Conclusie
1.Aanduiding procespartijen en korte inhoud cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
(…)
2.a. Alle diensturen worden uitbetaald onder aftrek van de pauzetijden conform de staffel welke is opgenomen in bijlage III en onder aftrek van de aaneengesloten rust, met als minimum de in de EG-Verordening 561/2006 voorgeschreven rusttijden (zie bijlage III). Bij boot- en treinuren gemaakt in een periode van 24 uur mag maximaal 11 uur aan aaneengesloten rust worden genoteerd met inachtneming van de staffel van de pauzetijden conform bijlage III.
2.b. De diensturen moeten door de werknemer worden geregistreerd op een door de werkgever te verstrekken urenverantwoordingsstaat. Een registratieplicht geldt eveneens voor de uren besteed aan rust, pauzes en de correcties.
2.c. De urenverantwoordingsstaat dient minimaal de navolgende gegevens te bevatten:
- de datum
- de diensttijd alsmede de dagtotalen daarvan
- de rusttijd
- de pauzes
- correcties
- de naam en handtekening van de chauffeur
2.d. De werknemer ontvangt na controle door de werkgever een voor akkoord getekend exemplaar van de urenverantwoordingsstaat terug.
2.e. De werknemer dient binnen drie maanden na ontvangst van de urenverantwoordingsstaat als bedoeld onder 2.d schriftelijk aan de werkgever eventuele bezwaren kenbaar te maken. Wanneer de werknemer van dat recht geen gebruik maakt, geldt de urenverantwoordingsstaat vanaf dat moment als bewijs.
2.f. De werkgever dient de ingevulde urenverantwoordingsstaat gedurende tenminste een jaar na de datum waarop de invulling betrekking had, te bewaren.
2.g. Voor de controle van de urenverantwoordingsstaten dienen de daarbij behorende tachograafschijven te worden overgelegd.
2.h. Bij het gebruik van elektronische tijdregistratiesystemen zijn werkgever en werknemer vrijgesteld van de verplichtingen zoals vermeld onder 2b t/m 2g. Na afloop van elke rit dient de werknemer de beschikking te krijgen over een ongeschoonde uitdraai van de in 2c. genoemde gegevens. Indien werknemer daartoe een eenmalig verzoek indient, is de werkgever tevens verplicht de werknemer éénmaal per betalingsperiode, elektronisch of op andere wijze, een geschoonde uitdraai van de boordcomputer te verstrekken waarop de gegevens staan vermeld overeenkomstig de in lid 2c. genoemde gegevens.
(…)
Artikel 44 - Vergoeding certificaten
A. Vergoeding ADR-certificaat
Voor het behalen en periodiek in stand houden van het ADR-certificaat in opdracht van de werkgever, zal de werkgever de cursuskosten, het examengeld en de reiskosten (volgens de in dat jaar geldende fiscale maximum netto kilometervergoeding) vergoeden. Voorts zal de werkgever de terzake bestede cursustijd met een maximum van 40 loonuren (à 100%) vergoeden. Deze uren tellen niet mee bij de bepaling van het aantal overuren.
(…)
Bijlage III - Rust en pauzes volgens artikel 26A
Aaneengesloten rust is:
de werkelijk genoten aaneengesloten rust, echter:
minimaal 11 uur óf 9 uur rust óf compensatie van 3 uur in dezelfde 24-uurs periode + 9 uur
Staffel pauzetijden:
30 minuten bij een diensttijd van 4,5 uur tot 7,5 uur
60 minuten bij een diensttijd van 7,5 uur tot 10,5 uur
90 minuten bij een diensttijd van 10,5 uur tot 13,5 uur
120 minuten bij een diensttijd van 13,5 uur tot 16,5 uur
150 minuten bij een diensttijd van tenminste 16,5 uur. (…)”
b. betaling aan hem van een bedrag van € 5.815,46 bruto aan vakantie-/verlofdagen over het gehele dienstverband;
c. betaling aan hem van een bedrag van € 36.160,-- bruto aan overuren;
d. betaling aan hem van een bedrag van € 13.550,-- bruto aan overuren die zijn gemaakt in het weekend;
e. betaling aan hem van een bedrag van € 12.335,-- netto aan vergoeding verblijfskosten;
f. betaling aan hem van een bedrag van € 1.140,-- netto aan scholings-/opleidingskosten;
g. betaling aan hem van een bedrag van € 183,-- netto aan reiskosten die samenhangen met het volgen van de scholing;
h. betaling aan hem van een bedrag van € 15,-- netto aan bijtelling bekeuringen;
i. afgifte van een deugdelijke bruto-netto specificatie over het onder a tot en met h gevorderde, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,-- per dag dat [verweerders] niet aan het vonnis hebben voldaan;
j. betaling aan hem van de maximale wettelijke verhoging over het onder a tot en met d gevorderde;
k. betaling aan hem van de wettelijke rente over het onder a tot en met g gevorderde;
l. betaling aan hem van een bedrag van € 875,-- aan buitengerechtelijke incassokosten;
m. betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis, alsmede de nakosten.
in conventie:
- [verweerders] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 15,-- netto betreffende de bijtelling bekeuringen [7] , onder overlegging van een deugdelijke bruto-netto specificatie;
- [eiser] veroordeeld in de proceskosten;
- de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard; en
- het meer of anders gevorderde afgewezen;
in reconventie:
- de vorderingen afgewezen;
- [verweerders] veroordeeld in de proceskosten; en
- de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
€ 83.654,37 te voldoen, te verhogen met 50% wettelijke verhoging en de maximale wettelijke rente ook over de wettelijke verhoging steeds vanaf de vervaldatum van de deelbedragen waaruit het eindbedrag is opgebouwd.
hebben geen antwoordakte genomen.
- het vonnis van de kantonrechter van 5 december 2018 vernietigd;
- [verweerders] veroordeeld tot betaling van € 30.619,81 bruto aan overuren, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf de veertiende dag na dagvaarding in eerste aanleg tot de dag der algehele betaling;
- [verweerders] veroordeeld tot betaling van € 250,-- netto aan cursuskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na dagvaarding in eerste aanleg tot de dag der algehele betaling;
- [verweerders] veroordeeld over te gaan tot afgifte van deugdelijke bruto-netto specificaties, waarin de in dit arrest [10] toegewezen bedragen aan overuren zijn verwerkt, binnen twee maanden na datum arrest op straffe van een dwangsom van € 250,-- per dag dat [verweerders] niet aan deze veroordeling hebben voldaan, met een maximum van € 10.000,--;
- de proceskosten in beide instanties gecompenseerd;
- de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard, en
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen [verweerders] is verstek verleend.
[eiser] heeft zijn standpunt schriftelijk toegelicht.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel I [12] beperkt het hof de vordering van [eiser] in rov. 4.11 en 4.12 van het tussenarrest en daarop voortbouwend in rov. 2.1 en 2.3 t/m 2.3.4 van het eindarrest, tot ‘overuren doordeweeks’. Het onderdeel klaagt, uitgaande van deze vooropstelling, dat het hof daarbij uitgaat van een onjuiste, onbegrijpelijke en te beperkte uitleg van de vordering van [eiser] , te hoge eisen stelt aan de stelplicht alsmede de ‘domeinleer’ miskent.
Overuren doordeweeks
(…)
4.11 Nu [verweerster 1] niet heeft voldaan aan haar verplichting uit de cao om door haar ondertekende exemplaren van de urenstaten aan [eiser] te overhandigen, is de termijn van drie maanden van artikel 2.e [13] van de cao, waarbinnen [eiser] gehouden was te klagen over een niet juist geaccordeerde urenverantwoording, naar het oordeel van het hof niet gaan lopen omdat de aanvang van deze termijn is gekoppeld aan de ontvangst van een door de werkgever geaccordeerd exemplaar. [eiser] zal daarom, zoals verzocht, in de gelegenheid worden gesteld om zijn vordering te baseren op de daadwerkelijk te weinig betaalde overuren. In verband daarmee wordt [verweerster 1] op grond van artikel 22 Rv Pro bevolen om bij akte over te leggen (zonder verdere toelichting): alle dagrapporten, urenstaten, uitdraaien van de tachografen en salarisspecificaties over de periode dat [eiser] in dienst was. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de rol van 30 maart 2021. [eiser] zal vervolgens de gelegenheid krijgen om hierop te reageren en eventueel zijn eis te wijzigen. Indien [eiser] zijn eis wil wijzigen dient deze eiswijziging te worden toegelicht met een gespecificeerde en voldoende onderbouwde berekening van de daadwerkelijk te weinig betaalde overuren conform artikel 26 [14] lid 2.d van de cao. Vervolgens zal [verweerster 1] mogen reageren bij antwoordakte.
