ECLI:NL:PHR:2022:561

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2022
Publicatiedatum
10 juni 2022
Zaaknummer
20/04245
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22c SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 55 SrArt. 56 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cumulatie taakstraffen en toepassing artikel 63 Sr bij gelijktijdige veroordelingen

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren voor meerdere feiten, waaronder mishandeling en wederrechtelijke binnendringing, met een subsidiaire hechtenis van 50 dagen. Tegelijkertijd is in een samenhangende zaak een taakstraf van 200 uren opgelegd. De verdediging betoogt dat cumulatie van deze taakstraffen de wettelijke limiet van 240 uren, zoals bepaald in art. 22c, tweede lid, Sr, overschrijdt.

De procureur-generaal bespreekt de toepassing van art. 63 Sr Pro, dat bepaalt dat bij gelijktijdige veroordelingen de samenloopbepalingen van art. 55 tot Pro en met 62 Sr in acht moeten worden genomen. Uit de stukken blijkt dat de veroordeling van 200 uren de laatste uitspraak is, waardoor art. 63 Sr Pro in die zaak van toepassing is en niet andersom.

De conclusie is dat de taakstraffen niet cumulatief mogen worden opgeteld zonder beperking, maar dat de samenloopregeling juist bepaalt dat één straf wordt opgelegd met een maximum dat overeenkomt met de hoogste straf plus een derde daarvan. De verdediging faalt daarom in haar middel en het beroep dient te worden verworpen. Er is geen reden voor vernietiging van het arrest.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; cumulatie van taakstraffen overschrijdt niet het maximum van 240 uren binnen de samenloopregeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/04245

Zitting14 juni 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 4 december 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. subsidiair “mishandeling”, 2. “in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen, meermalen gepleegd” en 4. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft tevens beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 20/04115. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte heeft J. de Haan, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4. Het middel klaagt dat het hof bij de strafoplegging heeft miskend dat art. 22c, tweede lid, Sr een beperking van de maximaal op te leggen taakstraf inhoudt tot de duur van maximaal 240 uren, nu het hof op 4 december 2020 de verdachte in de onderhavige zaak (met parketnummer 21-005318-17) heeft veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren en in de gelijktijdig, maar niet gevoegd behandelde zaak (met parketnummer 21-006616-18) tot een taakstraf van 200 uren. De steller van het middel betoogt in dit verband dat het standpunt van de Hoge Raad in zijn arrest van 28 november 2006 [1] , dat zou inhouden dat geen sprake is van een beperking op de cumulatie van taakstraffen, herijking verdient en dat deze cumulatie bij samenloop begrensd dient te worden op het in art. 22c, tweede lid, Sr opgenomen maximum van 240 uren.
5. Art. 22c, tweede lid, Sr luidt:
“De taakstraf duurt ten hoogste tweehonderdenveertig uren.”
6. Art. 57 Sr Pro luidt:
“1. Bij samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, wordt één straf opgelegd.
2. Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”
7. Art. 63 Sr Pro luidt:
“Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”
8. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Indien, zoals in het onderhavige geval, op dezelfde dag uitspraak wordt gedaan tegen een verdachte in twee zaken die gelijktijdig, maar niet gevoegd zijn behandeld, is art. 63 Sr Pro van toepassing in de zaak waarvan het arrest het laatste is uitgesproken. [2] De toepasselijkheid van art. 63 Sr Pro brengt mee dat de samenloopbepalingen van art. 55 t/m 62 Sr bij de strafoplegging in acht moeten worden genomen.
9. Uit de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken in zowel de onderhavige zaak als de samenhangende zaak blijkt niet welke van beide arresten op 4 november 2020 het laatste is uitgesproken. Ik ga ervan uit dat dit het arrest in de samenhangende zaak is, omdat die zaak een parketnummer heeft uit 2018, terwijl de onderhavige zaak een parketnummer heeft uit 2017. [3] De veroordeling in de onderhavige zaak maakt derhalve dat art. 63 Sr Pro van toepassing is in de samenhangende zaak, maar het omgekeerde geldt niet.
10. Het middel is gebaseerd op de veronderstelling dat de veroordeling tot een taakstraf van 200 uren in de samenhangende zaak, zich in de onderhavige zaak verzet tegen oplegging van een taakstraf van 100 uren vanwege de toepasselijkheid van de samenloopregeling via de weg van art. 63 Sr Pro. Gelet op het voorgaande is die veronderstelling evenwel onjuist. Dat het hof ook in de onderhavige zaak art. 63 Sr Pro heeft aangehaald, doet daaraan niet af. Gelet op het bij de stukken gevoegde uittreksel Justitiële Documentatie betreffende de verdachte van 19 oktober 2020 laat die aanhaling zich verklaren door de (tussentijdse) veroordeling door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 15 november 2018. Daarmee faalt het middel. [4]

Slotsom

11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
12. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 28 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8324,
2.HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7583, r.o. 2.6-2.7.
3.Vgl. HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7583, r.o. 2.6.
4.Voor een bespreking van de vraag of het standpunt van de Hoge Raad uit 2006 herijking behoeft, verwijs ik naar mijn conclusie in de samenhangende zaak.