Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Procesverloop
NJ1996, 557, m.nt. A.C. ’t Hart) en de op dit arrest gevolgde rechtspraak.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor geweldpleging en mishandeling. Het hof constateerde dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant de uitspraak te laat deed, namelijk op de vijftiende dag na sluiting van het onderzoek, in strijd met art. 345 lid 3 Sv Pro. Dit leidde tot nietigheid van het vonnis.
De verdediging klaagde dat het hof de zaak niet terugwees naar de rechtbank, maar deze zelf afhandelde. De Hoge Raad overwoog dat het vierde lid van art. 345 Sv Pro gericht is aan de rechter die de zaak onder zich heeft en die bij verzuim een nieuw onderzoek moet gelasten. Dit betekent niet dat het hof altijd moet terugwijzen.
Volgens art. 423 Sv Pro is het uitgangspunt dat het hof de zaak zelf afdoet na vernietiging, tenzij terugwijzing door verdachte of advocaat-generaal wordt verlangd of bijzondere omstandigheden zich voordoen. In deze zaak was geen belang bij terugwijzing gebleken en was geen bezwaar gemaakt tegen de datum van uitspraak. Daarom faalt de klacht en wordt het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof mocht de zaak zelf afdoen zonder terugwijzing.