“(i) De verdachte en het slachtoffer onderhielden vanaf eind 2012 een vriendschappelijke en een zakelijke relatie.
(ii) De vrouw van de verdachte en het slachtoffer hadden sinds medio 2010 heimelijk een affectieve relatie met elkaar, waarbij ook intiem fysiek contact - ten minste zoenen - plaatsvond.
(iii) De verdachte heeft een telefoon aangeschaft, te weten een Samsung Galaxy S, waarop hij zogenoemde spyware heeft laten installeren. Op 31 december 2012 heeft de verdachte samen met de getuige [betrokkene 1] de met spyware geïnstalleerde Samsung in een spyshop te Breda opgehaald.
Hij ontving daarbij een Nokia-telefoon, die aan de Samsung gekoppeld werd, zodat de verdachte het telefoonverkeer van en met de Samsung kon onderscheppen.
(iv) Vanaf 31 december 2012 zat de simkaart van het telefoonnummer eindigend op -[telefoonnummer 1] in de Nokia-telefoon, met imei-nummer [001]. Het telefoonnummer eindigend op -[telefoonnummer 2], in gebruik bij de vrouw van de verdachte, [betrokkene 2], zit vanaf 31 december 2012 in de geprepareerde Samsung-telefoon, met imei-nummer [002]. Het telefoonnummer eindigend op -[telefoonnummer 3] was in gebruik bij het slachtoffer [slachtoffer].
(v) Uit de historische telecomgegevens blijkt dat zesmaal contact heeft plaatsgevonden tussen de vrouw van de verdachte en het slachtoffer, waarbij op datzelfde moment een dubbele verbinding wordt gemaakt met het telefoonnummer in gebruik bij de vrouw van de verdachte, de Samsung én het telefoonnummer in gebruik bij de verdachte, de Nokia. De dubbele verbinding vond tweemaal plaats op 6 januari 2013, driemaal op 7 januari 2013 en nog een keer op 9 januari 2013. Op 9 januari 2013 om 20.38 uur was het server account waarnaar telefonisch verkeer/berichten tussen verdachtes vrouw en het slachtoffer werd opgeslagen, laatstelijk benaderd.
Hieruit volgt dat de verdachte kennis moet hebben genomen van de gesprekken die tussen zijn echtgenote en het slachtoffer zijn gevoerd en van de inhoud van de tussen hen verzonden sms-berichten.
(vi) Op 2 april 2013 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen de moeder van de verdachte, '[betrokkene 3]', en de vrouw van de verdachte, hetgeen heimelijk is opgenomen door de politie. Dat OVC-gesprek houdt onder meer en voor zover van belang het volgende in:
- ([betrokkene 3], 08:10) 'Als ik het maar op z'n minst, op z'n minst, op z'n minst had vermoed, dan had ik gezegd: slacht mij maar eerst af, dood mij maar eerst. Dan had ik gezegd: word eerst mijn moordenaar, [verdachte]. En pas daarna ... Als ik een beetje, een beetje, dan had ik gezegd: dood mij eerst [verdachte]. Dan had ik gezegd: dood mij eerst, word eerst mijn moordenaar, en dan...'
- ([betrokkene 3], 27:36) 'Ik smeekte, [verdachte]. Ik zei wat kan ik doen. [...] Ik zei: [verdachte], doe het niet. [verdachte] doe het niet. [...], dood mij eerst, voordat je het gaat doen. '
- ([betrokkene 3], 32.50) 'Alles, alles blijkt uit diens mobiel.'
(vii) Op 9 januari 2013 is de verdachte naar de [vereniging], een Turkse vereniging, (hierna: de vereniging) aan de [a-straat] te Rotterdam gegaan. De verdachte is die dag, zoals te doen gebruikelijk, in zijn Opel Corsa naar de verenging gereden. Het betreft een Opel Corsa met kenteken [kenteken]. Samen met het slachtoffer gaf de verdachte leiding aan de vereniging, waarvan het hun bedoeling was om deze ook in eigendom te krijgen. 's Avonds rond 22.10 uur vertrokken aldaar de laatste bezoekers. De personen die zich na dat moment nog in de vereniging bevonden waren het slachtoffer, de verdachte en de getuige [betrokkene 4], die bij de vereniging achter de bar werkte.
(viii) [betrokkene 4] is die avond tussen 22:25 en 22:30 uur bij de vereniging vertrokken. Vóór het vertrek van [betrokkene 4] verzocht de verdachte aan het slachtoffer op een luide, bevelende toon om te blijven.
