ECLI:NL:PHR:2021:925

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 oktober 2021
Publicatiedatum
4 oktober 2021
Zaaknummer
20/01850
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 36f SrArt. 81 lid 1 ROArt. 88 SrArt. 1, tweede lid, Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt moordvonnis en corrigeert duur gijzeling schadevergoedingsmaatregel

De zaak betreft een moord gepleegd in januari 2013 waarbij de verdachte door het hof is veroordeeld tot zestien jaar gevangenisstraf. Het hof stelde vast dat de verdachte en het slachtoffer een complexe relatie hadden, waarbij de vrouw van de verdachte een geheime affectieve relatie onderhield met het slachtoffer. Verdachte ontkende betrokkenheid, maar het hof baseerde de bewezenverklaring op onder meer telecomgegevens, camerabeelden en een heimelijk opgenomen gesprek.

De verdediging voerde onder meer aan dat de bewijsvoering onvoldoende was en dat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat verdachte het slachtoffer als laatste heeft gezien of dat hij het vuurwapen bij zich had. De Hoge Raad oordeelt dat het hof het juiste criterium heeft toegepast en dat de bewezenverklaring niet onbegrijpelijk is. Het hof heeft terecht geconcludeerd dat verdachte met voorbedachte raad handelde.

Daarnaast klaagt de verdediging over de duur van de opgelegde gijzeling in het kader van de schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad stelt vast dat de duur van een jaar in de relevante periode 360 dagen bedroeg, terwijl het hof 365 dagen had opgelegd. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de duur van de gijzeling betreft en stelt deze vast op 360 dagen. Het beroep wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de moordvonnis en stelt de duur van de gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregel vast op 360 dagen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/01850
Zitting5 oktober 2021 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
P.C. Vegter
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 12 juni 2020 door het Gerechtshof Den Haag wegens “moord” veroordeeld tot zestien jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts zijn beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij als nader in het arrest omschreven en is het aantal dagen gijzeling bepaald op 365 dagen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mrs. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.
De verdachte is door het hof veroordeeld voor een begin 2013 gepleegde moord (schieten met een vuurwapen). Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte en het slachtoffer vanaf eind 2012 een vriendschappelijke en zakelijke relatie onderhielden, terwijl de vrouw van de verdachte en het slachtoffer sinds medio 2010 heimelijk een affectieve relatie met elkaar hadden. Verdachte ontkent elke betrokkenheid bij de moord en direct bewijs ontbreekt. De zaak kwam bij het hof na door de officier van justitie ingesteld hoger beroep tegen de vrijspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 maart 2014. Het opmerkelijke tijdsverloop tussen het vonnis van de rechtbank en het arrest van het hof laat zich in ieder geval gedeeltelijk verklaren door nadere onderzoekshandelingen, eerst door het openbaar ministerie en later ook op verzoek van de verdediging.
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 9 januari 2013 te Rotterdam, opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg vanaf een korte afstand met een vuurwapen kogels in het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd/geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.”
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering (hier weergegeven zonder voetnoten):
“(i) De verdachte en het slachtoffer onderhielden vanaf eind 2012 een vriendschappelijke en een zakelijke relatie.
(ii) De vrouw van de verdachte en het slachtoffer hadden sinds medio 2010 heimelijk een affectieve relatie met elkaar, waarbij ook intiem fysiek contact - ten minste zoenen - plaatsvond.
(iii) De verdachte heeft een telefoon aangeschaft, te weten een Samsung Galaxy S, waarop hij zogenoemde spyware heeft laten installeren. Op 31 december 2012 heeft de verdachte samen met de getuige [betrokkene 1] de met spyware geïnstalleerde Samsung in een spyshop te Breda opgehaald.
Hij ontving daarbij een Nokia-telefoon, die aan de Samsung gekoppeld werd, zodat de verdachte het telefoonverkeer van en met de Samsung kon onderscheppen.
