Conclusie
1.Overzicht
drie cassatiemiddelenvoor:
verweerstelt de belanghebbende ad (I) dat zij op basis van haar werkzaamheden een dienstverlener en geen nijverheidsbedrijf is; de door haar opgewekte energie is bestemd voor eigen gebruik en is geen afzonderlijke dienst. Ad middel (II) sluit de belanghebbende aan bij ’s Hofs oordeel. Ad middel (III) meent zij dat [A] NV niet onder art. 2(7)(a t/m p) Wet Vpb valt en dat geen bewijs is aangedragen dat [A] NV op grond van art. 2(7)(e) of (f) Wet Vpb belastingplichtig zou zijn.
voorwaardelijk incidenteeldat zij ook op basis van de tekst van art. 2(7)(f) Wet Vpb al niet als nijverheidsbedrijf kan worden aangemerkt omdat zij haars inziens geen bedrijf uitoefent. Ten tweede betoogt zij dat het Hof haar beroep op de vertrouwens- en gelijkheidsbeginselen ten onrechte niet heeft behandeld.
nietis voor haar eigenlijke activiteiten (waterzuivering c.a.)), nl. haar energieopwekking, mijns inziens geen ‘bedrijf’ oplevert – en daarmee dus ook geen GEW-bedrijf – omdat die activiteit zich buiten het economische verkeer afspeelt. De door haar opgewekte energie werd nagenoeg geheel door haar zelf gebruikt en de relatief zeer geringe teruglevering van het restant geschiedde om niet. Een GEW-bedrijf dat niet bestaat, kan ook niet gelijkgesteld worden met een nijverheidsbedrijf. Verder was het kennelijk, gezien de opsomming in het tot 2016 geldende art. 2(7) Wet Vpb, niet de bedoeling van de wetgever om een geheel door de overheid gehouden rechtspersoon met (alleen) een waterzuiveringsbedrijf belastingplichtig te maken.
,nu aan [A] NV geen distributiebedrijf toebehoort. Dat volgt mijns inziens uit de tekst en uit doel en strekking van het vervallen art. 12 WEnD Pro. Art. 2(7)(e) (oud) Wet Vpb verwees naar ‘een rechtspersoon, aan wie een distributiebedrijf toebehoort in de zin van de Wet energiedistributie.’ Dat impliceert mijns inziens dat het gaat om de ‘rechtspersoon’ die zelf energie distribueert. De bedoeling van de WEnD-gever en daarmee van de Vpb-wetgever was immers om
bezighedente splitsen in enerzijds distributie en anderzijds (belastingplichtige) nevenactiviteiten. Dat impliceert dat hij met ‘toebehoren’ bedoelde: hebben, uitoefenen, exploiteren, dus zelf distribueren. Daarop wijst ook dat de parlementaire geschiedenis de “rechtspersoon aan wie een distributiebedrijf toebehoort” aanduidt als “de rechtspersoon, die de energiedistributie verzorgt.” Evenmin cassabel acht ik ’s Hofs oordeel dat de belanghebbende niet in een groep was verbonden in de zin van art. 2:24b BW met de dochters van [A] NV die distributiebedrijven exploiteren. Voor een ‘groep’ in de zin van art. 2:24b BW is centrale leiding vereist. De Inspecteur heeft centrale leiding vanuit [A] NV over zowel de distributiebedrijven als de belanghebbende gesteld, maar tegenover het gemotiveerde verweer van de belanghebbende dat zij wordt aangestuurd vanuit [B] NV, heeft de Inspecteur, bij wie de bewijslast van zijn stelling ligt, volgens het Hof onvoldoende gesteld om centrale leiding door [A] aannemelijk te maken. Dat feitelijke oordeel lijkt mij niet onbegrijpelijk. Ik meen daarom dat middel (II) in beide aspecten strandt.
voorwaardelijk incidenteelingestelde cassatieberoep van de belanghebbende komt dan niet aan snee, maar volledigheidshalve merk ik op dat haar eerste klacht (de energieopwekking is geen ‘bedrijf’, laat staan gelijkstelbaar met een ‘nijverheidsbedrijf’) mij gegrond lijkt en dat haar tweede klacht (het Hof had het beroep op de a.b.v.b.b. moeten behandelen) mij ongegrond voorkomt en dat verwijzing om dat beroep alsnog te behandelen - mocht een principaal middel wél tot cassatie leiden - mij zinloos lijkt.
2.De feiten en het geding bij de feitenrechters
De feiten
NLF2020/2499 bij deze uitspraak onder meer het volgende:
3.Het geding in cassatie
verweerbetoogt de belanghebbende ad middel (I) dat zij, gezien haar werkzaamheden, een dienstverleningsbedrijf en geen nijverheidsbedrijf is. De door haar opgewekte energie is bestemd voor eigen gebruik en niet voor commerciële exploitatie jegens derden. De energieopwekking is een bijproduct en geen afzonderlijke dienst; er is ook geen organisatorische eenheid die zich ermee bezighoudt.
