Conclusie
Inleiding
Het tweede middel en de bespreking daarvan
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Uitoefenen van ongeoorloofde druk bij getuigenverhoren:
NJ2021/169, m.nt. Jörg heeft de Hoge Raad met betrekking tot art. 359a Sv overwogen geen aanleiding te zien substantiële wijzigingen aan te brengen in het in de rechtspraak ontwikkelde beoordelingskader inzake deze vormverzuimen. Wel heeft de Hoge Raad toen de precieze formulering van enkele maatstaven genuanceerd of bijgesteld. Daarbij is de Hoge Raad ingegaan op zowel vormverzuimen bij (in het verband van) het voorbereidend onderzoek, als op vormverzuimen (onrechtmatige handelingen jegens de verdachte) die buiten het bereik van art. 359a Sv liggen. Het schijnt mij toe, dat deze uiteenzetting van de Hoge Raad evenzeer van toepassing is op het Curaçaose strafprocesrecht, in ieder geval wat betreft de in art. 413 SvC Pro bedoelde vormverzuimen “tijdens” (in zoverre daarin besloten ligt: in het kader van) het voorbereidend onderzoek. Ik zie althans geen beletsel voor zo’n analoge toepassing.
NJ2004/376, m.nt. Buruma (rov. 3.5): “indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, [zal] in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg behoeven te worden verbonden aan het verzuim.” Ik neem aan dat de Hoge Raad nog altijd aan deze, destijds door hem geformuleerde stelregel vasthoudt, vooral ook omdat de Hoge Raad in het meergenoemde overzichtsarrest benadrukt dat er voor hem geen aanleiding is substantiële wijzigingen aan te brengen in het beoordelingskader zoals dat volgt uit de arresten van HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533,
NJ2004/376, m.nt. Buruma en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321,
NJ2013/308, m.nt. Keulen. Mede gelet op het hierboven aangehaalde arrest van HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:786 meen ik ervan uit te kunnen gaan dat ook dit aspect van het onderhavige beoordelingskader van toepassing is op art. 413 SvC Pro.
tezamenzouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. In de schriftuur wordt enkel geklaagd over de verwerping van het preliminaire verweer voor zover dit gaat over het door de verdachte beweerde uitoefenen van ongeoorloofde pressie op getuigen. Niet wordt (daarbij) geklaagd over de conclusie van het Hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging. Dat punt laat ik dus verder rusten.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
Overwegingen ten aanzien van het bewijs
met de wetdienen te zijn. Daarbij stelt het Hof voorop dat de tekst van deze wettelijke bepaling deze eis niet stelt. Het Hof volgt het Gerecht niet in de redenering dat deze eis moet worden afgeleid uit de hierboven geciteerde tekst uit artikel 19 van Pro genoemd verdrag, waarin wordt gesproken over "in strijd met de wet". Deze verdragsbepaling heeft de Curaçaose wetgever tot inspiratie gediend, wat niet uitsluit dat hij in verband met de lokale omstandigheden voor andere accenten, zoals een (iets) ruimere delictsomschrijving, heeft gekozen. De wetsgeschiedenis geeft hierover geen uitsluitsel maar de wettekst is, zoals gezegd, een aanwijzing dat dit inderdaad het geval is geweest. Ook de bewoordingen van de Engelse tekst van het verdrag, waar over "an act in violation of laws" wordt gesproken, dwingen niet tot de uitleg of vertaling dat enkel in het geval van handelen in strijd met de "wet" de strafbepaling kan worden overtreden, en derhalve kan overtreding van een geschreven norm reeds voldoende zijn.
Ten aanzien van alle feiten
Na intern onderzoek blijkt dat bezwaarde in aanmerking komt voor een vbv voor onbepaalde tijd. Aan de hand hiervan zal het bezwaarschrift gegrond verklaard worden. In dossier 85648 zijn geen documenten aangetroffen waaruit blijkt dat:
Het eerste middel en de bespreking daarvan
Artikelen 2:354 (misbruik van macht) en 2:356 (ongeoorloofde verrijking)
lex certaen het Duitstalige
Bestimmtheitsgebot) en het verbod op analogie (ter voorkoming van een té ruime interpretatie door de rechter). Dit bepaaldheidsvereiste houdt in dat de burger moet kunnen weten ter zake van welke gedragingen hij kan worden bestraft. De rechtszekerheid eist dit. Het is een taak van de wetgever om met het oog daarop zo duidelijk mogelijk delicten te omschrijven. Dat neemt niet weg dat de wetgever soms met een zekere vaagheid of met algemene termen delicten omschrijft om te voorkomen dat strafwaardige gedragingen buiten het toepassingsbereik van de delictsomschrijving vallen. Enige vaagheid is in een aantal gevallen onvermijdelijk. Niet alleen is niet altijd (goed) te voorzien op welke andere specifieke manieren de te beschermen belangen in de toekomst kunnen worden geschonden, maar ook kan een al te grote verfijning door een tableau aan uitgeschreven mogelijke gedragingen juist leiden tot onoverzichtelijkheid en ten koste gaan van het belang van algemene duidelijkheid van wetgeving. [12]
ter inspiratieheeft gediend. Ik begrijp dat de memorie van toelichting daarmee bedoelt te zeggen dat de wetgever geenszins eraan is gebonden de verdragstekst letterlijk, dus in strikte zin, te volgen in de wettekst en hij de ruimte heeft daaraan in de strafbepaling een ruimer bereik te geven, met als doel “corruptie
in welke vorm dan ookte ontmoedigen” (mijn cursivering). [14] Naar het mij voorkomt stemt deze interpretatie overeen met de geest van dat VN-verdrag. Daarin zal de verklaring zijn gelegen dat noch art. 2:354 SrC Pro, noch de memorie van toelichting verlangt dat dergelijk handelen in strijd is met de wet.
Het derde middel en de bespreking daarvan
De strafmotivering
Oplegging van straffen
Het vierde middel en de bespreking daarvan
Het zesde middel en de bespreking daarvan
meermalenzijn gepleegd, namelijk op eigen momenten ten aanzien van verschillende personen. Dat brengt mee dat, zoals het Hof op juiste gronden heeft geoordeeld, telkens sprake is van een zelfstandig feit in de zin van meerdaadse samenloop.
Het vijfde middel en de bespreking daarvan
Slotsom