Conclusie
1.De feiten
hof). [1]
HHI) staat als moedervennootschap aan het hoofd van een groep vennootschappen waartoe onder meer haar dochtervennootschappen [A] B.V. (hierna:
[A]) en [B] BV. (hierna:
[B]) behoorden. [A] en [B] waren gevestigd in [de Industriehaven] (hierna: de
Industriehaven). Zij hielden zich onder meer bezig met het uitvoeren van onderhouds-, straal-, conserverings- en reparatiewerkzaamheden aan schepen.
Staat) [B] en [A] aansprakelijk gesteld voor de kosten van sanering van de Industriehaven. Namens de Staat is de aansprakelijkstelling herhaald en is de verjaring van de vordering tot vergoeding van de kosten van sanering gestuit.
[verweerder 2]) enig statutair bestuurder van [A] en is [verweerder 3] (hierna:
[verweerder 3]) als commissaris aan [A] verbonden.
Deloitte) is als accountant van [A] betrokken geweest bij de opstelling van de jaarrekeningen van [A] over de jaren 2000 t/m 2009.
curator) als curator aangesteld.
HHI c.s.) en Deloitte te veroordelen tot betaling van de schade die de schuldeisers van [A] hebben geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van HHI c.s. en Deloitte, en [verweerder 2] en [verweerder 3] te veroordelen tot betaling van het boedeltekort in het faillissement van [A] wegens onbehoorlijk bestuur.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
arrest in vrijwaring) bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank van 19 juli 2017, veroordeelt het hof Deloitte, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het hoger beroep, en wijst het hof het meer of anders gevorderde af. Aan deze beslissing ligt, voor zover relevant, de volgende overweging ten grondslag: