ECLI:NL:PHR:2021:647

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 maart 2021
Publicatiedatum
25 juni 2021
Zaaknummer
19/03984
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Leerplichtwet 1969Art. 5.b Leerplichtwet 1969
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens inschrijfplicht leerplichtwet 1969 en beroep op vrijstelling

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin de verdachte was veroordeeld wegens het niet naleven van de inschrijfplicht onder de Leerplichtwet 1969. De verdachte beriep zich op een vrijstelling op grond van traditionele katholieke geloofsovertuiging. Het cassatiemiddel dat betrekking had op deze vrijstelling slaagde, terwijl het andere middel faalde.

De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest voor zover het betrekking had op de beslissingen omtrent het eerste feit en wees de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling. De overige beslissingen werden verworpen. De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad was dat er geen ambtshalve gronden waren voor vernietiging.

De zaak is nauw verbonden met een andere zaak tegen de medeverdachte, de echtgenote van de verdachte, waarbij gelijke middelen en overwegingen aan de orde waren. De procedure is gevoerd met inachtneming van de wettelijke bepalingen van de Leerplichtwet 1969 en de cassatieprocedure bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/03984

Zitting30 maart 2021
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.

De procedure in cassatie

1. De verdachte is bij arrest van 21 augustus 2019 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1. “
als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen”, veroordeeld tot een geldboete van € 750,00 subsidiair vijftien dagen hechtenis en wegens 2. “
als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid, van die wet opgelegde verplichtingen niet nakomen”, tot een voorwaardelijke geldboete van € 750,00, subsidiair vijftien dagen hechtenis, met een proeftijd voor de duur van twee jaren.
2. Er bestaat samenhang met de zaak tegen de medeverdachte, zijnde de echtgenote van de verdachte, [medeverdachte] . De zaak is bij de Hoge Raad bekend onder nummer 19/03983. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

Een bespreking van de middelen

4. Het eerste middel slaagt en het tweede middel faalt. De redenen daarvoor heb ik opgegeven in mijn conclusie in de zaak tegen de medeverdachte, onder nummer 19/03983. [1]

Slotsom

5. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel faalt.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest ten aanzien van de beslissingen met betrekking tot feit 1, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De middelen die strekken tot cassatie van de veroordelende arresten in deze twee samenhangende zaken zijn afkomstig van dezelfde cassatieadvocaat en zij zijn gelijkluidend. De dragende overwegingen in de veroordelende arresten zijn gelijkluidend. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 augustus 2019 in deze zaak is op slechts geringe, hier niet relevante punten, afwijkend van het proces-verbaal van de terechtzitting in de gelijktijdig behandelde zaak tegen de medeverdachte.