De zaak betreft de uitleg van het bestanddeel 'ertoe beweegt' in artikel 248d van het Wetboek van Strafrecht, dat strafbaarstelling regelt van het bewegen van minderjarigen tot het getuige zijn van seksuele handelingen. De verdachte was door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het zich aftrekken in het zicht van vier jongens, waarbij het hof oordeelde dat het aankijken en meedraaien met de jongens actieve gedragingen waren die hen ertoe bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen.
De advocaat van de verdachte stelde cassatie in tegen dit oordeel, stellende dat het enkel masturberen en kijken onvoldoende is voor het bestanddeel 'ertoe beweegt', dat actieve handelingen vereist die gericht zijn op het verleiden van minderjarigen tot het getuige zijn. De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het draaien met het lichaam en het aankijken van de jongens actieve gedragingen zijn die het vereiste causale verband vormen.
De conclusie benadrukt dat de strafbepaling voortvloeit uit het Verdrag van Lanzarote, gericht op bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting. De uitleg van 'ertoe beweegt' sluit aan bij eerdere jurisprudentie over vergelijkbare bestanddelen in andere strafbepalingen. De conclusie wijst af dat een vluchtige waarneming voldoende is; er moet sprake zijn van een actieve gedraging die het kind mede onder invloed brengt tot het getuige zijn van seksuele handelingen.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatiemiddel en bevestigt de rechtmatigheid van het oordeel van het hof.