AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad bevestigt afwijzing aanhoudingsverzoek in uitleveringszaak Bosnië en Herzegovina
De zaak betreft een uitleveringsverzoek van een persoon aan Bosnië en Herzegovina ter uitvoering van een gevangenisstraf van twee jaar en zeven maanden voor drugshandel. De verdediging verzocht meerdere malen om aanhouding van de procedure vanwege ernstige veiligheidsrisico’s en mensenrechtenschendingen in Bosnië, waaronder bedreigingen en mishandelingen van de opgeëiste persoon en zijn gezin.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant wees het tweede aanhoudingsverzoek af omdat de verdediging onvoldoende concrete stukken kon overleggen die een voltooide schending van artikel 3 EVRMPro aannemelijk maakten. De verdediging had eerder al de gelegenheid gekregen om haar standpunt met stukken te onderbouwen, maar slaagde daar niet in.
De verdediging stelde in cassatie dat de rechtbank onvoldoende een belangenafweging had gemaakt tussen het belang van aanhouding en het belang van spoedige berechting. De Hoge Raad oordeelt dat het beoordelingskader voor aanhouding in strafzaken niet zonder meer van toepassing is op uitleveringsprocedures. De rechtbank heeft de relevante wettelijke voorschriften correct toegepast en de afwijzing van het aanhoudingsverzoek is toereikend gemotiveerd.
De Hoge Raad bevestigt dat bij uitleveringszaken het vertrouwen in de verzoekende staat centraal staat en dat alleen bij een voltooide flagrante schending van fundamentele rechten de uitleveringsrechter tot weigering mag overgaan. Het beroep wordt verworpen en het vonnis van de rechtbank blijft in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het aanhoudingsverzoek in de uitleveringsprocedure wordt afgewezen.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/05102 U
Zitting14 juni 2022
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de opgeëiste persoon.
I. Inleiding
De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beslissing van 23 november 2021 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina toelaatbaar verklaard ter fine van de tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en zeven maanden ter zake van (kort gezegd) de ongeoorloofde productie en distributie van verdovende middelen.
Namens de opgeëiste persoon heeft mr. K.R. Verkaart, advocaat te Breda, één middel van cassatie voorgesteld.
II. Het middel
3. Het middel klaagt dat de rechtbank, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het aanhoudingsverzoek dat namens de opgeëiste persoon ter zitting van 9 november 2021 is gedaan, heeft afgewezen.
III. Het aanhoudingsverzoek
4. In het proces-verbaal van de zitting van 9 november 2021 is het aanhoudingsverzoek van de raadsman van de opgeëiste persoon en de beslissing van de rechtbank daarop als volgt gerelateerd:
“De raadsman houdt zijn pleidooi en voert aan, zakelijk weergegeven:
Ik had hier vandaag graag met meer stukken gestaan om mijn verweer meer te onderbouwen. De situatie in Bosnië is echter dusdanig dat dit ertoe heeft geleid dat ik nu bijna met lege handen sta, omdat het de verdediging in Bosnië onmogelijk wordt gemaakt om de benodigde stukken te verkrijgen. De rechtbank heeft bij de vorige zitting het belang onderkend om de verdediging de gelegenheid te geven aan te tonen dat de belangen van mijn cliënt ernstig worden geschonden. Indien het uitleveringsverzoek toelaatbaar wordt verklaard is het aan de Minister om daar gevolg aan te geven. De verdediging acht het van groot belang dat de rechtbank daarover zal adviseren.
Primair wil ik echter een aanhoudingsverzoek doen in verband met de politieke situatie in Bosnië op dit moment. De brief die ik aan de rechtbank heb toegestuurd van de advocaat van cliënt in Bosnië laat zien wat de reden is dat door de verdediging stukken niet kunnen worden overgelegd. De advocaat is op allerlei manieren tegengewerkt en wordt steeds van het kastje naar de muur gestuurd. Daarnaast wil ik U wijzen op de politieke situatie in Bosnië. De president is in negatieve zin in het nieuws en de situatie is op dit moment zo instabiel dat de vrees voor een nieuwe Balkanoorlog wordt gevreesd. Dit zorgt voor grote onrust in Bosnië en hierdoor is ook het justitiële apparaat instabiel. De situatie is zo dreigend dat het naar mijn mening kan leiden tot een fundamenteel dreigende situatie voor cliënt. Cliënt is namelijk een Bosniak die in een bedreigende situatie verkeert. Daarom doe ik opnieuw een aanhoudingsverzoek.
Daarnaast is er sprake van mishandeling en bedreigingen van cliënt en van zijn gezin. Daarom kan naar mijn mening de uitlevering niet toelaatbaar worden verklaard wegens een voltooide schending van artikel 3 vanPro het EVRM. Ik wijs daarbij op de stukken die eerder door mij zijn ingebracht en op de stukken die ik vanochtend heb ingebracht. Het gaat daarbij om schending door een niet-overheidsorgaan. Omdat de politieke situatie in Bosnië zo instabiel en onrustig is, wordt tegen die schending door een niet-overheidsorgaan niet opgetreden door de overheid.
Meer subsidiair verzoek ik de rechtbank om de Minister te adviseren omtrent de dreigende schending van artikel 3 ofPro 6 van het EVRM, ontstaan door bedreigingen vanuit het criminele milieu, de instabiele politieke situatie in Bosnië en het feit dat in het tegen cliënt gewezen vonnis is opgenomen dat aan hem veiligheidsgaranties zijn toegezegd en dat inmiddels is vast komen te staan dat die veiligheidsgaranties door de autoriteiten in Bosnië niet zijn waargemaakt.
[…]
Desgevraagd deel ik U mee dat ik met mijn aanhoudingsverzoek wil vragen om gelegenheid te krijgen om stukken uit Bosnië te krijgen ter onderbouwing van mijn standpunt dat er in Bosnië dreigende situatie bestaat voor cliënt. Ik kan U geen concrete termijn geven wanneer die stukken er zouden kunnen zijn.
[…]
Met betrekking tot het aanhoudingsverzoek van de raadsman beslist de rechtbank dat dit verzoek wordt afgewezen. Op de vorige zitting heeft de verdediging al de gelegenheid gekregen om het ingenomen standpunt nader te onderbouwen met stukken. De verdediging heeft daarbij de tijd gekregen om aan te tonen dat er sprake zou zijn van een voltooide of dreigende schending van de mensenrechten van de opgeëiste persoon. De rechtbank heeft van de verdediging enkel stukken ontvangen waaruit blijkt dat dat niet is gelukt. De stukken die de verdediging had willen overleggen betreffen de belastende verklaring die de opgeëiste persoon als verdachte in Bosnië zou hebben afgelegd en de overeenkomst die de verdediging van de opgeëiste persoon zou hebben gesloten met justitie in Bosnië. De rechtbank heeft de verdediging vandaag niet horen zeggen dat die stukken er nog aan zitten te komen of op welke termijn die stukken zouden komen. Het is maar de vraag of er ooit iets bekend zal worden over een eventuele schending van artikel 3 ofPro dreigende schending van artikel 6 vanPro het EVRM. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het aanhoudingsverzoek van de verdediging moet worden afgewezen.”
5. Het op de zitting van 9 november 2021 gedane aanhoudingsverzoek is, zoals de rechtbank in haar motivering van haar afwijzing terecht opmerkt, niet het eerste verzoek tot aanhouding van de verdediging in deze uitleveringszaak. Eerder werd een verzoek gedaan in een e-mailbericht van 24 augustus 2021, waarvan de inhoud als volgt luidt:
“A.s. donderdag te 10.00 uur staat de onderhavige zaak op de rol van uw rechtbank. Middels deze mail kondig ik reeds op voorhand een aanhoudingsverzoek aan. Mogelijkerwijs kan de rechtbank daarover ook al op voorhand een beslissing nemen, na raadpleging van de officier van justitie. Vandaar deze (uitgebreide) mail.
Eerst deze week heb ik uitgebreid kunnen spreken met cliënt. Het grootste deel van het gesprek zag op de reële angst bij cliënt om in Bosnië-Herzegovina te worden onderworpen aan schendingen van fundamentele mensenrechten. Plat gezegd: cliënt vreest voor zijn leven dan wel zijn gezondheid en/of dat van zijn familie. Er zijn reeds concrete bedreigingen hiertoe geuit en cliënt is ook al eens eerder in dat kader mishandeld.
Dit alles heeft te maken met het feit dat cliënt, zoals bij u bekend is, in het kader van zijn 'plea bargaining' in de zaak waarvoor hij door Bosnië-Herzegovina wordt gewenst, heeft samengewerkt met het Bosnische OM waarbij hij "valuable and useful information for other investigations conducted by the Prosecutor's Office" (citaat uit vonnis) heeft verstrekt. Dit is kennelijk ter ore gekomen van criminelen die daardoor zijn 'geraakt', wat heeft geleid tot bedreigingen en mishandelingen van cliënt.
Mr. Mesoudi zond uw rechtbank (cc aan OM) bij brief van 16 augustus jl. berichten waaruit die dreigementen blijken. Bijgaand kunt u een verklaring van de vrouw van cliënt ( [betrokkene 1] ) aantreffen, waarin zij beschrijft eveneens in Bosnië-Herzegovina te zijn bedreigd door (mensen uit) dezelfde criminele groepering. Deze mensen hebben cliënt ook al eerder mishandeld, waarvan ik u bijgaand de resultaten daarvan (foto's van het letsel bij cliënt) toezend.
Cliënt heeft op mijn verzoek tegenover ondergetekende 'uit de doeken gedaan' waarover hij met het Bosnische OM/politie heeft gesproken. Dit betreft een tweetal onderwerpen. Allereerst betreft dit een zaak van ambtelijke corruptie in combinatie met pogingen tot moord c.q. voorbereidingshandelingen t.o.v. een officier van justitie en een politicus. De andere kwestie waarover cliënt heeft gesproken betreft drugscriminaliteit. In beide gevallen heeft cliënt één of meerdere getuigenverklaringen afgelegd, welke zijn betrokken bij zijn 'plea bargaining'.
Het feit dat deze vertrouwelijke gesprekken kennelijk ter ore gekomen zijn bij de (leden van de) criminele groeperingen die het aangaat, geeft maar aan dat de integriteit van het ambtelijk apparaat in Bosnië-Herzegovina op z'n zachts gezegd te wensen overlaat. Er is sprake van corruptie, zo stelt cliënt. Hij is dan ook erg bevreesd dat hem opnieuw iets zal worden aangedaan als hij in Bosnië-Herzegovina komt, zelfs of misschien wel juist in de gevangenis. Sterker nog, deze aankondigingen zijn gedaan (zie overlegde berichten door mr. Mesoudi).
Door de verdediging zal uiteindelijk verweer gevoerd gaan worden tegen de uitlevering van cliënt (o.a.) op voormelde gronden, resulterend in de conclusie dat uitlevering in strijd is de mensenrechten, w.o. art. 3 EVRMPro. Teneinde dit nader te kunnen onderbouwen, verzoekt de verdediging aanhouding van de zaak zodat eerst nader onderzoek kan worden uitgevoerd. De verdediging verzoekt daartoe het volgende:
- Allereerst wordt verzocht om de door cliënt overgelegde berichten te laten vertalen in het Nederlands. Zodat uw rechtbank en de officier van justitie ook kan blijken dat er daadwerkelijk bedreigingen zijn geuit;
- Daarnaast wordt uw rechtbank gevraagd opdracht te geven om navraag te doen bij de autoriteiten van Bosnië-Herzegovina over de getuigenverklaringen van cliënt in de hiervoor omschreven zaken. D.w.z. bevestiging daarvan d.m.v. het overleggen van deze getuigenverklaringen. Daarmee kan uw rechtbank in het kader van de uitleveringsprocedure ook beter een inschatting maken van de veiligheidsrisico's en daarmee de mogelijke schendingen van de fundamentele mensenrechten;
- Voorts dienen de autoriteiten van Bosnië-Herzegovina te worden verzocht om een veiligheidsrisico-inschatting te maken t.a.v. cliënt n.a.v. de door hem afgelegde verklaringen;
E.e.a. ook, omdat uw rechtbank, voor zover u in de uitleveringsprocedure an sich geen weigeringsgrond aanwezig zou achten, de mogelijkheid heeft om de Minister te adviseren over de toelaatbaarheid en/of uitvoering (voorwaarden etc.) van de uitlevering naar Bosnië-Herzegovina. Meer duidelijkheid over de achtergrond van de verklaringen van cliënt en de veiligheidsrisico's die hij daardoor loopt, is dan ook van belang.
Voorts wordt uw rechtbank verzocht om de zaak aan te houden, omdat cliënt inmiddels een WOTS-verzoek heeft ingediend bij de Nederlandse autoriteiten. Cliënt wenst de uitkomst van deze WOTS-procedure af te wachten alvorens hij - in weerwil van het voorgaande - eventueel naar Bosnië-Herzegovina wordt uitgeleverd. Als cliënt nu wordt uitgeleverd aan Bosnië-Herzegovina dan wordt de WOTS-procedure niet meer dan een 'wassen neus'. Derhalve wordt verzocht om cliënt in de gelegenheid te stellen de uitkomst van die procedure in vrijheid af te wachten.”
6. Dit verzoek is door de raadsman van de opgeëiste persoon op de zitting van 26 augustus 2021 herhaald en toegelicht, en toen door de rechtbank (gedeeltelijk) gehonoreerd. Ik citeer uit het desbetreffende proces-verbaal:
“De raadsman:
Het betreft een executie uitlevering. In Bosnië heeft ‘plea bargaining’ plaatsgevonden en mijn cliënt heeft een ‘guilty plea’ afgelegd. Hij heeft belangrijke informatie gegeven over lopende onderzoeken in Bosnië. Mijn voorganger, mr. Mesoudi, heeft stukken ingebracht die niet vertaald waren. Mijn kantoor beschikt inmiddels wel over de vertaalde stukken. Deze zijn 15 minuten geleden binnengekomen, dus ik heb daar nog geen kennis van kunnen nemen. Volgens mijn cliënt staan daarin duidelijk aanwijzingen voor bedreigingen aan zijn adres vanuit het criminele circuit in Bosnië. Deze bedreigingen zijn te herleiden tot de verklaringen die hij heeft afgelegd. Hij heeft mij in grote lijnen uitgelegd wat zijn verklaringen inhielden en om welke zaken het ging. Het gaat om serieuze delicten die zijn gepleegd in Bosnië en om serieuze bedreigingen aan het adres van mijn cliënt. Bosnië is een land in opbouw waar corruptie zeker een rol speelt. Het uitleveringsverzoek heeft een tijd in de kast gelegen. Kennelijk had het openbaar ministerie geen haast. De verdediging wil haar verweer nader onderbouwen en de vertaalde stukken zo snel mogelijk aan u doen toekomen. De Nederlandse autoriteiten hebben de verplichting om te voorkomen dat mensenrechten worden geschonden. Voor deze zitting heb ik telefonisch contact gehad met de officier van justitie. Zij