ECLI:NL:PHR:2023:1006

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2023
Publicatiedatum
9 november 2023
Zaaknummer
23/00907
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen gekwalificeerde doodslag in Caribische zaak

De verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba veroordeeld tot 16 jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van gekwalificeerde doodslag, gepleegd tijdens een overval met diefstal. Het hof achtte bewezen dat de verdachte samen met anderen het slachtoffer had vastgebonden en verstikt, met het oogmerk de diefstal te vergemakkelijken.

De verdediging voerde in hoger beroep een alternatief scenario aan waarin de verdachte niet betrokken zou zijn geweest bij het doden van het slachtoffer en slechts de inhoud van een kluis zou hebben meegenomen. Dit scenario werd door het hof verworpen vanwege tegenstrijdigheden, late en wisselende verklaringen, en het ontbreken van verifieerbare onderbouwing.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof de verwerping van het verweer en de bewezenverklaring voldoende had gemotiveerd, ook al bleef onduidelijk wie precies de smoring had verricht. Daarnaast verwierp de Hoge Raad klachten over de redelijke termijn in hoger beroep en inzendtermijn in cassatie, waarbij werd geoordeeld dat geen schending van de redelijke termijn had plaatsgevonden.

Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de veroordeling van de verdachte definitief bleef staan.

Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling tot 16 jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van gekwalificeerde doodslag bleef in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/00907 C

Zitting14 november 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij vonnis van 13 oktober 2022 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) wegens “Medeplegen van doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van diefstal en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die diefstal voor te bereiden of gemakkelijker te maken of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemer(s) aan die diefstal, hetzij straffeloosheid, hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het Hof een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het vonnis is omschreven.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