(iv) Vanaf 31 december 2012 zat de simkaart van het telefoonnummer eindigend op -[telefoonnummer 1] in de Nokia-telefoon, met imei-nummer [001]. Het telefoonnummer eindigend op -[telefoonnummer 2], in gebruik bij de vrouw van de verdachte, [betrokkene 2], zit vanaf 31 december 2012 in de geprepareerde Samsung-telefoon, met imei-nummer [002]. Het telefoonnummer eindigend op -[telefoonnummer 3] was in gebruik bij het slachtoffer [slachtoffer].
(v) Uit de historische telecomgegevens blijkt dat zesmaal contact heeft plaatsgevonden tussen de vrouw van de verdachte en het slachtoffer, waarbij op datzelfde moment een dubbele verbinding wordt gemaakt met het telefoonnummer in gebruik bij de vrouw van de verdachte, de Samsung én het telefoonnummer in gebruik bij de verdachte, de Nokia. De dubbele verbinding vond tweemaal plaats op 6 januari 2013, driemaal op 7 januari 2013 en nog een keer op 9 januari 2013. Op 9 januari 2013 om 20.38 uur was het server account waarnaar telefonisch verkeer/berichten tussen verdachtes vrouw en het slachtoffer werd opgeslagen, laatstelijk benaderd.
Hieruit volgt dat de verdachte kennis moet hebben genomen van de gesprekken die tussen zijn echtgenote en het slachtoffer zijn gevoerd en van de inhoud van de tussen hen verzonden sms-berichten.
(vi) Op 2 april 2013 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de moeder van de verdachte, '[betrokkene 3]', en de vrouw van de verdachte, hetgeen heimelijk is opgenomen door de politie. Dat OVC-gesprek houdt onder meer en voor zover van belang het volgende in:
- ([betrokkene 3], 08:10) 'Als ik het maar op z'n minst, op z'n minst, op z'n minst had vermoed, dan had ik gezegd: slacht mij maar eerst af, dood mij maar eerst. Dan had ik gezegd: word eerst mijn moordenaar, [verdachte]. En pas daarna ... Als ik een beetje, een beetje, dan had ik gezegd: dood mij eerst [verdachte]. Dan had ik gezegd: dood mij eerst, word eerst mijn moordenaar, en dan...'
- ([betrokkene 3], 27:36) 'Ik smeekte, [verdachte]. Ik zei wat kan ik doen. [...] Ik zei: [verdachte], doe het niet. [verdachte] doe het niet. [...], dood mij eerst, voordat je het gaat doen. '
- ([betrokkene 3], 32.50) 'Alles, alles blijkt uit diens mobiel.'
(vii) Op 9 januari 2013 is de verdachte naar de [vereniging], een Turkse vereniging, (hierna: de vereniging) aan de [a-straat] te Rotterdam gegaan. De verdachte is die dag, zoals te doen gebruikelijk, in zijn Opel Corsa naar de verenging gereden. Het betreft een Opel Corsa met kenteken [kenteken]. Samen met het slachtoffer gaf de verdachte leiding aan de vereniging, waarvan het hun bedoeling was om deze ook in eigendom te krijgen. 's Avonds rond 22.10 uur vertrokken aldaar de laatste bezoekers. De personen die zich na dat moment nog in de vereniging bevonden waren het slachtoffer, de verdachte en de getuige [betrokkene 4], die bij de vereniging achter de bar werkte.
(viii) [betrokkene 4] is die avond tussen 22:25 en 22:30 uur bij de vereniging vertrokken. Vóór het vertrek van [betrokkene 4] verzocht de verdachte aan het slachtoffer op een luide, bevelende toon om te blijven.
(ix) Uit de onderzochte camerabeelden van Vialis en onderzochte camerabeelden van de dienst Cameratoezicht van de politie Rotterdam waarop het voertuig van de verdachte, voornoemde Opel Corsa met kenteken [kenteken], te zien is (Vialis), en waarop een op het voertuig van de verdachte gelijkend voertuig is te zien (Cameratoezicht), waarvan het hof vaststelt dat het gelet op de combinatie van die verschillende beelden niet anders kan dan dat ook dit laatste voertuig het voertuig van de verdachte is geweest, blijkt dat de verdachte op 9 en 10 januari 20 de volgende reisbewegingen heeft gemaakt. De verdachte heeft, in elk geval, op 9 januari 2013 kort voor 22:52 uur, de vereniging verlaten. Op dat tijdstip passeert de auto een camera die geplaatst is op de [b-straat] richting Zuid-Rotterdam. De [b-straat] bevindt zich op korte afstand van de [a-straat]. Blijkens de ANWB-routeplanner is de reistijd 4 minuten. Op 10 januari 2013 is de verdachte om 01:42 teruggereden komende van Rotterdam-Zuid richting Rotterdam-West, waarbij de verdachte om 01:44 de [b-straat] passeerde. Om 01:45 is de verdachte in de richting van de [c-straat] gereden en om 01:47 uur heeft hij op de [d-straat] gereden en om 02.00 uur - dus na 13 minuten - is hij opnieuw en in dezelfde richting dezelfde camera van stadstoezicht gepasseerd, dus wederom via de [d-straat]: een zijstraat van de [a-straat], de straat waaraan de vereniging is gelegen. De verdachte reed na 02:00 uur weer terug richting Rotterdam-Zuid.
(x) Het telefoonnummer, eindigend op [telefoonnummer 4] dat in gebruik was bij het slachtoffer, straalt op 10 januari 2013 tot 01:45 uur nog steeds de zendmast op de [e-straat] aan, een zijstraat van de [a-straat]. Na 01:45 uur straalde dat telefoonnummer geen enkele zendmast meer aan.
(xi) Vanaf 10 januari 2013 08:30 uur zijn de hiervóór onder (iii) bedoelde Samsung Galaxy en de gekoppelde Nokia niet meer gebruikt. De Samsung, de Nokia en de telefoon van het slachtoffer zijn nooit teruggevonden.
(xii) Op 10 januari 2013 omstreeks 09:00 uur is het levenloze lichaam van het slachtoffer in de vereniging aangetroffen. [slachtoffer]' dood is ingetreden door hersenfunctiestoornissen, al dan niet in combinatie met weefselschade door doorgemaakt bloedverlies en functieverlies van de rechterlong, opgelopen door bij leven ingewerkt uitwendig mechanisch perforerend geweld, passend bij één inschot in het hoofd en twee in de borstkas. De aangetroffen kogels in en om het lichaam van het slachtoffer zijn afschoten met een vuurwapen. De schietafstand tussen het vuurwapen en het lichaam van het slachtoffer is tussen de 25 en 100 centimeter geweest. Op basis van de bevindingen van de patholoog en de resultaten van het onderzoek aan de huiddelen en de trui van het slachtoffer, wordt door het Nederlands Forensisch Instituut geconcludeerd dat de schotkanalen in de romp van het slachtoffer van achter in de rug naar voor in de borst verlopen.
Verklaringen verdachte
Gedurende het onderzoek in de onderhavige strafzaak is de verdachte verschillende keren geconfronteerd met bovenstaande feiten en omstandigheden. De verdachte heeft op voor de bewijsvoering essentiële onderdelen - die om verdachtes uitleg schreeuwen - geen verklaring willen geven (zwijgrecht) althans geen aannemelijke verklaring gegeven. Daarbij gaat het in het bijzonder om de uit die feiten en omstandigheden oprijzende vragen waarom hij een spyphone heeft aangeschaft en gebruikt in relatie tot zijn vrouw en vriend en wat de resultaten daarvan waren, waarom hij in de nacht van 10 januari 2013 terug is gereden naar een zijstraat van de straat waarin de vereniging is gelegen, en hoe de 13 minuten zijn te verklaren tussen het moment waarop hij toen op de [d-straat] arriveerde en het moment waarop hij in dezelfde richting via dezelfde straat zijn weg terug naar het huis van zijn vrouw is gereden, nu de verdachte daar kennelijk een afslag naar rechts moet hebben genomen.
Voor zover de verdachte een alternatief scenario naar voren heeft willen brengen, door de suggestie te doen dat een aantal (aan drugs gelinkte) "Fransen" mogelijk het slachtoffer om het leven hebben gebracht, oordeelt, het hof dat dat de verdachte zich hierover slechts in zeer vage, niet concrete en niet verifieerbare bewoordingen heeft uitgelaten en voorts dat dit scenario onvoldoende steun vindt in de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Het hof gaat hier dus aan voorbij.
De verklaring, van de verdachte dat hij op 10 januari 2013 's nachts vanuit Rotterdam-Zuid naar Rotterdam-West is gereden om sigaretten te kopen en dat hij die bij het […] tankstation op de [b-straat] heeft gekocht, acht het hof evenmin aannemelijk geworden. In dit verband heeft het hof in aanmerking genomen het nachtelijk tijdstip, de lengte en de route van de rit en voorts het gegeven dat de verdachte tijdens zijn rit tot tweemaal toe een […] tankstation dat ' s nachts open is is gepasseerd, maar daar blijkens de camerabeelden van die tankstations niet is gesignaleerd (proces-verbaal van bevindingen p. 182 en 183).
Conclusie
Op grond van voorstaande feiten en omstandigheden, de bewijsmiddelen in onderling verband en in samenhang met elkaar bezien, en in aanmerking genomen dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven over hem belastende feiten en omstandigheden die om een uitleg van de verdachte, die hij eenvoudig zou kunnen geven, schreeuwen, leidt het hof voor zover van belang het volgende uit de bewijsmiddelen af.
De vrouw van de verdachte en het slachtoffer onderhielden een geheime, affectieve, relatie met elkaar. Het slachtoffer is hier eind 2012 begin 2013 achter gekomen, door inzet van een spyphone. Hij heeft toen naar aanleiding van zijn uiteindelijk zeer concrete bevindingen over die' relatie het plan opgevat om het slachtoffer van het leven te beroven en vervolgens heeft hij dit plan ook uitgevoerd.
Dat de verdachte het vooropgezette plan heeft gehad het slachtoffer van het leven te beroven, leidt het hof in het bijzonder af uit het OVC-gesprek van 2 april 2013. Uit de inhoud van dat gesprek volgt dat, nadat de verdachte op de hoogte was geraakt van de (aard van de) relatie tussen zijn vrouw en het slachtoffer, hij zijn vrouw met die wetenschap heeft geconfronteerd en haar klaarblijkelijk bij haar thuis heeft verteld van plan te zijn het slachtoffer te doden.
In het kader van dit plan is de verdachte vervolgens in de middag van 9 januari 2013 met een vuurwapen en bijpassende munitie naar de vereniging gegaan. Aan het eind van de avond verzocht de verdachte aan het slachtoffer op luide, bevelende toon nog even te blijven, en wachtte hij tot de laatste andere persoon aanwezig, getuige [betrokkene 4], de vereniging had verlaten. Aldus heeft de verdachte bewust een situatie gecreëerd waarin alleen hij en het slachtoffer in de vereniging achter waren gebleven. De verdachte en het slachtoffer hebben daar nog enige tijd met elkaar doorgebracht.
Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dan dat het de verdachte is geweest die toen en aldaar op korte afstand driemaal gericht achterlangs in de borst en voorts in het hoofd heeft geschoten op het slachtoffer, en hem aldus heeft geraakt op plekken waar- zich vitale organen bevinden. Uit de telefonische data van het slachtoffer volgt dat hij daarna geen enkel actief telefonisch verkeer meer heeft gehad. Op grond van het bovenstaande concludeert het hof dat de verdachte met het op deze wijze doden van het slachtoffer uitvoering gaf aan zijn vooraf gemaakte plan om het slachtoffer van het leven te beroven, zoals hij ook tevoren had gedeeld met zijn echtgenote. De verdachte heeft na op het slachtoffer te hebben geschoten de vereniging verlaten, en is 's nachts - enkele uren later - terug gereden naar de vereniging om daar de telefoon van het slachtoffer te pakken en mee te nemen. Hij heeft er verder voor gezorgd dat, vóórdat het lichaam van het slachtoffer door iemand werd ontdekt, de spyphone van zijn vrouw, de daaraan gekoppelde Nokia van hemzelf en de telefoon van het slachtoffer niet meer terug te vinden waren.
Het voorgaande brengt met zich dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad nu daaruit volgt dat hij vóórdat hij op het slachtoffer heeft geschoten, heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan daadwerkelijk rekenschap
heeft gegeven. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin de verdachte zou hebben gehandeld is niets gebleken. Evenmin bevat het dossier andere contra-indicaties die aan het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.
Gelet op het voorgaande komt het hof tot de slotsom dat de verdachte met voorbedachte raad het slachtoffer van het leven heeft beroofd en acht het hof daarmee de impliciet primair ten laste gelegde moord wettig en overtuigend bewezen.”
7. Geklaagd wordt over de overweging van het hof dat verdachte op voor de bewijsvoering essentiële onderdelen geen (aannemelijke) verklaring heeft willen geven. Ook de stellers van het middel nemen onder andere door verwijzing naar de bekende zaak Murray tegen het Verenigd Koninkrijk tot uitgangspunt dat de nationale en internationale rechtspraak toelaat dat daaraan bewijsbetekenis kan worden toegekend. [1] De eerste klacht is mede in het licht van de toelichting op het middel onder 1.11 van de schriftuur: “De enkele omstandigheid dat verdachte is aangetroffen in een opmerkelijke situatie is onvoldoende om een redelijke verklaring van een verdachte te eisen wanneer er verder geen bewijs aanwezig is dat hem in verband brengt met een poging tot inbraak.” [2] Ik begrijp dit aldus dat wordt geklaagd dat ook in het onderhavige geval enkel een opmerkelijke situatie onvoldoende is omdat er verder geen bewijs is dat verdachte in verband brengt met moord.
8. Deze klacht berust op een verkeerde lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft de woorden ‘opmerkelijke situatie’ niet in de mond genomen, maar spreekt over: “op voor de bewijsvoering essentiële onderdelen - die om verdachtes uitleg schreeuwen -.” Dat is (veel) meer dan enkel opmerkelijk en dat en waarom dit zwaardere criterium niet van toepassing is, wordt niet gesteld en zie ik niet in. Kortom heeft het hof niet het criterium opmerkelijk, maar het juiste criterium toegepast. Anders dan de stellers van het middel kennelijk menen heeft het hof naast de omstandigheden die om uitleg schreeuwen (waarom een spyphone aangeschaft, waarom teruggereden naar de Turkse vereniging en waar zijn die 13 minuten gebleven?) wel degelijk ander bewijs dat verdachte in verband brengt met moord gebezigd. Ik verwijs in het bijzonder naar het OVC-gesprek in de overweging van het hof onder (vi) en het contact met het slachtoffer bij de Turkse vereniging in de uren voor zijn overlijden onder (vii) en (viii).
9. Voor het overige zetten de stellers van het middel de klacht in de sleutel van de begrijpelijkheid van de overweging over de geboden, maar ontbrekende (aannemelijke) verklaring van verdachte (schriftuur 1.12). Volgens hen is daarbij van belang dat het voorgenomen plan het slachtoffer te doden niet kan worden afgeleid uit het OVC-gesprek van 2 april 2013. [3] Daaraan wordt toegevoegd dat uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) blijkt dat verdachte voorzien was van een vuurwapen en munitie toen hij op 9 januari 2013 naar de Turkse vereniging ging. De toelichting op de klacht eindigt met het volgende:
“Tot slot kan ook uit de bewijsmiddelen niet volgen dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte het slachtoffer heeft doodgeschoten, nu bijvoorbeeld uit de bewijsmiddelen niet kan volgen hoe laat het slachtoffer exact is overleden en ook niet blijkt dat verdachte degene is die het slachtoffer als laatst heeft gezien. De overwegingen/conclusies van het hof kunnen dus - mede gelet op het uitvoerige verweer van de verdediging - niet zonder meer uit de bewijsmiddelen volgen, zodat de bewezenverklaring en/of de verwerping van het verweer onvoldoende met redenen is omkleed.”
10. De klacht richt zich hiermee allereerst tegen de hierboven al geciteerde overweging van het hof die ik voor de leesbaarheid herhaal:
“Dat de verdachte het vooropgezette plan heeft gehad het slachtoffer van het leven te beroven, leidt het hof in het bijzonder af uit het OVC-gesprek van 2 april 2013. Uit de inhoud van dat gesprek volgt dat, nadat de verdachte op de hoogte was geraakt van de (aard van de) relatie tussen zijn vrouw en het slachtoffer, hij zijn vrouw met die wetenschap heeft geconfronteerd en haar klaarblijkelijk bij haar thuis heeft verteld van plan te zijn het slachtoffer te doden.”
11. Het betreft hier een OVC-gesprek van bijna drie maanden na het feit tussen de vrouw van verdachte ([betrokkene 2]) en de moeder van verdachte ([betrokkene 3]) als opgenomen in de overweging van het hof onder (vi). Gerelateerd worden onder meer als door de moeder van verdachte gebruikte woorden: “Ik smeekte, [verdachte]. Ik zei wat kan ik doen. [...] Ik zei: [verdachte], doe het niet. [verdachte] doe het niet. [...], dood mij eerst, voordat je het gaat doen.” Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat met [verdachte] wordt gedoeld op de verdachte die voluit [verdachte] heet. Daarover wordt terecht niet geklaagd. Uit het gesprek kon het hof rechtstreeks afleiden dat de moeder van verdachte voorafgaande aan de dood van het slachtoffer op de hoogte was van het bij verdachte aanwezige voornemen dat slachtoffer te doden. Al daarom kon het hof uit het OVC-gesprek afleiden dat de verdachte het vooropgezette plan heeft gehad om het slachtoffer van het leven te beroven. In zoverre is van onbegrijpelijkheid geen sprake. Kennelijk heeft het hof uit het gesprek mede in het licht van de context van het gehele gesprek tevens afgeleid dat de vrouw van verdachte door verdachte is geconfronteerd met de wetenschap van verdachte inzake de affectieve relatie met het slachtoffer en zijn voornemen het slachtoffer van het leven te beroven. [4] Voor zover dit in hoofdzaak aan de context ontleende te ver gaat, blijft overeind dat uit de uitlatingen van moeder het voornemen van verdachte kon worden afgeleid. In zoverre ontbreekt dus belang bij cassatie temeer nu dat voornemen weliswaar in het bijzonder uit het OVC-gesprek blijkt, maar naar niet onbegrijpelijk in het oordeel van het hof besloten ligt niet uitsluitend uit dat gesprek.
12. Dan de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) blijkt dat verdachte voorzien was van een vuurwapen en munitie toen hij op 9 januari 2013 naar de Turkse vereniging ging. Inderdaad heeft het hof overwogen: “In het kader van dit plan is de verdachte vervolgens in de middag van 9 januari 2013 met een vuurwapen en bijpassende munitie naar de vereniging gegaan.” Deze klacht wordt nauwelijks nader toegelicht en ik begrijp dat de stellers de onderliggende vastgestelde omstandigheden niet toereikend vinden om te oordelen dat verdachte het wapen en de munitie bij zich had toen hij naar de Turkse vereniging ging. Het criterium is dan of de conclusie dat verdachte al bewapend naar de Turkse vereniging met een redelijke mate van waarschijnlijkheid kan worden afgeleid uit de door het hof vastgestelde feiten.. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof uit alle vastgestelde omstandigheden heeft afgeleid dat verdachte het wapen met munitie bij zich had toen hij naar de vereniging toe ging. Het volledig uitsluiten van de mogelijkheid dat het wapen en de munitie pas na zijn komst in de vereniging aan hem zijn gegeven is een overspannen eis. Als zo’n alternatief niet onder de aandacht van de rechter wordt gebracht, kan van de rechter niet worden verlangd dat hij alle eventuele mogelijkheden in zijn overwegingen uitsluit. [5] Kortom de conclusie van het hof dat de verdachte wapen en munitie al bij zich had, gaat niet te ver.