verwoordde het treffend: “eenmaal uitgeleverd, is uitgeleverd”. Dan ben je overgeleverd aan de grillen van een ander land, dat niet in staat is ervoor te waken dat er geen mensenrechten worden geschonden. Bosnië staat bekend om inbreuken op artikel 3 vanPro het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Uw rechtbank zal moeten vaststellen of sprake is van een voltooide inbreuk. Dat zou kunnen liggen in het feit dat er concrete dreigementen liggen. Hij is al een keer te grazen genomen en ook zijn vrouw is bedreigd. Bij een dreigende inbreuk is er een rol voor de minister weggelegd. Op grond van artikel 30 vanPro de Uitleveringswet heeft uw rechtbank dan een adviseringsrol. Ik vraag u de verdediging tijd te geven om haar verweer nader te onderbouwen. Daarnaast vraag ik u om aan de officier van justitie de opdracht te geven om via de Bosnische autoriteiten onderzoek te doen naar de aard van de getuigenissen die mijn cliënt heeft afgelegd en om duidelijkheid te verkrijgen over de veiligheidsrisico’s die hij heeft gelopen. Ook wil de verdediging weten of de Bosnische autoriteiten voornemens zijn om bescherming te bieden aan mijn cliënt en zo ja, op welke manier. In Nederland kennen we het getuigenbeschermingsprogramma. Ik heb geen idee hoe dat in Bosnië zit. Ik wijs u ten slotte op een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 april 2021 (ECLI:RBDHA:2021:4457) waaruit naar voren komt, dat de rechtbank over alle aspecten de minister kan adviseren. Ik persisteer bij mijn verzoek tot aanhouding.
Betrokkene antwoordt op vragen van de voorzitter:
U vraagt mij wat de bedreigingen concreet inhielden. Ik ben getuige geweest in een zaak die te maken heeft met een invloedrijke politicus die veel geld heeft. Die zaak had te maken met moorden en ontvreemding van andere mensen. Die politicus heeft geprobeerd mij de mond te snoeren. Ik heb bedreigingen op mijn adres gehad dat ik mijn getuigenis moest intrekken. Hij heeft via andere mensen geprobeerd zijn dreigementen te verwezenlijken. Ik heb via de officier van justitie in Bosnië aanwijzingen gekregen dat er is geprobeerd een bom te plaatsen bij een andere politicus om zijn huis te verwoesten. Het Bosnische openbaar ministerie heeft mij meer beloofd in de zin van bescherming en strafvermindering. In ruil voor mijn getuigenis zouden ze dit doen, maar ze zijn dit niet nagekomen. In Bosnië zeggen ze letterlijk: “voor zo’n getuigenis heb je je hoofd in een tas gestopt”. Die andere zaak had met een drugsdealer te maken en daarin is het ook misgegaan voor mij. Alle informatie is naar buiten gelekt. Als wij bij de rechtbank in Bosnië komen, dan word je begeleid door de politie van de rechtbank zelf. Die mensen zijn ook aanwezig in de zaal en verdienen weinig geld. Zij lekken dan informatie. U vraagt mij nogmaals wat de bedreigingen concreet inhielden. Overal waar ik naartoe ga, proberen ze me te slaan en vragen ze mij om mijn getuigenis in te trekken. Er wordt gezegd “als je in de gevangenis komt, wordt het een hel voor jou”. Ik sta al geboekt. Er is al betaald om mij kwaad te doen. Er is € 10.000,00 beloofd en dat is in Bosnië een enorm bedrag. Dat is gedaan om erachter te komen waar ik woon.
[…]
De voorzitter:
De verdediging meent dat [opgeëiste persoon] veiligheidsrisico’s loopt in Bosnië vanwege de getuigenverklaringen die hij daar heeft afgelegd. [opgeëiste persoon] zou zijn bedreigd. Een vraag die dan naar voren komt, is of de bedreigingen zijn geuit door privépersonen. Verder heeft de raadsman zelf al benoemd waar de rechtbank haar oordeel over mag geven en welke rol de minister heeft. Dat onderscheid moet scherp worden afgebakend. Ik heb de raadsman vandaag horen zeggen dat de verdediging graag meer tijd wil om nader te kunnen onderzoeken of er niet ook sprake is van een voltooide schending.
[…]
De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek van de verdediging toe. Zij is van oordeel dat de verdediging de mogelijkheid moet krijgen om haar verweer nader te onderbouwen met schriftelijke stukken. Bij de beoordeling van het aanhoudingsverzoek heeft de rechtbank meegewogen dat de raadsman pas een week bij deze zaak is betrokken en pas sinds vanochtend beschikt over vertalingen waaruit de dreigementen zouden blijken. De verdediging stelt dat sprake is van een voltooide en dreigende schending van fundamentele mensenrechten. In het laatste geval heeft de rechtbank enkel een adviseringsrol. […]
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het stellen van termijnen voor het voeren van een schriftelijke procedure. Wel wordt de verdediging verzocht om zo spoedig mogelijk aanvullende stukken aan de officier van justitie en de rechtbank te verstrekken.”
IV. De bespreking van het middel
7. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de motivering van de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet blijkt dat door de rechtbank “een belangenafweging is gemaakt tussen aan de ene kant de belangen van rekwirant om het onderzoek ter terechtzitting aan te houden en aan de andere kant het belang (van de samenleving) van een spoedige berechting”, zulks terwijl, aldus de steller van het middel onder verwijzing naar mijn conclusie van 1 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:86, de rechtbank “op straffe van nietigheid kenbaar [had] moeten maken dat er een dergelijke belangenafweging is gemaakt”.
8. De steller van het middel, die in de toelichting zelf rept van “onderzoek ter terechtzitting” en “berechting”, gaat er aan voorbij dat de conclusie waarnaar hij ter onderbouwing van zijn stelling verwijst, op een geheel ander geval betrekking heeft. In de zaak waarover die conclusie gaat, was namelijk op een terechtzittingdoor de verdediging het aanhoudingsverzoek gedaan met het oog op het in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht van een verdachte. Uitsluitend voor die situatie is het door de Hoge Raad in het overzichtsarrest van 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ2019/285, m.nt. Mevis uiteengezette beoordelingskader (met inbegrip van een onder omstandigheden door de (straf)rechter te maken belangenafweging) geschreven. De Hoge Raad overweegt in rov. 2.1. van dat overzichtsarrest immers: “Het gaat bij deze opmerkingen uitsluitend om verzoeken tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting die verband houden met het in art. 6, derde lid onder c, EVRM gewaarborgde aanwezigheidsrecht, waaronder ook wordt begrepen het recht van de verdachte om zich in zijn afwezigheid ter terechtzitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen”.
9. Het middel nu berust blijkens de toelichting op de opvatting dat bedoeld beoordelingskader evenzeer van toepassing is op uitleveringsprocedures en daarmee op de behandeling van een uitleveringsverzoek op een uitleveringszitting. Die opvatting is dus onjuist. [1] Het behoeft, lijkt mij, verder geen betoog dat het onderzoek op een uitleveringszitting naar de toelaatbaarheid van een verzochte uitlevering (in casu bovendien ter fine van een strafexecutie) niet strekt tot vaststelling van de inhoudelijke gegrondheid van een (in de verzoekende Staat) tegen de opgeëiste persoon ingestelde strafvervolging zoals bedoeld in art. 6 EVRMPro.
