt met een sleutel. Het standpunt kan daarom niet afdoen aan het met het middel betwiste deel van de bewezenverklaring.
3.8
Het middel faalt.

4.Het derde middel

4.1
Het middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 3.
4.2
De bewezenverklaring en bewijsoverweging staan hiervoor onder 3.2 en 3.3.
4.3
In de schriftuur wordt aangevoerd dat het hof, in navolging van de rechtbank, voor de bewezenverklaring ten aanzien van de patroonhouder (feit 3) heeft verwezen naar de overwegingen over de bewezenverklaring ten aanzien van de diefstal met geweld (feit 1). Daarom wordt aangevoerd dat als het eerste middel over de bewezenverklaring van feit 1 slaagt, dit impliceert dat ook de bewezenverklaring van feit 3 ontoereikend is gemotiveerd.
4.4
Omdat het eerste middel faalt, moet dat ook gelden voor het derde middel.
4.5
Het middel faalt.

5.Het vierde middel

5.1
Het middel klaagt over de volledige herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
5.2
Het hof heeft hierover de volgende overweging van de rechtbank bevestigd:
“Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 juli 2013, onder parketnummer 23/003930-12 is verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van respectievelijk 6 jaar en 9 maanden.
Verdachte is bij besluit van 17 november 2016 op grond van artikel 15 jo Pro. artikel 15a Wetboek van Strafrecht (oud) voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder de algemene voorwaarde dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna v.i.) kan worden herroepen als verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt, alsmede bijzondere voorwaarden. De rechtbank Noord-Holland heeft op 2 januari 2018 365 dagen herroepen in verband met het overtreden van de bijzondere voorwaarden van de v.i. De resterende v.i.-periode telt thans 455 dagen.
Bij de stukken bevindt zich de op 22 oktober 2020 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, met v.i.-zaaknummer 99/000766-31.
De vordering van de officier van justitie strekt tot het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor een periode van 455 dagen (geheel). De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe te wijzen aangezien verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot herroeping v.i. in ieder geval niet geheel moet worden toegewezen. Er moet rekening mee worden gehouden dat de proeftijd van de v.i. zou zijn geëindigd op 27 april 2020.
Zoals naar voren is gekomen in dit vonnis, is gebleken dat verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde strafbare feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de toepassing van de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog geheel moet worden ondergaan. De verdediging heeft niets naar voren gebracht dat dit oordeel anders maakt.”
5.3
In de schriftuur wordt slechts aangevoerd dat, hoewel de stellers van het middel erkennen dat de rechter volgens de Hoge Raad vrij is in de keuze en de waardering van de factoren voor de herroeping, uit de ‘Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling’ volgt welke factoren bij deze overweging moeten worden meegenomen en de rechtbank en het hof geen rekening hebben gehouden met “deze factoren/omstandigheden van het geval”.
5.4
De klacht is ongegrond. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte tijdens de proeftijd opnieuw een strafbaar feit heeft begaan en daarmee de algemene voorwaarde voor de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft overtreden, zodat het resterende deel van de vrijheidsstraf alsnog moet worden ondergaan. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op het eerdere herroepen van 365 dagen door de rechtbank Noord-Holland in verband met het overtreden van de bijzondere voorwaarden en gelet op het feit dat de verdachte in de voorliggende zaak is veroordeeld voor verschillende misdrijven. Daarbij teken ik nog aan dat bepaling 7.2 uit de op 1 juli 2021 in werking getreden beleidsregel ‘Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidstelling’, waarop de stellers van het middel doelen, is gericht tot het Centrale Voorziening voorwaardelijke invrijheidstelling (CVv.i.) van het openbaar ministerie en het hof daaraan in deze zaak niet is gebonden. Bovendien maken de daarin genoemde factoren – de aard van het strafbare feit, de mate van recidive, de lengte van het resterende gedeelte van de voorwaardelijke invrijheidstelling en de gevolgen van een herroeping voor bijzondere voorwaarden – de beoordeling niet anders.
5.5
Het middel faalt.

6.Slotsom

6.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Hof Amsterdam 16 december 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3975. Met gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de rechtbank: Rechtbank Amsterdam 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:190.
2.HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864.
3.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, r.o. 3.8.4.
4.Vonnis rechtbank, p. 17-18.
5.HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, r.o. 3.2.2.
6.HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, r.o. 3.2.2.