3. In het eerste middel wordt geklaagd dat het Hof de verwerping van het verweer dat de verdachte niet het opzet heeft gehad het slachtoffer van het leven te beroven, althans de bewezenverklaring, ontoereikend heeft gemotiveerd.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
“dat hij, op of omstreeks 2 april 2015, te Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft hij verdachte en/of zijn, verdachtes, mededaders opzettelijk,
 een (zacht) voorwerp op de mond en de neus van die [slachtoffer] gedrukt en gedrukt gehouden en de hals van die [slachtoffer] naar achteren geduwd en de handen en benen van die [slachtoffer] met elektrische bedradingen vastgebonden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] geen/onvoldoende lucht en/of zuurstof heeft kunnen krijgen en dientengevolge is overleden
welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten, -diefstal, al dan niet, met geweld en/of bedreiging met geweld- het met oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening wegnemen van:
 een of meer geldbedragen en
 alcoholische dranken
toebehorende aan die [slachtoffer] , en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan die diefstal, hetzij straffeloosheid, hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.”
5. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: [1]
“1. [aangever] deed op 2 april 2015 aangifte van het aantreffen van het levenloze lichaam van haar echtgenoot, [slachtoffer] . Zij heeft het volgende verklaard:
“Gisteravond, op 1 april 2015, heeft mijn kleinzoon [betrokkene 1] nog johnny cake en een kopje thee naar mijn man [slachtoffer] (Hof: het slachtoffer) gebracht. Dit was omstreeks 20:30 uur en 21:00 uur. Op 2 april 2015, omstreeks 7:40 uur, liep ik naar de slaapkamer van mijn man [slachtoffer] . Ik merkte dat zijn handen en voeten vastgebonden waren en dat hij een doek op zijn gezicht had. [betrokkene 1] voelde aan de voeten van [slachtoffer] en deze voelden koud aan. Ook heeft [betrokkene 1] het doek of blouse van het gezicht van het slachtoffer gehaald. Mijn dochter [betrokkene 2] voelde dat hij koud was en zei dat hij al dood is.
Weggenomen: geld en sterke drank (ponche crema, bacardi en whiskey), die op het bed van het slachtoffer lagen.”
2. Op 2 april 2019 omstreeks 10:00 uur, werden de verbalisanten van Team Forensische Opsporing, naar aanleiding van een melding van een diefstal met geweldpleging met dodelijke afloop, gedirigeerd naar het adres [a-straat 1] in de wijk [wijk] . De verbalisanten hebben het volgende gerelateerd:
“Het slachtoffer werd liggend op zijn rug aangetroffen op het bed. Handen en voeten waren vastgebonden met elektrische snoeren. Bij het bekijken met forensisch licht zagen wij een crèmekleurig textiel op de neusrug en keel van het lichaam. Voor wat betreft de kleur komt deze overeen met het overhemd dat de kleinzoon van het gezicht van het slachtoffer had verwijderd. Bij het beschijnen van het overhemd met verschillende lichtspectrums zagen wij een vochtig gedeelte op het overhemd.
Voor het bed was er een oranje geverfde kast met daarvoor een (zelf vervaardigde) houten kluis. Deze kluis is voorzien van “Juwel cijfercombinatie” en een hangslot aan de voorkant. De verticale rechterplank van de kluis werd zeer waarschijnlijk vernield en gedeelte daarvan lag op de vloer. De (zelf vervaardigde) kluis en afgebrokkelde delen van hout werden met de daartoe bestemde dactyloscopische poeders bestoven. Aan de voorkant van de kluis zijn verticale planken aangebracht dienende ter afsluiting. Aan de voorkant is deze plank oranje en aan de achterkant is het witgeverfd. Bij het bestuiven met dactypoeder werden twee latente dactysporen zichtbaar. Deze twee dactyloscopische sporen werden voorzien van C20 en C21,
Deze sporen zijn ingevoerd in het crime scene bestand Afix.
Alle voor DNA waardige sporen zijn naar het NFI gestuurd voor DNA-onderzoek. In het resultaat van het NFI werden DNA-mengprofielen waargenomen die niet van het slachtoffer [slachtoffer] zijn. Het betroffen hier twee DNA-profielen van minimaal 2 personen aangetroffen in het spoor voorzien van het sporenidentificatienummer AAAC8903NL#01 en AAAC8903NL#02 (afkomstig van een Crème/zwartkleurige stuk lapje, met op bloed gelijkende vlekken).”
Op dinsdag 10 april 2015, omstreeks 13.00 uur is door dr. Driessche, werkzaam als arts-patholoog bij het ADC, sectie verricht op het slachtoffer genaamd [slachtoffer] geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1924. Het intreden van de dood kan worden verklaard door:
“De combinatie van deze letsels tezamen kan zeer goed passen bij geweldsinwerking aan de mond en mondbodem met naar achter strekken/duwen van de hals en het hoofd. De bevinding van enkele stipvormige bloeduitstortingen in de bindvliezen van de ogen (sub B) is aspecifiek doch kan gezien worden bij een overlijden door verstikking. Gezien het ontbreken van een andere doodsoorzaak (sub O) en gezien de hierboven beschreven bevindingen kan het overlijden zeer goed verklaard worden aan de hand van belemmering van de luchtwegen (krachtdadig smoren) en hierdoor verstikking (asfyxie). Dit kan overeenkomen met de aangeleverde informatie dat aan het gelaat mogelijk een bloes aanwezig geweest zou zijn.”
3. De verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben op 31 juli 2019 het volgende bevonden:
“Op donderdag 2 april 2015, had ik, [verbalisant 2] het dactyloscopische spoor gewaarmerkt met het dacty nummer C20 en geregistreerd onder Control ID’s: 11834 in het Latent bestand van Afix Tracker vergeleken met de referentieafdrukken voorkomende in het bestand van Afix Tracker.
Op vrijdag 19 juli 2019 werd de verdachte [verdachte] gedactyloscopeerd. Op 23 juli 2019 werd het dactyloscopisch signalement van verdachte automatisch vergeleken met het crime scene bestand van AFIX. Dit onderzoek heeft geleid tot een match van het spoor 11834 op een vergelijkingsafdruk van een rechterpink van een persoon geregistreerd in AFIX onder nummer 9380, [verdachte] . Het spoor onder nummer 11834, welke is aangetroffen op de van hout gemaakte kluis in de slaapkamer van het slachtoffer, is identiek aan de afdruk van de rechterpink van verdachte. Vanwege de eenmaligheid van vinger- en handpalmafdrukken houdt in dat deze sporen afkomstig zijn van verdachte en tevens dat dit spoor van niemand anders afkomstig kan zijn.”
4. Algemene Sporenmatrix:
AAAC8903NL Creme/zwartkleurige stuk lapje, met op bloed gelijkende vlekken.
5.In een deskundigenrapport, te weten een NFI rapport van 31 juli 2018, is het volgende vermeld:
Stukje textiel AAAC8903NL
Het stukje textiel is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. De beide uiteinden, een uitstekende puntje en gekreukte delen van het stukje textiel zijn bemonsterd met als doel DNA te verzamelen van diegene(n) die het stukje textiel bij het slachtoffer heeft (hebben) aangebracht). Deze bemonsteringen zijn veiliggesteld als AAAC8903NL#01 tot en met #05 voor een DNA onderzoek (zie fotobijlage voor de plaatsen van bemonstering).
6. In een deskundigenrapport, te weten een NFI rapport van 2 februari 2021, is het volgende vermeld:
“Omdat het betreffende lapje textiel is aangetroffen om de arm van het slachtoffer en vanwege de hoge bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer] , is de berekening ten aanzien van de verdachte [verdachte] tevens uitgevoerd onder de aanname dat het slachtoffer daadwerkelijk één van de donoren van het DNA in deze bemonstering is. In dat geval geldt het volgende: “DNA Mengprofiel AAAC8903NL#05 is ongeveer 10 miljoen keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer, verdachte en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer en twee willekeurige onbekende personen.”
7. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 7 september 2021 het volgende verklaard:
“Op 2 april 2015 ben ik naar de woning van [slachtoffer] gegaan. Ik ben in de slaapkamer van [slachtoffer] geweest en heb daar de inhoud van de kluis meegenomen. De buit was ruim NAF 20.000,-.”
6. Het Hof heeft ten aanzien van het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak en het in dat verband opgeworpen alternatieve scenario het volgende overwogen:

Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft daartoe - samengevat - aangevoerd dat het slachtoffer niet is overleden door toedoen van de verdachte. Voor de voor de verdachte belastende gegevens, te weten de vingerafdruk van de verdachte op de kluis van het slachtoffer en het DNA-spoor van de verdachte op een lapje textiel dat was vastgebonden aan de rechterbovenarm van het slachtoffer, is door de verdachte een alternatief scenario geschetst, dat niet in strijd is met wettige bewijsmiddelen en evenmin onaannemelijk dan wel ongeloofwaardig is. Dit alternatief scenario zal hierna worden besproken.
Bespreking verweren – door de verdediging opgeworpen alternatief scenario
Het alternatieve scenario houdt - samengevat - in dat de verdachte in de nacht van 2 april 2015, samen met twee andere mannen, in de woning van het slachtoffer is geweest. Samen met één van die mannen, genaamd wijlen [betrokkene 3] , heeft de verdachte het plan beraamd om geld, dat zich in de kluis in de slaapkamer van de verdachte bevond, van het slachtoffer te stelen en de buit te verdelen. Samen met [betrokkene 3] is hij naar de woning gereden en samen met een voor hem onbekende man, die buiten op hen stond te wachten en van wie de verdachte denkt dat het een bekende van de familie is, hebben zij de woning betreden. Bij het binnentreden van de kamer of enkele tijd nadat hij de kamer was binnengetreden heeft de verdachte het slachtoffer op bed zien liggen. Hij heeft gezocht naar de kluis, de kluis opengemaakt (waardoor een afdruk van zijn rechterpink is aangetroffen op de kluis), de inhoud weggenomen en is er vandoor gegaan toen de man wakker werd. De verdachte heeft nog gezien dat het slachtoffer op dat moment door de andere twee mannen bij zijn armen en benen werd vastgehouden. Hij is toen het huis ontvlucht, weggereden in een Kia en heeft enkele tijd later [betrokkene 3] gebeld om de buit te verdelen. [betrokkene 3] was na 5 minuten gearriveerd, waarna zij het geld hebben geteld en verdeeld. Pas in de dagen na het delict vernam de verdachte dat het slachtoffer was vastgebonden, was gesmoord en was komen te overlijden. Dat DNA materiaal van de verdachte is aangetroffen op een lapje textiel dat was vastgebonden om de arm van het slachtoffer kan de verdachte niet anders verklaren dan dat hij dit lapje – voordat het was vastgebonden om de arm van het slachtoffer – wellicht heeft aangeraakt bij het zoeken naar de kluis of daar zweet op heeft laten vallen.
Het Hof stelt ten aanzien van het door de verdediging geschetste scenario het volgende vast.
In eerste aanleg heeft de verdachte bij de rechter-commissaris verklaard nooit in de woning van het slachtoffer te zijn geweest. Dit heeft de verdachte tot en met de inhoudelijke behandeling van het Gerecht in eerste aanleg van 13 maart 2020 volgehouden. Geconfronteerd met zijn vingerafdruk op de verticale plank aan de voorkant van de kluis, heeft de verdachte bij die inhoudelijke behandeling als verklaring gegeven dat hij nooit in de woning is geweest maar dat hij op verschillende plaatsen in Curaçao timmersmanswerkzaamheden heeft verricht en om die reden wellicht zijn vingerafdruk op dat hout terecht is gekomen. De huidige alternatieve lezing van de verdachte is pas tot stand gekomen tijdens de 6e (pro-forma) terechtzitting in hoger beroep op 7 september 2021, nadat de verdachte is voorgehouden dat aan het dossier twee (belastende) NFI rapporten zijn toegevoegd, waaruit onder andere is gebleken dat DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen op een lapje textiel dat was vastgebonden aan de bovenarm van het slachtoffer. Het feit dat de verdachte wisselend heeft verklaard en voor het eerst pas in hoger beroep en nadat hij is geconfronteerd met nieuwe onderzoeksresultaten, het huidige alternatieve scenario naar voren heeft gebracht, doet sterk afbreuk aan de geloofwaardigheid ervan.
De verdachte heeft daarnaast in de verschillende verklaringen die hij vanaf 7 september 2021 heeft afgelegd over het huidige alternatieve scenario wederom op relevante onderdelen wisselend verklaard. Zo heeft hij eerst op 7 september 2021 geen namen genoemd van de mededaders, heeft hij op 4 oktober 2021 verklaard dat de mededader [naam 1] heette en heeft hij daarna op 28 december 2021 verklaard dat de mededader [naam 2] en later [betrokkene 3] oftewel [betrokkene 3] heette. Ook deze wijzigingen in zijn verklaring maken dat de huidige verklaring van de verdachte aan geloofwaardigheid inboet. Dat de verdachte naar eigen zeggen de naam van [betrokkene 3] pas in een later stadium heeft willen noemen, omdat hij bang was voor represailles is niet onderbouwd en is ook onwaarschijnlijk omdat [betrokkene 3] reeds op 7 april 2015 - enkele dagen na de overval is overleden en niet valt in te zien waarom de verdachte op 7 september 2021 en 4 oktober 2021 zijn naam niet kon noemen en op laatstgenoemde datum maar de naam [naam 1] heeft verzonnen, en op 28 december 2021 de naam van [betrokkene 3] wel kon noemen. Naast al deze wisselingen in zijn verklaringen en het zeer late tijdstip waarop en de omstandigheden waaronder de verdachte met het huidige alternatieve scenario is gekomen, geldt bovendien dat de verdachte zijn lezing, die in hoofdlijnen concreet is, niet heeft kunnen onderbouwen met verifieerbare gegevens die zijn verhaal aannemelijk kunnen maken. Zo is de door de verdachte aangewezen mededader [betrokkene 3] reeds overleden en kan de verdachte geen naam noemen van de andere door hem aangewezen mededader, die volgens hem een bekende van de familie moet zijn geweest. Het Openbaar Ministerie heeft nog uitvoerig getracht het alternatieve scenario van de verdachte te verifiëren door middel van het opnieuw horen van getuigen en nader DNA-onderzoek maar de uitkomsten van dit onderzoek bieden geen ondersteuning voor de verklaring van de verdachte.
Gelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, is het Hof van oordeel dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden en dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld.
Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.”
7. De bewijsoverwegingen van het Hof houden vervolgens het volgende in:

Betrokkenheid van de verdachte bij de dood van het slachtoffer
Uit het dossier leidt het Hof af dat meerdere daders betrokken zijn geweest bij de overval. Dit volgt uit de bevindingen van het NFI dat op het onderzochte stuk lapje textiel dat om de arm van het slachtoffer was vastgebonden DNA-profielen zijn waargenomen van minimaal twee personen, niet zijnde het slachtoffer, in combinatie met de uit de bewijsmiddelen naar voren komende wijze van het uitvoeren van de diefstal, zoals het vastbinden van het slachtoffer aan handen en voeten. Dit wordt bovendien ondersteund door de verklaring van de verdachte, aan welk aspect van zijn verklaring het Hof geen reden heeft te twijfelen.
Dat de verdachte een van de daders is geweest van de overval volgt uit de bewijsmiddelen. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat de daders het gemunt hadden op de inhoud van de kluis en dat de daders, om die diefstal te vergemakkelijken of te verzekeren, het slachtoffer toen hij wakker werd opzettelijk hebben omgebracht door middel van verstikking. Zoals hiervoor overwogen gaat het Hof voorbij aan het door de verdachte geschetste alternatieve scenario. Dit maakt dat het Hof de verdachte als een van de daders verantwoordelijk houdt voor de dood van het slachtoffer. De uiterlijke omstandigheden waarbij de verdachte een van de daders is geweest van een overval waarbij iemand opzettelijk is gedood en bovendien ook actieve betrokkenheid van de verdachte blijkt bij het vastbinden van een lapje textiel om de arm van het slachtoffer, maken dat het Hof bewezen acht dat de verdachte in bewust een nauwe samenwerking met (een) ander(en) de overval heeft gepleegd en ter voorbereiding, vergemakkelijking of verzekering van de diefstal het slachtoffer heeft omgebracht. Daarbij kan in het midden blijven of de verdachte al dan niet degene is geweest die het slachtoffer heeft gesmoord.
Gezien het vorenstaande, in onderling verband bezien en tevens in onderling verband met de bewijsmiddelen, is het Hof van oordeel dat verdachte zich samen met (een) ander(en) schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de gekwalificeerde doodslag zoals bewezen verklaard.”
8. Het in het middel bedoelde verweer van de verdediging houdt in dat de verdachte niet het opzet heeft gehad het slachtoffer van het leven te beroven. Daartoe was in hoger beroep aangevoerd dat de medeverdachten met betrekking tot het vastbinden en dergelijke geheel op eigen kracht hebben gehandeld buiten wetenschap van de verdachte om. In ieder geval zou dit handelen niet hebben plaatsgevonden toen de verdachte daarbij was, maar pas nadat de verdachte de woning was ontvlucht. Het bewijs dat de verdachte heeft deelgenomen of enige bijdrage heeft geleverd aan het vastbinden of de verstikking van het slachtoffer zou ontbreken. Voor de vondst van het DNA-materiaal van de verdachte op het lapje textiel om de arm van het slachtoffer, heeft de verdachte als alternatief scenario naar voren gebracht dat hij dit lapje – voordat het was vastgebonden om de arm van het slachtoffer – wellicht heeft aangeraakt bij het zoeken naar de kluis of daar zweet op heeft laten vallen.
9. Het Hof gaat niet mee met dit betoog van de verdediging. Het Hof komt in het bestreden vonnis tot het oordeel dat uit NFI-rapporten blijkt dat DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen op een lapje textiel dat was vastgebonden aan de bovenarm van het slachtoffer. Vervolgens oordeelt het Hof dat het alternatieve scenario dat de verdachte naar voren heeft gebracht, niet aannemelijk is geworden en dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Verder leidt het Hof uit het dossier af dat meerdere daders betrokken zijn geweest bij de overval en dat de verdachte een van die daders is geweest. Uit het aangetroffen DNA-materiaal van de verdachte op het lapje textiel om de arm van het slachtoffer, leidt het Hof een actieve betrokkenheid van de verdachte bij het vastbinden van het slachtoffer af. Het voorgaande maakt dat het Hof de verdachte als een van de daders verantwoordelijk houdt voor de dood van het slachtoffer. Het Hof is van oordeel dat uit het dossier kan worden opgemaakt dat de daders het hadden gemunt op de inhoud van de kluis en dat de daders, om die diefstal te vergemakkelijken of te verzekeren, het slachtoffer toen hij wakker werd opzettelijk hebben omgebracht door middel van verstikking. Daarbij merkt het Hof op dat in het midden kan blijven of de verdachte al dan niet degene is geweest die het slachtoffer heeft gesmoord.
10. De stellers van het middel klagen dat de motivering van de verwerping van het verweer en/of de bewezenverklaring tekortschiet. Daartoe voeren zij aan dat het Hof geen overweging heeft gewijd aan het bewijs van (voorwaardelijk) opzet, terwijl het expliciet heeft geoordeeld dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft gesmoord. Gedragingen zoals het vastbinden van de arm van het slachtoffer kunnen volgens de stellers van het middel naar de uiterlijke verschijningsvorm niet zonder meer worden aangemerkt als zo zeer gericht op de dood van de vastgebonden persoon dat kan worden gesteld dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard.
11. Dat het Hof in zijn bestreden vonnis geen overweging heeft gewijd aan het bewijs van voorwaardelijk opzet, laat zich verklaren door de omstandigheid dat het Hof, gelet op zijn bewijsoverweging, is uitgegaan van opzet en niet van voorwaardelijk opzet. In zoverre faalt het middel.
12. Voor zover het middel klaagt dat het Hof geen overweging heeft gewijd aan het opzet, mist het feitelijke grondslag en faalt het derhalve. Zoals hiervoor al is gebleken, heeft Het Hof immers overwogen dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte een van de daders is geweest van de overval en dat uit het dossier kan worden opgemaakt dat de daders het gemunt hadden op de inhoud van de kluis en, om die diefstal te vergemakkelijken of te verzekeren, het slachtoffer toen hij wakker werd opzettelijk hebben omgebracht door middel van verstikking.
13. Voor zover de stellers van het middel beogen te klagen over de motivering van het bewezenverklaarde opzet omdat het Hof expliciet heeft geoordeeld niet te hebben kunnen vaststellen dat de verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft gesmoord, merk ik om te beginnen op dat ik dit oordeel in het vonnis niet terugvind en dat daarmee deze klacht eveneens feitelijke grondslag mist en faalt. Wel heeft het Hof geoordeeld dat in het midden kan blijven of de verdachte al dan niet degene is geweest die het slachtoffer heeft gesmoord, maar dit tast de motivering van de bewezenverklaring niet aan. Bewezenverklaard is immers dat de verdachte het slachtoffer
tezamen en in vereniging met anderen of een andervan het leven heeft beroofd. In geval van een bewezenverklaring van medeplegen hoeft niet te worden vastgesteld welke feitelijke handelingen de verdachte zelf dan wel zijn mededader of mededaders hebben verricht. [2] In de jurisprudentie zijn diverse voorbeelden te vinden van zaken waarin de Hoge Raad de bewezenverklaring van medeplegen toereikend gemotiveerd heeft geacht, terwijl het hof in het midden had gelaten wie van de medeplegers de dodelijke handeling had verricht. [3] Dat het Hof in de onderhavige zaak in het midden heeft gelaten of de verdachte al dan niet degene is geweest die het slachtoffer heeft gesmoord, maakt de bewezenverklaring dan ook niet onbegrijpelijk.
14. Het eerste middel faalt.

