Conclusie
3.Het eerste middel
4.Het tweede middel
11. Beslissing
(…)
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes weken, waarvan drie voorwaardelijk, wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd. De straf werd bevestigd ten opzichte van het vonnis van de politierechter. In cassatie werd aangevoerd dat het hof onvoldoende had gereageerd op het strafmaatverweer, met name op het verzoek om een taakstraf in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De politierechter had de straf gemotiveerd op basis van de ernst van het feit, recidive en het feit dat het om een reeks diefstallen ging. De verdediging voerde aan dat de opgelegde straf niet in overeenstemming was met de landelijke oriëntatiepunten (LOVS) en dat een taakstraf passend zou zijn, mede omdat de verdachte zich inmiddels in Nederland had gevestigd.
De Hoge Raad oordeelt dat hoewel het hof de straf van de politierechter bevestigde, het niet adequaat heeft gemotiveerd waarom het verzoek om een taakstraf werd afgewezen, terwijl nieuwe feiten waren aangevoerd die de eerdere overwegingen van de politierechter konden ontkrachten. De klacht over de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf faalt omdat daarvoor geen kennisneming van de verdachte vereist is.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting en beslissing, met nadruk op een deugdelijke motivering omtrent de strafmodaliteit.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting met nadruk op motivering van de strafmodaliteit.