ECLI:NL:HR:2021:1089

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2021
Publicatiedatum
7 juli 2021
Zaaknummer
20/01796
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 lid 1 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep in cassatie wegens poging tot nachtelijke woninginbraak

In deze zaak stond de verdachte terecht voor poging tot nachtelijke woninginbraak, zoals omschreven in artikel 311 lid 1 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte veroordeeld en daarbij het verzoek tot rekening houden met persoonlijke omstandigheden van de verdachte in het kader van de straftoemeting niet gemotiveerd behandeld.

De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet verplicht was om gemotiveerd te beslissen op het straftoemetingsverweer, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Dit oordeel was voldoende om het cassatieberoep te verwerpen zonder nadere motivering.

De Hoge Raad bevestigde hiermee de uitspraak van het hof Amsterdam en verwierp het beroep in cassatie. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, waarbij het beroep van de verdachte geen succes had.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor poging tot nachtelijke woninginbraak blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/01796
Datum13 juli 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 juni 2020, nummer 23-000081-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 juli 2021.