Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
14 maart 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot wijziging van kinderalimentatie door de man, waarbij hij verzocht de alimentatie voor zijn kinderen nihil of aanzienlijk lager vast te stellen. De rechtbank wees het verzoek af, maar het hof wijzigde de alimentatie voor de zoon naar een lager bedrag, mede gebaseerd op de draagkracht van de man. Het hof hield bij de draagkrachtberekening rekening met een loonbeslag vanwege achterstallige alimentatiebetalingen, waaronder bedragen na de datum van het wijzigingsverzoek.
De vrouw stelde cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat bij de bepaling van de draagkracht alle schulden in beginsel in aanmerking mogen worden genomen, ook schulden die na het vaststellen van de onderhoudsplicht zijn ontstaan, tenzij de rechter gemotiveerd anders beslist. Wel is relevant dat bij een verzoek tot wijziging alleen rekening mag worden gehouden met schulden tot de datum van het verzoek.
Het hof had ten onrechte ook alimentatieschulden na de datum van het wijzigingsverzoek meegewogen zonder dit voldoende te motiveren. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.
Deze uitspraak verduidelijkt de grenzen bij het meenemen van achterstallige alimentatieschulden in draagkrachtberekeningen bij wijzigingsverzoeken kinderalimentatie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling.