Conclusie
1.Feiten en procesverloop
1. Procesverloop
- ernstig lichamelijk letsel;
- ernstige materiële schade;
- maatschappelijke teloorgang;
- de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
- De rechtbank is op basis van de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting van oordeel dat tevens wordt voldaan aan het vereiste dat gedrag voortvloeiend uit de psychische stoornis, ernstig nadeel veroorzaakt. Betrokkene wil, zo blijkt opnieuw tijdens de mondelinge behandeling, zijn middelengebruik niet opgeven. Daarbij bagatelliseert betrokkene zijn gebruik en vindt hij het een keuze die hij zelf mag maken. Die keuze reikt naar het oordeel van de rechtbank echter niet zover dat, zoals in het verleden is gebleken, anderen het risico moeten lopen op agressief gedrag dat het middelengebruik van betrokkene kan veroorzaken. De rechtbank vindt het dan ook extra zorgelijk dat ook binnen de muren van de hoog beveiligde accommodatie waar betrokkene al geruime tijd verblijft, hij blijvend gebruikt en gedurende de looptijd van de vorige zorgmachtiging acht keer positief testte op cannabis en eenmaal op XTC en amfetaminen.
vormen van zorg, die zijn gebaseerd op het zorgplan,
2.Bespreking van het cassatiemiddel
(Bijlage : Bevindingen GHD)”. Die laatste bijlage staat niet vermeld op het bijlagenoverzicht en bevindt zich ook niet bij de stukken die voorlagen en aan de advocaat van betrokkene zijn verstrekt. Wel bevindt zich bij de stukken een brief van 7 februari 2022 aan de officier van justitie van [betrokkene 1], medewerker bureau verplichte zorg, waarmee de bescheiden ter verkrijging van een zorgmachtiging worden overgelegd, zonder nadere specificatie. Die brief kan niet beschouwd worden als bevindingen van de geneesheer-directeur. De verwijzing van de rechtbank in rov. 2.5 naar een advies van de geneesheer-directeur dat verzoeker en zijn advocaat niet hebben gekregen en dat gelet op het bijlagenoverzicht niet is overgelegd en dus ook aan de rechtbank onbekend moet zijn, is onjuist, althans onbegrijpelijk. Indien de rechtbank alsnog bevindingen van de geneesheer-directeur zou hebben ontvangen en daar aan refereert, is er sprake van een schending van het recht op hoor en wederhoor, aldus volgens het middel.
nietde in rov. 2.5 genoemde bevindingen van de geneesheer-directeur bevat. Ik heb zekerheidshalve op 16 augustus 2022 ambtshalve het procesdossier van de rechtbank opgevraagd en na ontvangst daarvan heb ik vastgesteld dat de bevindingen van de geneesheer-directeur ook in het rechtbankdossier ontbreken.
in elk geval’) bij het verzoekschrift van de officier van justitie moeten worden gevoegd. [7] Onder letter e. worden genoemd ‘
de bevindingen van de geneesheer-directeur, bedoeld in art. 5:15 Wvggz Pro.’ Verder wijs ik erop dat de geneesheer-directeur een bewakende rol heeft. [8] Zijn betrokkenheid vormt voor de betrokkene een procedurele waarborg. Ik zou menen dat juist als de officier van justitie gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van de bevindingen van de geneesheer-directeur, het essentieel is dat de rechtbank van die bevindingen kennis kan nemen, waartoe uiteraard is vereist dat zij bij het procesdossier zitten. Daar voeg ik nog aan toe dat als een van de in art. 5.17 lid 3 Wvggz genoemde stukken niet vereist zou zijn (hier: de bevindingen van de geneesheer-directeur), een hellend vlak dreigt te ontstaan omdat de volgende vraag dan kan zijn of ook andere stukken gemist kunnen worden in het aanvraagdossier.