10. Het middel kan daarom niet tot cassatie leiden.
V. Enkele opmerkingen ten overvloede
11. Art. 29, eerste lid, van de Uitleveringswet verklaart onder meer art. 281 enProart. 328 totPro en met art. 331 SvPro van overeenkomstige toepassing. Dat brengt met zich dat door de opgeëiste persoon of diens gemachtigde raadsman zeker wel een verzoek kan worden gedaan tot aanhouding van de behandeling van het verzoek tot uitlevering. De rechter beslist op dat verzoek nadat het openbaar ministerie daaromtrent is gehoord. De rechter beveelt de schorsing van de behandeling indien het belang van het onderzoek dat vordert. [2] In de voorliggende zaak heeft de rechtbank deze voorschriften in acht genomen.
12. Verder is het uitgangspunt in uitleveringszaken dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal respecteren. [3] Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat in uitleveringszaken het oordeel omtrent de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigendeinbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer art. 3 EVRMPro is voorbehouden aan de Minister van Justitie en Veiligheid. De Minister zal bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Indien evenwel komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, zich een voltooideinbreuk op diens fundamentele rechten voordoet, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. Bij een beroep op een inbreuk op de fundamentele rechten die de opgeëiste persoon in art. 6 EVRMPro zijn toegekend, geldt dat wanneer het gaat om een verzoek tot uitlevering ter tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling en wordt aangevoerd dat in de zaak die tot die veroordeling heeft geleid een flagrante inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM, het aan de uitleveringsrechter is te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden. Dit is niet anders indien het gaat om een beroep op een flagrante inbreuk op art. 14, eerste lid, IVBPR. Ook hier is slechts ruimte voor een oordeel van de uitleveringsrechter indien het gaat om een beroep op een voltooideflagrante schending van voormelde verdragsbepaling(en). [4]
13. Het eerste aanhoudingsverzoek in de voorliggende zaak – het verzoek dus dat door de raadsman per e-mail is gedaan en op de zitting van 26 augustus 2021 is herhaald en toegelicht – steunde op meerdere gronden. Dat verzoek werd op die zitting gehonoreerd om, zo maak ik op uit de bewoordingen van de voorzitter van de uitleveringskamer, de verdediging de mogelijkheid te geven om het op de, kort voor de zitting verkregen, vertaalde stukken steunend verweer dat jegens de opgeëiste persoon sprake is van een voltooide schending van in art. 3 EVRMPro neergelegde fundamentele mensenrechten van een verdere onderbouwing te voorzien. Op de zitting van 9 november 2021 is vervolgens opnieuw een aanhoudingsverzoek door de raadsman gedaan. Met dat verzoek wilde de raadsman “gelegenheid krijgen om stukken uit Bosnië te krijgen ter onderbouwing van [het] standpunt dat in Bosnië een dreigende situatie bestaat voor client”. De achtergrond daarvan is kennelijk de “grote onrust in Bosnië” waardoor daar het “justitiële apparaat instabiel” zou zijn en sprake zou zijn van een dreigende schending van art. 6 EVRMPro. Ook al zou echter met die stukken de dreigende situatie voor de opgeëiste persoon aannemelijk gemaakt of aangetoond kunnen worden, dan nog leidt dat niet tot de vaststelling dat sprake is van een voltooide flagrante inbreuk als hierboven bedoeld en waarover de uitleveringsrechter heeft te beslissen. Gelet hierop, en ook op de omstandigheid dat de verdediging al eerder een termijn was gegeven aanvullende stukken aan de rechtbank te verstrekken ter onderbouwing van haar verweer, is de afwijzing van het aanhoudingsverzoek door de rechtbank toereikend gemotiveerd.
VI. Slotsom
14. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
1.Zie daarvoor ook HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1588: “2.4. Het middel berust mede op de opvatting dat de rechter die over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering beslist, bij de beoordeling van een verzoek tot aanhouding van de behandeling van een uitleveringsverzoek dat verband houdt met de wens van de opgeëiste persoon om bij die behandeling aanwezig te zijn, dient uit te gaan van het beoordelingskader ten aanzien van de toepassing van art. 281 SvPro zoals dat door de Hoge Raad is uiteengezet in zijn arrest van 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934. Die opvatting is niet juist.”