13. Dan nog de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte het slachtoffer heeft doodgeschoten, nu bijvoorbeeld uit de bewijsmiddelen niet kan volgen hoe laat het slachtoffer exact is overleden en ook niet blijkt dat verdachte degene is die het slachtoffer als laatste heeft gezien. Voor deze klacht geldt hetzelfde als voor de vorige: er ontbreekt nadere toelichting, een redelijke mate van waarschijnlijkheid vormt het criterium voor de toereikendheid van het bewijs, terwijl de toetsing in cassatie marginaal is. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof uit alle vastgestelde omstandigheden heeft afgeleid dat verdachte het slachtoffer als laatste heeft gezien en niet heeft kunnen vaststellen wat het exacte tijdstip van overlijden is, maar alleen een periode van uren. Het tijdstip waarop verdachte het slachtoffer (als laatste) heeft gezien en de periode waarin het slachtoffer moet zijn overleden heeft het hof niet onbegrijpelijk als factoren aangemerkt die wijzen op de verdachte als de schutter. Aannemelijke alternatieven ontbreken kennelijk en niet onbegrijpelijk volgens het hof. Kortom ook de conclusie van het hof dat de verdachte heeft geschoten, kan in cassatie mede gelet op het karakter van dit rechtsmiddel overeind blijven.
14. Het middel verwijst heel in het algemeen voor de onderbouwing van de klachten nog naar hetgeen in feitelijke aanleg is aangevoerd. Ik zal daarop niet nader ingaan nu op deze wijze een middel volledig onbegrensd blijft. Van de stellers van het middel mag worden verwacht dat zij tenminste aangeven welke onderdelen van hetgeen in feitelijke aanleg is aangevoerd relevant zijn voor een bepaald klachtonderdeel. Ik zie ook geen aanleiding om nader in te gaan op het in het middel wat vaag gesuggereerde verband tussen de laatste drie klachtonderdelen en de bewijsbetekenis van het zwijgen van verdachte naar aanleiding van de vragen over essentiële belastende omstandigheden.
15. Het
eerste middelfaalt.
19. De Memorie van toelichting bij art. II, onderdeel G, van de Spoedreparatiewet [8] bevat de volgende passage:
“In de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen wordt eenduidig bepaald wat binnen het strafrecht moet worden verstaan onder een «jaar». Naast de definitie van «maand» en «dag» als dertig dagen respectievelijk vierentwintig uren wordt een jaar wettelijk gelijk gesteld aan twaalf maanden. Gevolg hiervan is dat een «jaar» niet meer een kalenderjaar is van 365 dagen, maar een jaar van 12 maanden van elk 30 dagen (=360 dagen). Hiertoe bevat de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen een wijzigingsopdracht voor zowel de definitiebepaling in artikel 88 Sr Pro als de definitiebepaling in artikel 136, eerste lid, Sv (artikel I, onderdeel I, en artikel II, onderdeel FFF, van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen).
Omdat de wijziging van «jaar» een dusdanig grote (ICT-)inspanning zou vergen van de uitvoeringsketen – een inspanning die niet kon worden gecombineerd met alle overige implementatiewerkzaamheden – is besloten de inwerkingtreding van de definitiewijziging uit te stellen. Toen de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen op 1 januari 2020 in werking trad, is artikel I, onderdeel I, daarom uitgezonderd van inwerkingtreding (zie Stb. 2019, 507). Doordat artikel II, onderdeel FFF, met daarin de wijziging van artikel 88 Sr Pro, abusievelijk wel in werking is getreden, kent het Wetboek van Strafrecht nu een definitie van «jaar» die het Wetboek van Strafvordering nog niet kent. Dit is onwenselijk. Daarom wordt in onderhavig onderdeel voorgesteld de formulering van artikel 88 Sr Pro weer gelijk te trekken met het huidige (nog niet gewijzigde) artikel 136, eerste lid, Sv. Deze wijziging is tijdelijk omdat artikel X van dit wetsvoorstel regelt dat zodra de wijziging van artikel 136 Sv Pro in werking treedt, artikel 88 Sr Pro eveneens weer wijzigt. Op deze manier is verzekerd dat de beide strafrechtelijke wetboeken een gelijkluidende definitie van «jaar» houden.
