Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Algehele uitsluiting
3.Bespreking van het cassatiemiddel
de toelichting op subonderdeel 1.1betoogt de man nog uitvoerig dat het hof zich, anders dan de rechtbank, niet heeft gebaseerd op het argument dat het toewijzen van de verzoeken van de man zou beteken dat de vrouw zonder middelen komt te zitten, terwijl de huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan om dergelijke situatie te voorkomen. Onder 38 van die toelichting voert hij aan dat dit een belangrijk argument was voor het oordeel van de rechtbank, misschien wel het belangrijkste. Onder 39 besluit hij met herhaling van de klacht dat het hof feitelijke gronden voor het verweer heeft aangevuld, maar nu in verband met het betoog dat de hof een andere feitelijke grondslag voor zijn oordeel heeft gegeven dan de rechtbank.
Evenals de rechtbank acht het hof het voldoende aannemelijk dat”[volgt stelling van de vrouw], “
Daarnaast heeft de man ook in hoger beroep onvoldoende weersproken(…)” en “
Verder heeft de vrouw aangetoond dat(…)”), terwijl dit ook overigens onmiskenbaar uit zijn overwegingen volgt.
achter (i)wordt genoemd (“
Ook in hoger beroep heeft de man zijn stellingen tegenover de gemotiveerde, met stukken gestaafde, betwisting van de vrouw onvoldoende (nader) onderbouwd”) kan daarover wellicht wat twijfel bestaan. De hiervoor genoemde passages staan daar echter tegenover. Die zin lijkt overigens ook alleen betrekking te hebben op de daaraan voorafgaande zin die inhoudt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het lastig is om alle feiten en omstandigheden met betrekking tot het luxe leven dat partijen hebben geleid, en hun royale uitgavenpatroon te herleiden en het onmogelijk is om alle financiële transacties en vermogensverschuivingen terug te halen, en dat dit voor rekening en risico van beide partijen komt. Mogelijk vormt die zin daarom slechts een reactie op het betoog van de man in zijn beroepschrift in appel dat dit oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is, nu die onmogelijkheid uitsluitend voor rekening van de vrouw dient te komen, nu het op haar weg had gelegen om een vorm van administratie bij te houden waaruit de transacties en verschuivingen blijken. [10] De vrouw heeft betwist dat er sprake is geweest van vermogensverschuivingen en aangevoerd, kort gezegd, dat partijen feitelijk hun financiën door elkaar hebben laten lopen. [11] Mogelijk heeft het hof dit debat aldus opgevat dat de man aanvoerde dat hem op grond van art. 3 van Pro de huwelijkse voorwaarden nog meer vergoedingen toekwamen. Daarvan uitgaande is het hof terecht ervan uitgegaan dat de stelplicht en bewijslast bij de man lagen, nu hij aldus vergoedingsrechten pretendeerde en daarvoor dus de benodigde feiten moest stellen en eventueel aannemelijk maken.
omstandigheid onder c– dat partijen gedurende het huwelijk een luxe leven hebben geleid en een royaal uitgavenpatroon hanteerden – naar diens beroepschrift in appel onder 28 (p. 9) en 39, [12] waar het volgende is opgenomen:
omstandigheid onder k– dat het vermogen van de vrouw grotendeels is gebruikt voor de kosten van de huishouding – voert de toelichting op het subonderdeel (onder 90) aan dat de man dit gemotiveerd heeft betwist. De toelichting wijst erop dat de man heeft aangevoerd dat de vrouw “enorme hoeveelheden geld uitgeeft aan haar privégoederen (herinvesteringen)”. [15]
omstandigheid onder l– dat aanpassingen aan de woningen zijn verricht ten behoeve van de man – voert de toelichting op het subonderdeel (onder 91) aan dat de man dit heeft betwist door aan het slot van de pleitnota in hoger beroep (p. 2 laatste alinea) het volgende aan te voeren: