Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De procedure
3.Standpunten van partijen
Inhoud van het klaagschrift
kanworden aangemerkt doet daaraan niet af. Derhalve is de uitzonderingsgrond zoals bedoeld in lid 2 van
De officier van justitie verklaart, zakelijk weergegeven:
4.De beschikking
5.Het juridisch kader
6.Het eerste middel
zou kunnenworden aangemerkt – klaagster door het openbaar ministerie (nog) niet als verdachte is aangemerkt en dat er om die reden geen beletsel was om een vordering ex art. 126nda Sv aan de klaagster te doen. Maatgevend voor de vraag of klaagster had moeten worden aangemerkt als verdachte is immers, of er jegens klaagster een handeling vanwege de staat is verricht waaraan klaagster in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat tegen haar ter zake van overtreding van een wetsbepaling een strafvervolging zal worden ingesteld. [10] Dat is, zoals door het openbaar ministerie tijdens de behandeling van het klaagschrift is verklaard, en in feite ook door de verdediging is erkend, niet het geval.
kanworden aangemerkt. Hier gaat het tweede middel over.
7.Het tweede middel
zelfstandigverschoningsrecht toe komt op grond van art. 219 Sv Pro is dat niet onbegrijpelijk. Dit laat onverlet dat de rechtspersoon wél een beroep kan doen op een (van een verschoningsgerechtigde) afgeleid verschoningsrecht. Dat speelt als een vertegenwoordiger van de rechtspersoon als verdachte wordt gehoord en een beroep doet op een verschoningsrecht op grond van zijn hoedanigheid als zelfstandig verschoningsgerechtigde en niet als vertegenwoordiger van de verdachte rechtspersoon. [12]