(ix) Uit de onderzochte camerabeelden van Vialis en onderzochte camerabeelden van de dienst Cameratoezicht van de politie Rotterdam waarop het voertuig van de verdachte, voornoemde Opel Corsa met kenteken [kenteken], te zien is (Vialis), en waarop een op het voertuig van de verdachte gelijkend voertuig is te zien (Cameratoezicht), waarvan het hof vaststelt dat het gelet op de combinatie van die verschillende beelden niet anders kan dan dat ook dit laatste voertuig het voertuig van de verdachte is geweest, blijkt dat de verdachte op 9 en 10 januari 20 de volgende reisbewegingen heeft gemaakt. De verdachte heeft, in elk geval, op 9 januari 2013 kort voor 22:52 uur, de vereniging verlaten. Op dat tijdstip passeert de auto een camera die geplaatst is op de [b-straat] richting Zuid-Rotterdam. De [b-straat] bevindt zich op korte afstand van de [a-straat]. Blijkens de ANWB-routeplanner is de reistijd 4 minuten. Op 10 januari 2013 is de verdachte om 01:42 teruggereden komende van Rotterdam-Zuid richting Rotterdam-West, waarbij de verdachte om 01:44 de [b-straat] passeerde. Om 01:45 is de verdachte in de richting van de [c-straat] gereden en om 01:47 uur heeft hij op de [d-straat] gereden en om 02.00 uur - dus na 13 minuten - is hij opnieuw en in dezelfde richting dezelfde camera van stadstoezicht gepasseerd, dus wederom via de [d-straat]: een zijstraat van de [a-straat], de straat waaraan de vereniging is gelegen. De verdachte reed na 02:00 uur weer terug richting Rotterdam-Zuid.
(x) Het telefoonnummer, eindigend op [telefoonnummer 4] dat in gebruik was bij het slachtoffer, straalt op 10 januari 2013 tot 01:45 uur nog steeds de zendmast op de [e-straat] aan, een zijstraat van de [a-straat]. Na 01:45 uur straalde dat telefoonnummer geen enkele zendmast meer aan.
(xi) Vanaf 10 januari 2013 08:30 uur zijn de hiervóór onder (iii) bedoelde Samsung Galaxy en de gekoppelde Nokia niet meer gebruikt. De Samsung, de Nokia en de telefoon van het slachtoffer zijn nooit teruggevonden.
(xii) Op 10 januari 2013 omstreeks 09:00 uur is het levenloze lichaam van het slachtoffer in de vereniging aangetroffen. [slachtoffer]' dood is ingetreden door hersenfunctiestoornissen, al dan niet in combinatie met weefselschade door doorgemaakt bloedverlies en functieverlies van de rechterlong, opgelopen door bij leven ingewerkt uitwendig mechanisch perforerend geweld, passend bij één inschot in het hoofd en twee in de borstkas. De aangetroffen kogels in en om het lichaam van het slachtoffer zijn afschoten met een vuurwapen. De schietafstand tussen het vuurwapen en het lichaam van het slachtoffer is tussen de 25 en 100 centimeter geweest. Op basis van de bevindingen van de patholoog en de resultaten van het onderzoek aan de huiddelen en de trui van het slachtoffer, wordt door het Nederlands Forensisch Instituut geconcludeerd dat de schotkanalen in de romp van het slachtoffer van achter in de rug naar voor in de borst verlopen.
Verklaringen verdachte
Gedurende het onderzoek in de onderhavige strafzaak is de verdachte verschillende keren geconfronteerd met bovenstaande feiten en omstandigheden. De verdachte heeft op voor de bewijsvoering essentiële onderdelen - die om verdachtes uitleg schreeuwen - geen verklaring willen geven (zwijgrecht) althans geen aannemelijke verklaring gegeven. Daarbij gaat het in het bijzonder om de uit die feiten en omstandigheden oprijzende vragen waarom hij een spyphone heeft aangeschaft en gebruikt in relatie tot zijn vrouw en vriend en wat de resultaten daarvan waren, waarom hij in de nacht van 10 januari 2013 terug is gereden naar een zijstraat van de straat waarin de vereniging is gelegen, en hoe de 13 minuten zijn te verklaren tussen het moment waarop hij toen op de [d-straat] arriveerde en het moment waarop hij in dezelfde richting via dezelfde straat zijn weg terug naar het huis van zijn vrouw is gereden, nu de verdachte daar kennelijk een afslag naar rechts moet hebben genomen.
Voor zover de verdachte een alternatief scenario naar voren heeft willen brengen, door de suggestie te doen dat een aantal (aan drugs gelinkte) "Fransen" mogelijk het slachtoffer om het leven hebben gebracht, oordeelt, het hof dat dat de verdachte zich hierover slechts in zeer vage, niet concrete en niet verifieerbare bewoordingen heeft uitgelaten en voorts dat dit scenario onvoldoende steun vindt in de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. Het hof gaat hier dus aan voorbij.