AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad vernietigt hofbeslissing over partneralimentatie en draagkrachtberekening
In deze echtscheidingszaak stond de vaststelling van de partneralimentatie centraal. De vrouw vorderde een bijdrage van € 4.670 bruto per maand, de man betwistte dit en stelde lagere bedragen voor, afhankelijk van zijn woonlasten. De rechtbank kende een lagere alimentatie toe dan de vrouw had gevorderd, waarna hoger beroep volgde.
Het hof Den Haag stelde de partneralimentatie vast op nihil zolang de man dubbele woonlasten had, en daarna op € 266 bruto per maand, uitgaande van een lagere winst uit onderneming dan door de man begroot. De vrouw stelde cassatie in tegen deze beschikking.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door een lager bedrag toe te kennen dan door de man was gevorderd en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het bedrag lager is dan het door de man genoemde € 747 bruto. Ook heeft het hof onvoldoende gemotiveerd waarom het niet is ingegaan op stellingen van de vrouw over het redelijkerwijs te verwerven inkomen en de dubbele woonlasten van de man. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de partneralimentatie.
Voetnoten
1.Ontleend aan de bestreden beschikking van het gerechtshof Den Haag van 6 april 2022 onder 3.1 tot en met 3.4, en de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 13 april 2021 onder 2.1 tot en met 2.3.
2.De man heeft voorts zelfstandige verzoeken ingediend en de vrouw heeft nog een aanvullend nevenverzoek gedaan, tegen welke verzoeken over en weer verweer is gevoerd. Deze verzoeken zijn in cassatie niet relevant.
3.Beschikking van de rechtbank Rotterdam van 13 april 2021, rov. 2.7.10. Deze winst is gebaseerd op de door de man overgelegde concept-aangifte inkomstenbelasting 2020 van VvAA Belastingadviseurs en consultants B.V. De man heeft ook twee overzichten van VGZ B.V. in het geding gebracht. Op basis van deze overzichten is de winst uit onderneming in 2020 € 189.030 en is de prognose voor de winst uit onderneming in 2021 € 172.000.
4.Bestreden beschikking, rov. 4.2 onder b.
5.Bestreden beschikking, rov. 4.3.
6.Bestreden beschikking, rov. 4.4.
7.De man voldoet het volledige bedrag aan hypotheekrente voor de voormalige echtelijke woning (per 1 januari 2021 een bedrag van € 1.505,-- per maand), en op deze woning wordt niet afgelost. Hoewel de echtelijke woning niet is verkocht, heeft de man de woning in 2021 verlaten en heeft hij een appartement in [plaats] betrokken voor een kale huursom van € 2.230,-- per maand. Zie rov. 5.16 van de bestreden beschikking.
8.Verzoekschrift in hoger beroep van de vrouw, petitum onder b.
9.Verweerschrift in hoger beroep, onder 81-82 en p. 26.
10.Verweerschrift in hoger beroep, p. 27.
11.In zijn verweerschrift onder 159 merkt de man op, opnieuw onder verwijzing naar zijn productie 16 (draagkrachtberekening), dat hij in hoger beroep zal vragen te bepalen dat de man aan de vrouw een bijdrage in het levensonderhoud verschuldigd is van een bedrag van ‘maximaal’ € 747,-- bruto per maand. Hierin lees ik, mede in het licht van het petitum en de onder 81 en 82 ingenomen standpunten, niet een grief dat de bijdrage op een lager bedrag dan € 747,-- zou moeten worden vastgesteld.
13.Vgl. verweerschrift in hoger beroep, onder 59, 60 en 158.
14.Het hof vermeldt kennelijk abusievelijk: productie 5.
15.Verweerschrift in hoger beroep, onder 59.
16.Verzoekschrift hoger beroep, p. 2.
17.Verzoekschrift hoger beroep, p. 3 onder 1, 2, 8 en 9 en p. 4, tweede alinea.
18.Verzoekschrift hoger beroep, p. 3 onder 5-7.
19.Verzoekschrift hoger beroep, p. 3 onder 8.
21.Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/638; M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, Monografieën (echt)scheidingsrecht, Deel 4A: Alimentatieverplichtingen 2018/3.3; HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2376, 22.Verweerschrift in incidenteel hoger beroep, p. 29, eerste alinea.
23.Verweerschrift in incidenteel hoger beroep, p. 29, tweede alinea.
24.Verweerschrift in incidenteel hoger beroep, p. 20 (midden) en p. 29, tweede alinea (slot).
25.Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/647 en 648; M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, Monografieën (echt)scheidingsrecht, Deel 4A: Alimentatieverplichtingen, 2018/6.1; HR 14 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:627,