Conclusie
Nummer22/02069 J
middelbevat de klacht dat de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van getuigen à décharge ontoereikend dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd, althans dat de afwijzing onverenigbaar is met het recht op een eerlijk proces.
Bewezenverklaring en bewijsmotivering
1. Het proces-verbaal van aangifte [betrokkene 1] d.d. 3 december 2019 (…), voor zover inhoudende als verklaring van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], zakelijk weergegeven:
hof: [betrokkene 5]) toe en zei dat [verdachte] dat deed. Wij gingen bij de prullenbakken staan. [verdachte] wilde het nog een keer doen, maar mijn vriendin ging er tussen staan. Wij zijn naar het restaurant gegaan. Hij zat daar aan mijn borsten. Ik was daar met [betrokkene 5] en [betrokkene 6]. (..) [verdachte] draaide zich om en kneep heel snel in mijn borsten. Ik zat samen met [betrokkene 5] en [betrokkene 6] aan een tafeltje. Achter mij zat een muurtje. Ik zat in het midden. [verdachte] zat achter dat lage muurtje. Hij zat op zijn knieën omgedraaid. Hij ging met zijn hand over mijn schouder en kneep in mijn linkerborst. Hij deed dit over mijn kleding. Hij kneep in mijn borst. Hij kneep alsof hij in een toeter kneep. (..)
het hof begrijpt: verdachte [verdachte]) kwam weer achter mij aan. Hij wilde met zijn hand mijn vagina aanraken. Dit was ook in de keukenruimte. Ik stond met mijn rug naar de deur. Hij kwam aanlopen en ik had dat niet door. Hij stond ineens voor mij. [betrokkene 5] stond achter mij. Hij wilde mij aanraken maar ik sloeg zijn hand weg. Het aanraken lukte hem een beetje. Hij raakte de voorkant van mijn vagina wel iets aan over mijn kleding. (..) Hij deed zijn hand zo dat hij erbij kan. Hij deed met een vlakke hand. (..) Ik kon zijn hand wegduwen. Hij zei niks. [betrokkene 5] en ik liepen weg.
het hof begrijpt: 15 november) 2019:
ontuchtigehandelingen nu er geen sprake was van ondergeschiktheid in rol c.q. leeftijd en door [slachtoffer] geen duidelijk signaal werd gegeven dat zij het contact als ongewenst intiem ervaarde.
Het getuigenverzoek
[verdachte],
‘Verzoek horen getuigen
'defence witness' − dan mag het volgende worden verwacht:
'defence witness', dus kijken we volgens HR naar kader uit 2017;
dienen in het bijzonder de redenen te worden opgegeven waarom de verklaring kan strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde dan wel ter onderbouwing van een verweer of standpunt dat betrekking heeft op een van de andere door de rechter uit hoofde van de art. 348 en Pro 350 Sv te nemen beslissingen.'
Voorwaardelijk verzoek van de raadsman tot het horen van getuigen
Bespreking van het middel
defence witnesses’.
examination of defence witnesses’ in Murtazaliyeva v. Rusland onder meer het volgende overwogen (met weglating van verwijzingen): [3]
Pernatest the issue of whether an accused substantiated his or her request to call a witness on his or her behalf is decided by reference to the relevance of that individual’s testimony for “the establishment of the truth”. While certain post-
Pernacases examined whether a witness’ testimony was relevant for the “establishment of the truth”, others relied on its ability to influence the outcome of a trial (…), reasonably establish an accused’s alibi (…), arguably lead to an acquittal (…) or arguably strengthen the position of the defence or even lead to the applicant’s acquittal (…). What appears to unite all of the above standards is the relevance of a witness’s testimony to the subject matter of the accusation and its ability to influence the outcome of the proceedings. In the light of the evolution of its case-law under Article 6 of the Convention the Court considers it necessary to clarify the standard by bringing within its scope not only motions of the defence to call witnesses capable of influencing the outcome of a trial, but also other witnesses who can reasonably be expected to strengthen the position of the defence.
sufficiently reasoned and relevant to the subject matter of the accusation’ is.
the relevance of that testimony’heeft beoordeeld in het licht van het ‘alternatieve scenario’ dat door de verdachte is geschetst. Dat is naar het mij voorkomt in overeenstemming met de benadering van het EHRM. Als de verdachte aanvoert dat hij op het moment waarop het misdrijf plaatsvond ergens anders was, kan de getuige die zijn alibi kan bevestigen een relevante verklaring afleggen. [6] Als de verdachte een getuige wil horen over beweerdelijke mishandeling door de politie in verband met een bekentenis die hij in het vooronderzoek heeft afgelegd, en de rechter de bewijsvoering in belangrijke mate op ander bewijs baseert, is aan de eis van relevantie niet voldaan. [7]