BNB2012/27. [10]
ook incidenteeltwee klachten geformuleerd: (a) anders dan het Hof heeft geoordeeld, kan zij ook op basis van alleen de tekst van art. 2(7)(f) jo. art. 2(3) Wet Vpb al niet als nijverheidsbedrijf worden aangemerkt omdat opwekking uit overtollig slib van energie voor eigen gebruik haars inziens geen bedrijfsmatige activiteit is en zij ook geen organisatorische eenheid heeft die zich bezighoudt met elektriciteitsopwekking; (b) als enig principaal cassatiemiddel gegrond zou zijn, moet de zaak verwezen worden opdat haar beroep op de vertrouwens- en gelijkheidsbeginselen alsnog aan de orde kan komen dat het Hof heeft haars inziens ten onrechte niet heeft behandeld.
4.De vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen
activiteiten; dus kennelijk over
directeoverheidsbedrijven:)
indirecteoverheidsbedrijven:)
5.Het principale cassatieberoep (Staatssecretaris) – algemene opmerkingen
gelijkgesteldop grond van de slotzin van art. 2(3) (oud) Wet Vpb. Die slotzin begreep onder ‘nijverheidsbedrijf’ ook ‘bedrijven die gas, elektriciteit of warmte produceren, transporteren of leveren alsmede bedrijven die netten of leidingen aanleggen of beheren ten behoeve van het transport van gas, elektriciteit of warmte.’ Ik noem zo’n bedrijf verder een GEW-bedrijf.
i.e.een GEW-bedrijf, met uitzondering van lichamen die nagenoeg uitsluitend water leveren (wat in casu niet het geval is: waterzuivering en -lozing is geen waterlevering);
principaal middel (I))
principaal middel (II))
principaal middel (II))
principaal middel (III)).
Principaal middel (I) - oefende de belanghebbende een GEW-bedrijf uit in de zin van art. 2(3)(laatste volzin) Wet Vpb?
gelijkgesteldmet een ‘nijverheidsbedrijf’ (wat zij voor haar eigenlijke activiteiten - waterzuivering c.a. - juist
nietis volgens eendrachtige partij-opvatting), nl. haar energie-opwekking, geen ‘bedrijf’ oplevert - dus ook geen GEW-bedrijf - omdat die activiteit zich geheel buiten het economische verkeer afspeelt. De energie wordt voor meer dan 99% door de belanghebbende zelf gebruikt en de relatief zeer geringe teruglevering van het restant geschiedt om niet. Als geen GEW-bedrijf bestaat, kan het ook niet gelijkgesteld worden met een nijverheidsbedrijf. Verder was het kennelijk, gezien de opsomming in het tot 2016 geldende art. 2(7) Wet Vpb, tot 2016 niet de bedoeling van de wetgever om een geheel door de overheid gehouden rechtspersoon met (alleen) een
waterzuiveringsbedrijf belastingplichtig te doen zijn.
Principaal middel II: meetrekregeling: dochter van een rechtspersoon aan wie een distributiebedrijf toebehoort of onderdeel van een groep met een distributiebedrijf?
i.e.dochters of groepsvennootschappen van energiedistributie-bedrijven met activiteiten die die energiedistributiebedrijven niet zelf mochten doen volgens art. 12 WEnD Pro (zie 4.4 hierboven). De wettekst had het niet over ‘energiedistributiebedrijven’, maar over ‘een rechtspersoon, aan wie een distributiebedrijf toebehoort in de zin van de Wet energiedistributie.’ Ik meen dat de bedoeling van de WEnD-gever en daarmee van de Vpb-wetgever, zoals ook in de boven geciteerde literatuur opgevat, meebrengt dat onder een dergelijke ‘rechtspersoon’ alleen begrepen kan worden een rechtspersoon die zelf energie distribueert. De bedoeling van de wetgever was om
bezigheden(af) te splitsen in enerzijds distributie en anderzijds (belastingplichtige) nevenactiviteiten. Dat impliceert mijns inziens dat hij met ‘toebehoren’ bedoelde: hebben, uitoefenen, exploiteren, dus zelf distribueren.
Middel III: viel belanghebbendes halfmoeder [A] NV onder art. 2(7)(a t/m p) Wet Vpb?
9.Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep
BNB2000/343 [55] ) volgt dat een beroep op gewekt vertrouwen dan niet kan slagen. Zij heeft verder niets aangevoerd waaruit het bestaan van enige uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging zou kunnen volgen en uit niets blijkt dat zij dat na verwijzing alsnog wél zou kunnen produceren. Ook (her)behandeling van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel lijkt weinig zinvol omdat niet aannemelijk is dat de belanghebbende gelijk is aan de vennootschappen genoemd in dezelfde brief van 26 juni 2006 aan [C] BV.