Met andere woorden: het hof oordeelt, anders dan de kantonrechter, dat als gevolg van het feit dat [verweerster 1] de urenstaten, in strijd met de bepalingen uit de cao, niet heeft ondertekend en aan [eiser] heeft geretourneerd, [eiser] heeft kunnen volstaan met een schatting van zijn vordering tot betaling van doordeweekse overuren. [verweerders] worden vervolgens op grond van art. 22 Rv Pro verplicht de in rov. 4.11 genoemde gegevens in het geding te brengen zodat [eiser] deze vordering kan baseren op en – in een eventuele eiswijziging – aanpassen aan de daadwerkelijk gemaakte overuren. Dit betekent dat de grieven gericht tegen de afwijzing door de kantonrechter van de vordering ten aanzien van de doordeweekse overuren slagen.
Subonderdeel I.1astelt allereerst voorop dat het hier bij uitstek gaat om tot het domein van [verweerders] behorende bescheiden, waarop [eiser] zijn vordering moet baseren. Die situatie is, aldus zakelijk weergegeven het subonderdeel, vergelijkbaar met die in het arrest HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7774, dat ook over het in het geding brengen van een urenregistratie gaat.
Vervolgens klaagt het subonderdeel in de eerste plaats, verkort weergegeven, dat de memorie van grieven onder 4 t/m 6, 13 t/m 17 en het petitum niet anders kan worden begrepen dan dat [eiser] al het niet ontvangen loon en alle niet ontvangen verblijfskosten vordert, en dat hij een schatting daarvan geeft omdat hij (nog) niet over de administratieve bescheiden van [verweerders] beschikt. Het oordeel van het hof is volgens het subonderdeel dan ook onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Grief 2 tevens wijziging van eis12. Naar het inzicht van de werknemer had het in de rede gelegen om eerst de vorderingen van overuren in het weekeind, verblijfskosten te behandelen. Uitgangspunt is daarbij artikel 26[a] [16] van de cao. Tussen partijen staat vast dat de werknemer de door de cao voorgeschreven dagrapporten ingevuld bij de werkgever heeft ingeleverd en de werkgever ze niet ondertekend aan de werknemer heeft teruggegeven in weekstaten zodat de werknemer ze niet heeft voor zijn administratie en ook de bezwaarmogelijkheid die de cao biedt niet heeft kunnen benutten. De gevolgen hiervan dienen rechtens voor risico van de werkgever te komen. Het is de werkgever die zijn verplichting tot accordering en verstrekking niet nakomt, de werknemer is gaan procederen op basis van een gemotiveerde schatting daar kan van worden uitgegaan waarbij de werkgever tot tegenbewijs wordt toegelaten hetgeen dan d.m.v. de door de werkgever te produceren dag urenstaten met CMR-vrachtbrieven en verdere (week) loonadministratie (denk bijv. aan berekening overuren reistijdvergoeding en vakantiedagen) op basis van de cao kan en moet worden geleverd. De CMR-vrachtbrieven horen bij de dag urenstaten omdat lossen onder werktijd gebeurt en een vrachtauto stilstaat of binnen de 30 seconden regeling kan worden verplaatst zonder dat de tachograaf dan gaat lopen. Starturen van een dag worden zo niet geregistreerd. De tachograaf vormt geen bewijs van werktijd. De werkgever is immers verplicht de cao na te leven.
17. De werknemer vordert primair veroordeling van de werkgever bij tussenarrest om bij akte een berekening met betrekking tot de nog uit te betalen diensturen over te leggen die voldoet aan de geldende cao voorzien van de dagrapporten en met een berekening van de verdere gevolgen voor vakantie-, en verlofdagen; overuren en weekeindoveruren; en verblijfkosten.
18. De werknemer vordert uitbetaling van het saldo van deze berekening met de wettelijke rente ook over de bij deze gevorderde maximale verhoging.
Grief 3
De eerste twee klachten van subonderdeel I.1a zijn terecht voorgesteld.
overuren(onderstreping hof) conform artikel 26[a] [17] lid 2.d van de cao.” [eiser] heeft zijn eiswijziging niet beperkt tot overuren, maar hij heeft ook ter zake van zaterdagen, zondagen, feestdagen en cao-vergoedingen vorderingen ingesteld. Het hof wijst erop dat in 4.12. van het tussenarrest is overwogen dat de grieven 2 en 3 worden verworpen voor zover deze betrekking hebben op de afwijzing van de vorderingen tot betaling van de overuren in het weekend en de verblijfskosten. In het tussenarrest is dus al een bindende eindbeslissing, te weten een afwijzing, gegeven ter zake van de vordering tot betaling van overuren op zaterdagen en zondagen en de verblijfskosten. Bij gebreke van een andersluidende toelichting van [eiser] begrijpt het hof dat [eiser] met die cao-vergoeding doelt op voornoemde verblijfskosten. Aan deze eindbeslissing ligt als overweging ten grondslag dat [eiser] niet heeft gesteld dat hij door toedoen van [verweerster 1] niet beschikt over gegevens die betrekking hebben op deze vorderingen. [eiser] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die tot de conclusie kunnen leiden dat op deze beslissing moet worden teruggekomen. Ook ambtshalve ziet het hof geen grond om op voormelde eindbeslissing terug te komen.
