ECLI:NL:GHAMS:2011:BP1003
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M.F.J.M. de Werd
- F.W.J. den Ottolander
- R.H.J. de Vries
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs poging tot inbraak bij sportcomplex
Op 16 april 2009 werd verdachte aangehouden nabij een sportcomplex waar kort daarvoor breekgeluiden waren gemeld. Verdachte werd ervan verdacht te hebben geprobeerd in te breken in het clubgebouw van een sportvereniging door deuren te forceren met een breekijzer of koevoet. Tijdens het politieonderzoek maakte verdachte gebruik van zijn zwijgrecht en gaf geen verklaring af over zijn aanwezigheid.
De advocaat-generaal vorderde een veroordeling tot een werkstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis. Het hof oordeelde echter dat het bewijs onvoldoende was om de tenlastelegging wettig en overtuigend vast te stellen. Het hof verwees naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarbij het zwijgen van verdachte niet als zelfstandig bewijs kan dienen om een zwakke zaak te versterken.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij. Het hof benadrukte dat verdachte onverkort recht heeft op zwijgen en dat zijn zwijgrecht niet mocht worden tegengeworpen, omdat er geen direct bewijs was dat verdachte betrokken was bij de poging tot inbraak.
De uitspraak werd gedaan door de achtste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 12 januari 2011.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van poging tot inbraak.