Onderhavige wijziging laat overigens onverlet dat het huidige artikel 88 Sr Pro geldt voor strafrechtelijke beslissingen die in jaren zijn gesteld en die zijn genomen op basis van het Wetboek van Strafrecht in de periode tussen 1 januari 2020 en – als dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven – de inwerkingtreding van deze wet. Deze beslissingen zullen dus met een rekenkundige termijn van twaalf maanden worden uitgevoerd. Omdat de benodigde ICT hiervoor (nog) niet is gerealiseerd, zal dit gebeuren door een aanvullende, deels handmatige inspanning van de uitvoeringsketen.”
20. De maximumduur van de gijzeling in het kader van de schadevergoedingsmaatregel was en is gesteld op één jaar. Ten tijde van het wijzen van het arrest was de duur van een jaar 12 maanden en daarmee 360 dagen. Mede gelet op art. 1, tweede lid, Sr was dat het door het hof ten hoogste op te leggen aantal dagen gijzeling. Het hof heeft derhalve door het maximum te stellen op 365 dagen gijzeling de wet onjuist toegepast. De vraag is wat de consequentie daarvan moet zijn.
21. Kan nu in de Memorie van toelichting is toegezegd dat in de uitvoering bij bepaling van een jaar door de rechter in de periode van de bedoelde eerste maanden van 2020 worden geconcludeerd dat er geen belang voor de Hoge Raad om het arrest op dit punt te vernietigen? [9] Geldt dat ontbreken van belang eveneens als de duur niet op een jaar is gesteld, maar zoals in het onderhavige geval op 365 dagen? Het is volstrekt redelijk dat ook dan in de uitvoering niet meer dan 360 dagen worden uitgevoerd, omdat dat ten tijde van het wijzen van het arrest het maximum was. Desondanks heb ik voorkeur omwille van de duidelijkheid de Memorie van toelichting letterlijk te lezen. Het gaat hier om een onjuiste beslissing van het hof tot oplegging van 365 dagen gijzeling en niet om de juiste oplegging van een jaar waarvoor, zoals in de Memorie van toelichting is voorzien, in het kader van de executie 360 dagen worden gerekend. Misverstanden in de praktijk liggen hier op de loer. Het heeft daarom mijn voorkeur dat de Hoge Raad de beslissing van het hof voor zover het betreft de gijzeling vernietigt en stelt op 360 dagen.
22. Het
tweede middelslaagt.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Voor rechtspraak van het EHRM wordt verwezen naar: EHRM 8 februari 1996, ECLI:CE:ECHR:1996:0208JUD001873191,
2.Verwezen wordt daarbij naar Gerechtshof Amsterdam 12 januari 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP1003.
3.Zie de overweging van het hof onder (vi).
4.In het licht van door de AG geciteerde gespreksfragmenten van 2 april 2013 tussen de vrouw en de moeder in de periode tussen 12.15 uur en 21.29 uur is dit niet onbegrijpelijk. Zie het aan het proces-verbaal van de zitting van het hof van 29 mei 2020 gehechte requisitoir (p. 9).
5.Vgl. G. Knigge, Beslissen en motiveren, Alphen aan den Rijn 1980, p. 155. Voorts ook Van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer 2018, p. 241 e.v. die spreekt van een marginale controle op de toereikendheid van het bewijs.
6.Wet van 22 februari 2017, Stb.2017, 82 (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, i.w.tr. 1 januari 2020).
7.Wet van 24 juni 2020, Stb. 2020, 224 i.w.tr. 25 juli 2020).
8.Tweede Kamer, vergaderjaar 2019–2020, 35 436, nr. 3, p. 10.
9.Vgl. HR 27 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1678: de Hoge Raad verklaarde in een zaak waarin het hof de gijzeling bij ontneming op 1095 (3 maal 365) had bepaald, het beroep niet-ontvankelijkheid op grond van art. 80a RO, kennelijk nu bij de (eventuele) tenuitvoerlegging zal worden uitgegaan van 1080 (3 maal 360) dagen.