Het tweede middel

15. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de op redelijkheid te beoordelen termijn in hoger beroep geen 16 maanden maar 2 jaar bedraagt.
16. In het bestreden vonnis heeft het Hof over de berechting binnen een redelijke termijn het volgende overwogen:
“Het Hof stelt vast dat de behandeling tweeënhalf jaar heeft geduurd. In dat verband wijst het Hof erop dat de verdachte op 3 april 2020 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis waarvan beroep en dat de behandeling in tweede aanleg eerst vandaag – aldus niet binnen twee jaren – met een eindvonnis is afgerond. Daarvoor zijn bijzondere omstandigheden aan te wijzen, te weten dat de verdachte in hoger beroep pas in een zeer laat stadium met een alternatief scenario is gekomen, waarnaar onderzoek moest worden verricht. Het Hof is van oordeel dat, gezien het vorenstaande en de (relatief) beperkte mate van de overschrijding, geen sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.”
17. In cassatie kan niet worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voor de bestreden uitspraak indien de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd. [4] De Hoge Raad gaat ervan uit dat de verdachte in een dergelijk geval niet langer dan redelijk is, heeft geleefd onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging. [5]
18. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 22 september 2022 blijkt dat de zaak is behandeld in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsvrouw. Dit proces-verbaal en de op die terechtzitting voorgedragen pleitnota houden niets in waaruit kan worden afgeleid dat door of namens de verdachte verweer is gevoerd ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn.
19. Het tweede middel kan daarom niet tot cassatie leiden.

Het derde middel

20. Het derde middel bevat de klacht dat het Hof de stukken van het geding niet tijdig naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden, waardoor de redelijke termijn van de berechting is geschonden.
21. Op 26 oktober 2022 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 30 mei 2023 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Zelfs als moet worden uitgegaan van een inzendtermijn van zes maanden, kan de overschrijding nog worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening van het cassatieberoep. In het geval de Hoge Raad uitspraak kan doen vóór 26 december 2023 is het middel tevergeefs voorgesteld.

Slotsom

22. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. Als de Hoge Raad het cassatieberoep voortvarend zal kunnen afdoen, is het derde middel tevergeefs voorgesteld.
23. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Met weglating van voetnoten. Cursiveringen, onderstrepingen en vetgedrukt als in origineel.
2.HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, r.o. 3.4; HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1606,
3.Vgl. HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1606,
4.HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1094, r.o. 3.3; HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2817, r.o. 2.3; HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
5.HR 7 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2817, r.o. 2.3 en HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,