[] [18] 2.3.3. Vergoeding wegens werken op feestdagen heeft [eiser] niet eerder gevorderd dan bij akte van 1 juni 2021. Er is dus nimmer een debat gevoerd over de vergoeding voor het werken op feestdagen, terwijl [eiser] van meet af aan ermee bekend verondersteld mag worden dat hij ook op feestdagen werkte. In zoverre is er dan ook sprake van een geheel nieuw geschilpunt dat niet door de grieven is ontsloten. Deze vordering moet daarom gezien worden als een nieuwe grief, maar die grief is niet tijdig, namelijk in de memorie van grieven, naar voren gebracht.
Daarmee slaagt subonderdeel I.1a in zijn geheel.
Subonderdeel I.3bbevat een soortgelijke klacht waarbij, in aanvulling op de klacht van subonderdeel I.1b, nog wordt opgemerkt dat [eiser] in par. 17 en in het petitum van de memorie van grieven (onder 2) het hof verzoekt om bij tussenarrest [verweerders] te gelasten om alsnog de benodigde gegevens in het geding te brengen met de daaruit voortvloeiende verdere betalingen. Dit kan volgens het subonderdeel in redelijkheid niet anders worden begrepen dan dat [eiser] alle uit die nog over te leggen gegevens ten onrechte niet ontvangen loon en verblijfskosten vordert of dat nu uren in het weekend, op feestdagen of doordeweeks betreft. Dan ligt het dus naar de aard in de rede dat het inhoudelijke debat eerst kan plaatsvinden aan de hand van de door [verweerders] verschafte informatie. Dat dit debat vervolgens van de zijde van [verweerders] niet heeft plaatsgevonden omdat zij ervoor hebben gekozen om niet op de akte van [eiser] te reageren, moet voor hun risico komen, aldus nog steeds subonderdeel I.3b.
Doordeweekse overuren 2011-20142.5. [eiser] baseert zijn vordering over 2011 tot en met 2014 op het gemiddelde van de te weinig betaalde uren over 2015, 2016 en 2017 (tot en met einde dienstbetrekking in maart).
2.5.1. Wat de jaren 2013 en 2014 betreft hebben [verweerders] naast de salarisspecificaties ook Activiteitenoverzichten overgelegd. Hieruit blijken ook de gehanteerde rusttijden. Het enkele feit dat de dagrapporten en urenstaten over die jaren niet zijn overgelegd en dat daardoor controle niet mogelijk zou zijn, neemt niet weg dat van [eiser] verwacht mocht worden om aan de hand van de salarisspecificaties en Activiteitenoverzichten een gespecificeerde toelichting en onderbouwde berekening van niet betaalde doordeweekse overuren te maken om pas daarna de conclusie te trekken dat de gegevens al dan niet juist zijn. Gelet hierop heeft [eiser] niet voldoende toegelicht dat hij genoodzaakt was om over de jaren 2013 en 2014 een gemiddelde te hanteren en dat hij niet in staat was een berekening te maken aan de hand van de salarisspecificaties en de Activiteitenoverzichten. De vorderingen over 2013 en 2014 worden daarom als onvoldoende toegelicht en onvoldoende onderbouwd afgewezen.”
subonderdeel II.2heeft het hof, samengevat, daarentegen wel gevolgtrekkingen gemaakt jegens [eiser] door van hem te eisen dat hij aan de hand van salarisspecificaties en Activiteitenoverzichten een gespecificeerde toelichting en onderbouwde berekening van niet betaalde doordeweekse overuren zou maken. Dit is rechtens onjuist en onbegrijpelijk. Per saldo brengt het hof daarmee het niet voldoen aan het bevel van het hof als bedoeld in art. 22 Rv Pro ten laste van [eiser] , terwijl, als daaraan consequenties worden verbonden, die gevolgen dan dienen te strekken ten laste van [verweerders] en niet van [eiser] , aldus nog steeds het subonderdeel.
Indien [eiser] zijn eis wil wijzigen dient deze eiswijziging te worden toegelicht met een gespecificeerde en voldoende onderbouwde berekening van de daadwerkelijk te weinig betaalde overuren conform artikel 26[a] lid 2.d van de cao. Vervolgens zal [verweerster 1] mogen reageren bij antwoordakte.”
Ook dit subonderdeel faalt dus.