Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
AANVULLENDE
14.1 Benadeelde partijen
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad een aanvullende conclusie gegeven over de ontvankelijkheid van vorderingen van benadeelde partijen in een strafproces tegen Geert Wilders. Diverse benadeelde partijen hadden in hoger beroep vorderingen tot schadevergoeding ingediend, waarvan enkele zich pas in hoger beroep als benadeelde partij hadden gesteld. Het hof verklaarde deze laatkomers niet-ontvankelijk op grond van artikel 421, eerste lid, Sv.
Daarnaast oordeelde het hof dat de overige vorderingen van benadeelde partijen niet ontvankelijk zijn omdat de behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dit vanwege de betwisting door de verdediging en het ontbreken van een duidelijk causaal verband tussen de schade en het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partijen hadden immateriële schade opgevoerd zoals spanningsklachten en psychische gevolgen, met gevorderde bedragen variërend van symbolisch tot €20.000.
De verdediging betwistte het rechtstreekse verband en het voldoende belang van sommige vorderingen. De Hoge Raad toetst het feitelijke oordeel van het hof terughoudend en acht het oordeel begrijpelijk gezien de grote hoeveelheid vorderingen en de complexiteit van het bewijs. Ook het argument dat een enkele vordering geen onevenredige belasting zou vormen, weerhoudt de Hoge Raad niet van verwerping.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt tot verwerping van het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring. Tevens bepaalt het hof dat de kosten van de behandeling van de vorderingen over en weer worden gecompenseerd, zodat verdachte en benadeelde partijen ieder hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: De vorderingen van benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van rechtstreekse schade en onevenredige belasting van het strafgeding.