ECLI:NL:PHR:2021:932
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf wegens feit vóór proeftijd
De zaak betreft een verdachte die door het gerechtshof Amsterdam is veroordeeld voor eenvoudige belediging gepleegd op 12 april 2017. Het hof heeft tevens de tenuitvoerlegging gelast van een eerder door de rechtbank Amsterdam opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, opgelegd bij vonnis van 19 januari 2018.
Uit het Uittreksel justitiële documentatie blijkt dat de proeftijd van deze voorwaardelijke straf liep van 3 februari 2018 tot 2 februari 2020. De verdachte heeft zich echter schuldig gemaakt aan het strafbare feit vóór de aanvang van deze proeftijd.
De Hoge Raad overweegt dat de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf niet kan worden gelast voor feiten die zijn gepleegd vóór de uitspraak waarbij de straf is opgelegd. Het hof heeft dit in deze zaak ten onrechte wel gedaan, waardoor het middel van cassatie slaagt.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van het arrest voor zover het de tenuitvoerlegging betreft en adviseert de Hoge Raad zelf af te doen door de tenuitvoerlegging alsnog af te wijzen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf omdat het feit vóór de aanvang van de proeftijd is gepleegd.